Ongeschikt voor een Hollands leven

De eeuwige gespletenheid van in Indië geboren of voor langere tijd daar gevestigde Nederlanders en hun nakomelingen is hét onderwerp van alle waardevolle Nederlands-Indische literatuur. Dat brengt Hella Haasse haarscherp onder woorden in Het dieptelood van de herinnering, de recente heruitgave van haar autobiografische teksten uit de bundels Zelfportret als legkaart (1954), Persoonsbewijs (1967), Krassen op een rots (1970) en Een handvol achtergrond (1993).

Vrijwel tegelijkertijd met deze voor de literatuurgeschiedenis waardevolle verzamelband, verscheen van Elizabeth Nobel de omvangrijke historische roman Land van zal, over de jonge Nederlandse jurist Laurens Versteegh die met zijn geborneerde echtgenote Sanne in 1904 naar Indië vertrekt. Hun daar in 1905 geboren dochter Hilde gaat er op haar zeventiende in Batavia vandoor met de zoon van de sultan van Sumbawa, een radicale `nasionalist'. Omdat ze iets voor `de inlanders' wil doen, breekt ze met haar koloniale milieu. Ze steunt de vrijheidsstrijd op Atjeh, wordt tijdens de Tweede Wereldoorlog geïnterneerd in een Jappenkamp, herenigt zich in 1946 in Nederland met haar ouders aan wie ze vervolgens ijskoud meedeelt dat ze terug gaat naar Indië, want `het is mijn land'. Van enige verscheurdheid heeft Hilde, die we volgen vanaf haar geboorte tot haar veertigste, geen moment last. Indië is háár land en daarmee uit.

Maar als het echt zo simpel was, dan zou er aan de verhouding van Nederlanders tot het vooroorlogse Indië niet zo'n schat aan onvergetelijke romans zijn gewijd. Sleuteloog, waarmee Hella Haasse vorig jaar de cyclus voltooide van haar in Oeroeg (1947) begonnen verbeelding van de ambivalentie ten opzichte van zowel haar geboorteland als Nederland, zou bijvoorbeeld niet geschreven zijn.

Het is, zegt Haasse in het op één na laatste essay in Het dieptelood van de herinnering, onmogelijk de schrijvers van de Indische bellettrie onder één noemer te brengen. Daarvoor bestaat een te grote verscheidenheid in aard en intensiteit van hun verhouding tot dat land. In navolging van Rob Nieuwenhuis in diens standaardwerk Oost-Indische Spiegel hanteert ze als criterium voor de kwaliteit van deze literatuur de authenticiteit ervan. Terecht voegt ze daaraan toe dat het authentieke vele gezichten heeft. Zo maakt ze onderscheid tussen schrijvers die zich `echt Indisch' mogen noemen, zoals E. Du Perron en Maria Dermoût, mensen die op latere leeftijd naar de gordel van Smaragd trokken (Multatuli, P.A. Daum, Louis Couperus), auteurs die hun vroege ervaringen in Jappenkampen opdeden (Rudy Kousbroek, F. Springer) en in Nederland geboren kinderen van uit Indië afkomstige ouders.

Van die laatste categorie noemt Haasse Marion Bloem, die over een authentieke vorm van relatie tot Indië heeft geschreven. Ik zou daar nog Adriaan van Dis aan willen toevoegen. Hij schetst in zijn roman Familieziek (2002), in de figuur van Meneer Java, een universeel portret van de autoritaire uit zijn paradijs verdreven toewan besar, die in Nederland niet kan aarden en zijn verbittering botviert op zijn omgeving.

Familiegeschiedenis

Elizabeth Nobel (1937) heeft er in Land van zal alles aan gedaan om haar verhaal een schijn van authenticiteit te geven. In een persbericht vermeldt haar uitgever dat Nobels moeder haar jeugd in Nederlands-Indië doorbracht als dochter van een Nederlandse rechter. Onderzoek in familiearchieven zou Nobel hebben geïnspireerd tot Land van Zal over het rechtersgezin Versteegh. In de summiere verantwoording die Nobel zelf geeft aan het slot van de roman maakt ze geen melding van een familiearchief, ze beperkt zich tot een verwijzing naar `werken van Hella Haasse, Multatuli, Maria Dermoût, E. du Perron, Bep Vuyk, M.H. Székely-Lulofs, Louis Couperus' en vele andere fictie- en non-fictieschrijvers. En inderdaad lijkt Land van zal eerder een kunstige compilatie van alles wat deze auteurs in de loop van bijna anderhalve eeuw bij elkaar hebben geschreven over Indië, dan op een aan documenten ontleende gefictionaliseerde familiegeschiedenis.

Nobel doorspekt haar verhaal met brieven waarin de gepensioneerde rechter Laurens Versteegh vanuit Bennekom in 1943 contact probeert te krijgen met zijn in Indië achtergebleven dochter. De opbouw van de roman doet daardoor denken aan Hella Haasse's Heren van de thee (1992) over het geslacht Kerkhoven dat in de tweede helft van de negentiende eeuw naar Indië vertrok om op West-Java theeplantages in cultuur te brengen. Met goedvinden van de nabestaanden heeft Haasse gegevens uit de familiearchieven in romanvorm verwerkt. Alhoewel het plantersmilieu sterk verschilde van dat van de bestuursambtenaren waar Nobel over schrijft en Heren van de Thee een kwart eeuw eerder begint, komen veel thema's overeen. In beide milieus zijn aanhangers te vinden van de toen in zwang zijnde `ethische politiek', men worstelt als pas gearriveerde totoks met meer of minder racistische vooroordelen jegens inlanders, er is bij de nieuwkomers sprake van angst om te `verindischen' en er blijkt een niet te overbruggen verschil tussen familieleden die in Indië geboren zijn en degenen die zich er pas later vestigden.

Aan Heren van de thee valt af te lezen dat Hella Haasse, hoewel ze niet haar eigen geschiedenis beschrijft, de kloof die de in Indië geborenen scheidt van de import-Europeanen zelf heeft ervaren. Het is een gevoel waarover zelfs tussen echtgenoten of tussen ouders en kinderen nauwelijks gesproken wordt. Jenny Roosegaarde-Bisschop, de in Indië geboren echtgenote van Rudolf Kerkhoven heeft het één keer met haar schoonzus Cateau over haar `anders zijn' gehad. Cateau lachte haar uit: `Jij bent toch niet Indisch, al ben je hier geboren'. En als Cateau besluit er met niemand over te spreken is Jenny haar dankbaar dat ze `verzwegen had wat nu eenmaal niet gezegd kon worden'.

In Land van zal daarentegen wordt het onzegbare voortdurend uitgesproken, zó expliciet dat het de lezer volkomen logisch moet toeschijnen dat Hilde zonder aarzeling kiest voor wat ze `mijn land' noemt. Een opvallend verschil met de `authentieke' Indische literatuur. In de roman Atlasvlinder laat Aya Zikken een Indische dame tot een op Sumatra wonend Nederlands meisje zeggen: `Jouw bloed is ongemengd, maar je geest is gemengd'. In Het dieptelood van de herinnering beaamt Haasse dit `geestelijk gemengd zijn' van in Indië geborenen. `Met Indië, Java, kon ik per definitie nooit echt één worden (...).'

Een overeenkomst tussen Hella Haasse zoals ze figureert in haar autobiografische essays en de fictieve Hilde Versteegh is dat beiden zijn opgevoed door Europese ouders die proberen hun kinderen niet te laten verindischen. Bij beiden mislukt dat. Haasse schrijft dat haar vader niet heeft kunnen voorzien hoezeer het wezen van zijn kinderen beïnvloed is door de in Indië doorgebrachte jeugdjaren. `Al zijn voorzorgsmaatregelen ten spijt, waren wij ongeschikt geworden voor een echt Hollands leven.' Ook Hilde lijkt ongeschikt voor een bestaan in Nederland, maar Nobel problematiseert dat gegeven niet. Ambivalentie blijft Hilde vreemd, met Europa heeft ze ondanks achtergrond, opvoeding en schoolopleiding geen enkele affiniteit. Zij weigert na haar eindexamen naar Nederland te gaan om er te studeren. In plaats daarvan sluit zij zich aan bij het nationalistische verzet. Op haar zeventiende duikt er bij zwembad Tjikini in Batavia, waar Hilde (net als de jeugdige Hella Haasse) elke middag vertoeft, uit het niets een islamitische vrijheidstrijder op. Deze zoon van de Sumbawaanse sultan biedt haar een prominente plaats aan in zijn gewapende verzetsgroep en doet haar bovendien een huwelijksaanzoek.

Authenticiteit lijkt hier ver te zoeken. Nobel maakt althans geen moment aannemelijk dat een Hollandse rechtersdochter een verhouding aangaat met een zoon van sultan Muhammad Jalaluddin. Even onwaarschijnlijk is het dat zo'n jongen een gewapende nationalistische verzetsgroep leidde. Er is niets tegen fantasie, maar hier lijkt mij toch sprake van een gebrek aan wezenlijke belangstelling voor de geschiedenis van de inheemse bevolking en haar organisaties.

Krissen

Dit brengt me op een andere leemte in Land van zal: gevoel voor de in vrijwel alle andere Indische literatuur aanwezige angst van de kleine groep Europeanen voor de onafzienbare massa onkenbare inlanders. Bij Nobel speelt die angst weliswaar een rol, maar – zoals veel in dit boek – te uitgesproken. De met krissen zwaaiende inlanders van Nobel worden nooit zo angstaanjagend als het onverklaarbare sirih-spuwen in Couperus' De stille kracht of als de nènèk in Heren van de thee die de achterkleinkinderen van Gouverneur-Generaal Daendels door beheksing wil laten boeten voor de slachtoffers bij de aanleg van de Grote Postweg. Het zijn zulke uit koloniaal schuldgevoel en onzekerheid voortkomende ervaringen die door de eeuwen heen ook de in Indië geborenen het besef hebben bijgebracht nooit echt thuis te kunnen zijn in hun land van herkomst.

Elizabeth Nobel springt over al deze zo moeilijk benoembare gevoeligheden heen, en daarbij wordt geen cliché geschuwd over bevooroordeelde preutse Europese moeders en hun vroegrijpe Indische dochters. Dat heeft waarschijnlijk minder te maken met een gebrek aan literaire verbeeldingskracht – waarover zij blijkens haar roman Het talent (1998) beschikt – als met het ontbreken van een reële persoonlijke verhouding met Indië.

Eigen ervaring hoeft niet doorslaggevend te zijn voor de geloofwaardigheid van fictie – zie Hella Haasse's Heren van de Thee. Maar het boeiende aan Haasse's teksten in Het dieptelood van de herinnering is nu juist de vaststelling dat wat zij zelf heeft toegevoegd aan het levensverhaal van de Kerkhovens tot in de details door haar als kind is doorleefd. In het laatste essay van de bundel, waarin ze na de voltooiing van haar roman een bezoek aan het graf van de Kerkhovens beschrijft, merkt ze op: `Toen ik aan mijn boek werkte, ben ik met opzet niet naar Gambung gegaan. Ik wilde het uit archiefstukken en eigen herinneringen samengestelde beeld niet vertroebelen door actuele indrukken. Nu ontdek ik verrast dat het landschap tot in details overeenkomt met de voorstelling ervan die ik jarenlang met me meegedragen heb.'

Historische romans, volgens de definitie van Hella Haasse `romans, waarvan de handeling zich afspeelt vijftig jaar of langer geleden', moeten het bij uitstek hebben van inleving. Nu, ruim vijftig jaar na de soevereiniteitsoverdracht, nadert het tijdperk dat romans over Nederlands-Indië alleen nog maar historische romans kúnnen zijn. Schrijvers die zich kunnen verplaatsen in die koloniale samenleving en degenen die daaruit werden verdreven, raken steeds dunner gezaaid. Hella Haasses Sleuteloog zou – in combinatie met Het dieptelood van de herinnering – wel eens het einde kunnen markeren van de oorspronkelijke Indisch-Nederlandse literatuur.

Nobels Land van zal (de titel blijft pijn doen aan mijn ogen) vormt dan het begin van een nieuwe fase in de Indische bellettrie: per definitie uit de tweede hand, gespeend van eigen herinneringen, minder doorleefd. Op zich hoeft dat geen bezwaar te zijn, mits deze nieuwe Indische literatuur maar niet vervalt in de overlevering van clichébeelden en platitudes. Hoe verder Indië achter de horizon verdwijnt, hoe moeilijker het wordt voor romanschrijvers om te voldoen aan de behoefte aan authenticiteit. Daar helpt geen, al dan niet fictief, familiearchief aan.

Hella S. Haasse: Het dieptelood van de herinnering. Querido, 427 blz. €16,95

Elizabeth Nobel: Land van zal. Meulenhoff, 464 blz. €22,50