Nederlands met een gek rokje aan

Kan poëzie goed worden vertaald? De Zuidafrikaanse schrijver J.M. Coetzee presenteert een keur aan Nederlandse gedichten in het Engels. Het effect is vervreemdend, zoals Duits sprekende cowboys in een western.

Nog nooit had het kleine landje aan zee de grote Nobelprijs voor literatuur gewonnen. Het wachtte er lang op, in stilte, en het meende ook al heel lang een misschien niet eens zo heel erg kleine kans te maken (met Vestdijk, Kouwenaar, Mulisch, Nooteboom). Maar het wilde al die jaren maar niet lukken. Misschien moest je er anders tegenaan gaan kijken: alle kleine beetjes helpen. Joseph Brodsky, winnaar in 1987, was vaak in Nederland op bezoek geweest. Dat was ook wat waard. Hij had hier vrienden, hij droeg gedichten aan zijn vrienden op, hij schreef wel eens een gedicht over een overstroming, hij wijdde een reeks aan een tentoonstelling van Carel Willink, hij wist wie Nijhoff was: eigenlijk, ergens, werd met Brodsky ook een fictieve Nederlandse deeldichter in Brodsky bekroond. En Derek Walcott, winnaar in 1992, had heel lang geleden, heel in de verte een enkele Nederlandse voorouder gehad, en daar in anderhalve versregel melding van gemaakt.

Veel was het niet, voor het kleine land, maar je kon het meewegen. Alles is veel voor wie niet veel verwacht. Seamus Heaney, Nobelprijswinnaar in 1995, was ook vast wel eens in het kleine landje op bezoek geweest. Wislawa Szymborska, winnares van een jaar later, was zo onbekend toen ze de prijs kreeg, dat ze wel een Nederlandse dichteres had kunnen zijn. Met en in haar werden, zou je kunnen denken, ook meteen alle andere onbekende dichters en dichteressen uit kleine literatuurlanden gehuldigd. Dat waren welbeschouwd toch ook weer wat tienden van procenten Nobelprijs. Bovendien kwamen Rubens en Breughel in haar werk voor; de jury moet dat gezien hebben.

Zo sprokkelde het kleine literatuurland in de loop der jaren toch nog een virtuele deelnobelprijs bij elkaar.

En toen kwam daar, in het najaar van 2003, J.M. Coetzee overheen. Die was ook wel eens in het kleine landje geweest. Die had zijn jongste roman eerder in Nederland dan in Engeland laten verschijnen. Die kon, door zijn Zuid-Afrikaanse achtergrond, zelfs Nederlands lezen. Die had wel eens een essay aan Cees Nooteboom gewijd. En ook een aan Harry Mulisch. En zelfs een aan Een nagelaten bekentenis van Marcellus Emants, A Posthumous Confession. En had hij niet ook eens, lang geleden, in de jaren zeventig al, de veertiendelige reeks `Ballade van de gasfitter' van Gerrit Achterberg vertaald, in het Engels, en er een gedegen opstel over geschreven? En had hij ook niet iets met de poëzie van Hans Faverey gedaan?

De toekenning van de Nobelprijs aan Coetzee leek in één keer de aanspraken van het kleine landje op een deel van de grote prijs te verdubbelen, zeker toen daar even later een heus boek op volgde, nu net verschenen in Engeland en Amerika: niets meer of minder dan een bloemlezing uit de moderne Nederlandse poëzie. Poetry from the Netherlands, gekozen, vertaald en ingeleid door J.M. Coetzee. Natuurlijk vermeldt de uitgever er op de voorkant graag bij dat de vertaler `winner of the Nobel Prize' is. De woorden `Netherlands' en `Nobel Prize' staan op het stofomslag maar vijftien centimeter uit elkaar. Nog niet eerder was het kleine landje zo dicht bij het doel: ze hadden de prijs nog niet, maar ze werden al wel door de prijswinnaar vertaald.

Behalve Achterberg en Faverey bleek Coetzee ook Polet, Claus, Nooteboom en Kopland te kennen. In totaal 46 gedichten werden opgenomen in deze bloemlezing, onder de titel Landscape with Rowers. Coetzee legt de titel verder niet uit, maar hij klinkt vertrouwd: als de titel van een schilderij van een oude Hollandse meester. Landschap met roeiers. Er zit `water' in de titel: altijd goed, als het om de poëzie van een laag en drassig deltagebied gaat. Maar er zit ook `land' en `landschap' in de titel: ook goed, want het gaat natuurlijk vooral om het `land' dat op al dat water veroverd is. Intussen suggereert de titel ook zoiets als een overzicht, een panorama, een wijde blik over het landschap van de Nederlandse poëzie, waarin dan enkele nijvere roeiers worden aangewezen: de zes dichters van Coetzee's voorkeur.

Dit alles zou de inwoners van het kleine landje aan de grote zee trots kunnen stemmen: zo hadden ze, al was het dan via de omweg van de vertaling, toch nog deel aan de grote wereld van de Nobelprijsliteratuur. Ik zou, as a native speaker van deze taal, en als liefhebber van poëzie, moeten hebben glimmen van genoegen bij deze world exposure, maar ik moet maar meteen bekennen dat ik vanaf het begin vooral met een onwennige blik naar het boek heb gekeken, het met een mengsel van vervreemding en ongemakkelijkheid heb doorgenomen, en er ook na afloop nog met een mengsel van schaamte en onzeker gegiechel op terugkijk. Geen trots, maar schaamte, ja, om redenen die ik zelf nog niet goed ken. Het is de gêne, of het ongemak, of de plaatsvervangende jeuk die je voelt als je een verweerde cowboy-kop in een ouwe western in de brandende zon over het hek van de paardenkraal ziet hangen en tegen een indiaan hoort zeggen: `Hé, du, gib' mir deine Lasso'. Het is hetzelfde nagesynchroniseerde ongemak dat je voelt bij het lezen van een vertaling van, zeg, Faverey. Dit zijn, althans in de moderne Nederlandse poëzie, beroemde regels geworden:

Aan de vaas

die ik in mijn handen houd

en naar de keuken draag

om te vullen met water

ontbreekt noch de vaas

zoals hij is en blijft, noch

de vaas die kort hiervoor

éenmaal nog in alle hevigheid

ontvlamt, en zich dan pas tegen

de grond aan stukken slaat.

Het is een raar gedicht, met een rare, telkens weer ontglippende mededeling, zoals wel vaker bij Faverey. Ik weet, na vele keren lezen, nog steeds niet of het kan, wat hier staat – en ik geloof dat het Faverey nu juist om die onzekerheid te doen is geweest. Raar, maar nog raarder is het om deze vertrouwde regels met hun ingesleten cadans nu opeens in het Engels terug te zien. De cadans is nog hetzelfde, maar de woorden zijn niet vertrouwd meer. Het lijkt wel travestie: Nederlands met een Engels rokje aan, of omgekeerd.

From the vase

that I hold in my hands

and carry to the kitchen

fo fill with water

is lacking neither the vase

as it is and continues to be, nor

the vase that just earlier

one last time with all intensity

took flame, and then smashed

itself to pieces on the ground.

Op de vertaling valt, voorzover ik dat kan beoordelen, niets aan te merken, daar gaat het niet om – maar het effect is vreemd: alsof het er net naast is. Welke Nederlandse native speaker kan zonder in proesten uit te barsten zeggen dat een zeker gedicht van Faverey genomen is uit diens bundel Chrysanthemums, rowers – ook al is dat dan de juiste vertaling van Chrysanten, roeiers? Wie durft het zonder zijn lippen te verwringen te hebben over `the poets, of the Movement of the Fifties'? Is het de vrees voor steenkolenengels? Is het een plaatsvervangend minderwaardigheidsgevoel: wegduiken van schaamte als de grote buitenwereld zich over onze kleine poëzie buigt? Ongeloof? Wat is dat voor vreemde giechel als ik, bij Achterberg, moet lezen dat `one Jansen lives there with his family'?

Of komt het omdat alle houvast verdwenen is: het is geen echt Nederlands meer, en het is voor mijn gevoel ook geen oorspronkelijk Engels geworden, maar iets halftaligs ertussenin. Ik lees Engelse zinnen, maar ik hoor Kopland. Ik zie een vreemde syntaxis in een vreemde Engelse regel, maar voel er nog helemaal de `experimentele' zinnen van Nooteboom en Polet in. Enzovoort. It sounds like international poetry, maar het is vertaald Nederlands.

Ik moet er meteen bij zeggen dat ik nog niet weet of ik dat mezelf, met mijn gebrekkige Engels, kwalijk moet nemen, of de vertaler die toch te dicht bij het Nederlands heeft willen blijven. Ik kreeg de titel Ballad of the Gasfitter niet ongehinderd over mijn lippen, omdat het me zo Achterbergiaans in de oren klonk, maar toch is `gasfitter' een heel gewoon Engels woord. Het is zelfs aannemelijk dat het Nederlands het element `fitter' aan het Engels heeft ontleend en niet omgekeerd. Zou dat trouwens niet ook voor `gas' gelden? Nee. In Van Dale lees ik dat het woord gas bedacht is door de Vlaming Jan Baptist van Helmond (1579-1644), en dat het geïnspireerd is op het Griekse `chaos', dat sedert Paracelsus gebruikt werd voor `lucht'. Waarmee ik maar wil zeggen, ook tegen mezelf, dat allerlei intuïtieve oordelen over de Engelse of Nederlandse klank van woorden vaak uit de lucht zijn gegrepen.

Zo kan Landscape with Rowers je om te beginnen naar je eigen taal laten kijken, door de ogen van een buitenstaander. `Sans rancune' bij Faverey wordt `with no hard feelings' bij Coetzee. `Ik beur de bak gereedschap van de vloer' (Achterberg) wordt bij Coetzee heel ritmisch `I lift the tray of tools up from the floor'. Het klankspel met `gas', `God' en `gat' (bij Achterberg) kan in het Engels maar voor tweederde gehonoreerd worden (`gas', `God', `hole'). De zware woordspeling in `En zij vertrekken, dood op hun gemak' lijkt mij door Coetzee niet goed begrepen: `and they depart, well satisfied, at ease'. Daar staat tegenover dat Coetzee met het woord `fit' dingen kon doen die voor Achterberg onmogelijk waren. Nooteboom zegt over de Japanse dichter Basho dat hij alleen in zijn gedichten kan wonen. Dat is een citaat van Slauerhoff, dat nu (zonder voetnoot) in het Engels voortleeft (`only in his poems could he dwell'). In het algemeen gaan er hier nogal wat taaleigenaardigheden verloren, zoals in de meeste vertalingen. Ook Coetzee heeft de neiging te interpreteren en te vervlakken. Achterberg spreekt van een `daghit' die `de asemmer' buiten zet. Bijzondere woordkeus. In de vertaling wordt het een gewone `maid' die een gewone `garbage can' buiten zet.

Intussen laat een bloemlezing als deze je niet alleen door de ogen van een buitenstaander naar je eigen taal kijken, maar ook naar je eigen poëzie. Coetzee koos, volgens de flaptekst, `the work of six of the most important modern and contemporary Dutch poets'. De uitgever kan er natuurlijk moeilijk iets anders van maken, en het is in zekere zin nog waar ook – als je er tenminste aan toevoegt dat de Nederlandse poëzie naast Achterberg, Polet, Claus, Nooteboom, Faverey en Kopland nog wel honderd andere most important modern en contemporary poets heeft.

Wat in Coetzee's keuze vooral opvalt is de voorkeur voor reeksen, en dan ook nog eens reeksen waarin inhoudelijk niet zoveel gebeurt, behalve schuiven, herhalen, variëren, hernemen, aanvullen, oprollen, inpakken en wegwezen. Zie Polet: een lang `Zelfrepeterend gedicht'. Zie Nooteboom: vier lange vage babbelverzen over Basho, met veel algemeen leerzaam gebazel over heden en verleden, `zodat wat verdween er nog is als iets dat verdween'. Zie Kopland: vijf trage meditaties op het thema van, zeg, beweging en stilstand. Zie Claus: tien korte scènes uit het leven van Shelley, prozaïsch naverteld. Zouden nietsvermoedende buitenlanders er warm voor lopen? Ik kan het me haast niet voorstellen. De onbevangen lezer zal vooral concluderen dat de seriële poëzie hier de afgelopen eeuw vaste voet onder de grond heeft gekregen.

Temidden van al die vaag filosofische veerbotenpoëzie met regelschuiverij lijken mij Achterberg en Faverey dan voor de buitenstaander nog het meest opwindend en bijzonder. Wat zou Coetzee zelf vinden? Het is moeilijk te zeggen. Sommige van zijn vertalingen zijn al meer dan vijfentwintig jaar geleden gemaakt. Zijn voorwoord is erg kort, en erg algemeen, en zijn typeringen van de zes dichters erg nietszeggend. Zou hij werkelijk vinden dat Cees Nooteboom een groot dichter is, en dat hij in de poëzie misschien wel de top van zijn kunnen heeft bereikt? Dat kan, maar toch niet op grond van deze vier vage Basho-meditaties, en niet met als enige aanbeveling dat Nooteboom hier zo goed, namelijk: `met nietsontziende helderheid', nadenkt over `de krachten en de beperkingen van kunst'.

Op Coetzee's keuze uit de Nederlandse poëzie valt niets aan te merken. Elke keuze uit honderden dichters en duizenden gedichten is natuurlijk een kwestie van smaak, en willekeur. Maar zijn verantwoording stelde mij met al zijn algemeenheden en vage naslagwerktermen teleur. Dat verwacht je niet van een echte schrijver. Zou hij zijn voorwoord wel zelf geschreven hebben? En zou hij zijn vertalingen nog wel nagekeken hebben? In de Nederlandse tekst telde ik alleen al acht zetfouten. De teleurstelling breidde zich toen ook nog uit naar zijn vertalingen, van lieverlede.

`Van lieverlede': wie zegt nu zoiets? Hans Faverey zegt het, in de eerste regel van het laatste deel van zijn reeks Chrysanten, roeiers. Wat betekent het? Ik weet het wel zo ongeveer, maar ik hoor er toch vooral een toon in, iets ouderwetsigs en gezapigs en oubolligs, met die uitgang -ede, zoals oude tantes vroeger spraken. Zo spreekt niemand meer, althans niet in volle ernst; er zal altijd een lichte dosis ironie in meeklinken. Er zit `lief' in `van lieverlede', en ook `leed', en ook wel, onbewijsbaar, `de lieve vrede' en `het lieve liedje'. Dit speelt allemaal mee, op de achtergrond, moeilijk aanwijsbaar. Daarnaast betekent het ook nog gewoon iets. Van Dale: beetje voor beetje, langzamerhand, allengs. Coetzee vertaalt: `unhurriedly'. Dat is juist, maar toch is de helft van het origineel verdwenen. Ziehier het probleem van het vertalen van poëzie, meer in het bijzonder: van hoogst eigenaardige, bijna in elk woord met taal spelende poëzie.

Wat zich hier in het klein voordoet, doet zich ook in het groot voor. `Van lieverlede': Faverey zegt het nota bene van roeiers, acht roeiers, die naderbijkomen. Ze roeien landinwaarts, `uit allemacht', en al roeiend groeien zij, `groeiend in hun mytologie', met eigenaardige spelling, en groeiend `tot alle water weg is'. Krankzinnige toestand, maar ze gaan door. Ze roeien steeds verder, ook in `landschap daar al geen water meer is', opnieuw eigenaardig gezegd. Op een gegeven moment roeien ze zelfs in een dichtgegroeid landschap – en dan zit er voor de dichter niets anders meer op dan te kiezen voor de laatste uitvlucht: het landschap gaat nu zelf maar landinwaarts roeien. Geestig, absurd en krankzinnig tegelijk. Het landschap rolt zich, zo stel ik me voor, in zichzelf op. Het wordt een `land zonder roeiers', een `dichtgeroeid land'.

Het Engels van Coetzee kon het Nederlands van Faverey hier nog aardig volgen (`roeien' – `groeien', `row' – `grow'), maar veel van de taalkundige subtiliteiten zijn hier toch noodgedwongen verloren gegaan. Het wezen van Favereys onderneming lijkt me dat het gedicht zich in zichzelf gaat oprollen, niets nalaat, dichtklapt – als een echt hermetisch gedicht.

Coetzee noemde zijn bloemlezing Landscape with Rowers. Dat lijkt mij tekenend. Die titel komt bij Faverey juist niet voor, is juist niet door hem bedoeld. En eigenlijk zou er op het omslag dan ook geen foto van een acht op een brede Engelse rivier moeten staan, maar eerder van een lege in zichzelf opgekrulde kano, of zandhoop, aan de voet van een piramide. Het werk van Faverey verhoudt zich tot het omslag en de bundeltitel van Coetzee als poëzie tot proza.

J.M. Coetzee (ed.): Landscape with Rowers. Poetry from the Netherlands. Vertaald en van inleiding voorzien door J.M. Coetzee. Princeton University Press, 106 blz. €22,25