Ook de artsen sukkelen voort

Is Willem Melchior een nieuwe weg ingeslagen? Eerst waren er de stoere SM-verhalen uit zijn debuut, De roeping van het vlees (1992). Daarna drie spannende homo-erotische romans, en nu een degelijke, onvertogen, breed uitgesponnen familiegeschiedenis: De dokters Andrian. Uiterst bedachtzaam komt een verhaal op gang over opa, zoon, kleinzoon en achterkleinzoon Andrian, dat begint rond 1900 – met terugblikken naar vroeger tijden – en eindigt in de jaren vijftig van de vorige eeuw. Melchior is, zo lijkt het, een dagje ouder geworden, hij is zijn wilde haren kwijtgeraakt en hij is er deze keer eens breeduit voor gaan zitten.

Natuurlijk zijn er als het moet ook wel wat overeenkomsten aan te wijzen. In zijn vorige boeken was altijd al een kiem van bezadigdheid en berusting aanwezig, terwijl in De dokters Andrian een zekere frivoliteit niet ontbreekt. Herkenbaar is ook de stijl, die bij Melchior altijd al wat gedragen was, al deed hij er voor deze historische gelegenheid nog een schep bovenop. Wat zijn vijf boeken tot dusver het meest samenbindt is het levensgevoel dat eruit spreekt. Dat is nostalgisch en tamelijk zwartgallig. Melchiors mannen – de vrouwen doen ook deze keer niet echt mee – willen graag vooruitkomen en iets bereiken, in de liefde, in het werk of in de maatschappij, maar ze beseffen ook dat er geen werkelijke vooruitgang mogelijk is en dat al hun geploeter geen zin heeft.

Om aan de verwarring van het hier en nu te ontkomen, koesteren ze verlangens naar andere tijden, naar onbereikbare idealen, naar de dood zelfs, of blikken ze terug op hun jeugd, die zo snel voorbijging. Of ze verlustigen zich in de aanblik van ronddartelende jongeren die nog niet beseffen hoe snel hun jeugd voorbij zal zijn. Als Matthijs, een van de personages uit De dokters Andrian, naar huis terugkeert na een avond schaken met enthousiaste jongens, voelt hij zich `opgebeurd', maar ook, zoals het nogal plechtstatig vervolgt, `weemoedig in het besef dat de jeugd die zo weelderig rond hem tierde, robuust, teder nog en zonder het zelf te weten blakend van levenslust, even vluchtig heenvlood als zijn eigen jeugd hem lang, lang geleden door de vingers was geglipt.'

Het vliedende leven betrappen – daar moet het Melchior in De dokters Andrian om begonnen zijn. In drie episoden, die alle drie nogal dramatisch eindigen, geeft hij een beeld van de Noord-Hollandse familie Andrian, waarvan de stamvader rond 1740 in Spaarndam neerstreek, om er met vrouw en kinderen een bestaan op te bouwen. In het eerste deel van de roman maken we kennis met een van diens nazaten: een gepensioneerde dorpsarts uit Schagen, die vooral de kunst verstond van het `aderlaten, purgeren en klisteren'. Met zijn twee zoons, universitair geschoolde artsen, en zijn kleinzoon Willem, die medicijnen wil gaan studeren, is hij op weg naar een begrafenis, want de dood is hier steeds nadrukkelijk aanwezig.

In het tweede deel zien we Willem terug, als huisarts in Heiloo, getrouwd met Sophie, die hoogzwanger is en met wie het niet goed zal aflopen. In het slotdeel blijkt Willem hertrouwd te zijn en zich, in Haarlem, te hebben opgewerkt tot gynaecoloog en reisboekenschrijver. Zoon Lodewijk intussen blijkt de liefde van zijn ouders al vroeg te hebben verspeeld omdat hij iets anders wilde worden dan arts. Ook zijn leven eindigt onverwacht snel en tragisch.

De moraal van dit familieverhaal wil zijn dat er van vader op zoon alleen in schijn een opgaande lijn te bespeuren valt. Het maakt niet uit of men een eenvoudige medicijnman is, een gediplomeerd huisarts of gynaecoloog. Het leven gaat evengoed zijn gewone, verwoestende gang. De mensen worden oud, ontevreden, ziek, krakkemikkig en ongelukkig en onherroepelijk gaan ze dood, en dan zijn er alleen nog hun namen en jaartallen en zelfs die gaan op den duur verloren.

De vraag is wat er zal beklijven van dit boek, dat zo ijverig een aantal namen, jaartallen, feiten en anekdotes aan de vergetelheid probeert te ontrukken. Ik denk dat mij er voornamelijk losse passages van zullen bijblijven. Geestig zijn bijvoorbeeld de genealogische bespiegelingen die een van de broers Andrian ten beste geeft. Daarin neemt hij het op voor de echtgenotes, de dochters, de kinderlozen en de ongehuwden die er in stambomen, `bij alle andere misstanden', altijd zo bekaaid afkomen. Mooi is ook de beschrijving van het Noord-Hollandse dorpslandschap, gezien vanuit een rijtuig: `De daken verhieven zich boven de begroeiing (...) en ook de masten maakten zich met hun zalings, hun stagen en hun wimpels geleidelijk van elkaar los. Witte vegen veranderden in een ophaalbrug.'

In onderdelen is De dokters Andrian soms vermakelijk, maar als geheel zou ik de roman niet indrukwekkend, of overtuigend, of zelfs maar onderhoudend willen noemen. De omslachtige, met te veel bijzinnen opgetuigde formuleringen, de ouwelijke toon en de veel te gedetailleerde manier van vertellen ontnemen het verhaal, dat toch al niet overdreven sprankelend is, zijn laatste vaart. Wat ontbreekt is zoiets als een Rosenboom- of Haasse-achtige greep, een psychologische dieptepeiling, een overkoepelend thema of een rode draad, die de drie delen van de roman zinvol aan elkaar had kunnen smeden. Van geen van de dokters ontstaat daardoor een helder beeld. Zelfs Willem, toch een van de hoofdpersonen, blijft tot het eind een duistere, afstandelijke, klinische figuur, door eigenaardige ambities gedreven. Hij zal een roeping hebben gehad, zo mogen we gerust aannemen, maar welke? Van de roeping van het vlees, die de zoveel zinnelijker personages uit Melchiors debuut koesterden, zijn we hier wel heel ver afgedreven.

Willem Melchior: De dokters Andrian. Atlas. 236 blz. €16,50