Lekker, gebakken pinguïn

Gerard Peet is pinguïnjunk. De vogelliefhebber doet verslag van zijn passie in het boek `Kleine Rotterdamse Pinguïn Encyclope- die'. Een uitgave die zelfs recepten bevat.

Voor het bereiden van echt lekker pinguïnvlees is het zaak de dode vogel eerst drie dagen op te hangen. Zet hem dan een nacht in azijn, kook hem en gooi het water weg. Fruit wat ui en smoor het in stukken gesneden vlees. Vergeet niet er wat pepers en kerrie bij te stoppen.

Over de kwaliteit van de maaltijd zijn de meeste ervaringsdeskundigen, doorgaans gelouterde poolreizigers, redelijk te spreken. Gebakken pinguïn smaakt naar vette gans. Geroosterd is de pinguïn knapperig krokant en volgens de Noor Roald Amundsen, die op 14 december 1911 als eerste mens de geografische zuidpool bereikte, is de kwaliteit van gebakken pinguïn uitstekend. ,,Hij smaakt als biefstuk en het ziet er een beetje als ossenvlees uit'', zo schreef hij in een van zijn dagboeken.

Zijn ouders plaatsten bij gebrek aan gordijnen honderden pinguïns op de vensterbank om vanaf de straat inkijk in de woonkamer te verhinderen. Daarom is het Rotterdammer Gerard Peet op een dag in de bol geslagen. Hij werd pinguïnjunk. Een verslaving die, zo is algemeen bekend, vele duizenden mensen over de hele wereld parten speelt. In zijn informatieve en prachtig vormgegeven Kleine Rotterdamse Pinguïn Encyclopedie doet Peet openhartig verslag van zijn vogelziekte en van die van anderen.

Neem bijvoorbeeld het ernstige geval van de Zwitserse fotograaf Bruno Zehnder. Hij heeft 22 jaar lang foto's gemaakt van pinguïns. Zijn liefde ging zo ver dat hij zijn tweede voornaam Joseph officieel liet wijzigen in Pinguïn. Hij trouwde twintig jaar geleden in een ijsgrot op Antarctica met pinguïns als getuigen. In 1997 overleed de Zwitser toen hij bij het maken van foto's van de keizerpinguïns werd overvallen door een verschrikkelijke sneeuwstorm en zijn basis niet meer kon bereiken. In oktober van dit jaar begint op Antarctica een romantische Hollywood-verfilming van dit verhaal met Richard Gere in de hoofdrol.

Gerard Peet leeft nog steeds. Hij is op een goede dag wel zoals veel van zijn lotgenoten gevaarlijk maniakaal aan het verzamelen geslagen. Alle verhalen en vooral plaatjes van pinguïns wilde hij in zijn bezit hebben. Een selectie van al dat materiaal is in de encyclopedie samengevoegd. Het in Rotterdam gemaakte boek – vandaar de titel – bevat een schat aan informatie over biologische zaken, zoals het broedgedrag en de bouw van de zeventien verschillende pinguïnsoorten. Het geeft een opsomming van alle plekken op aarde waar pinguïns te vinden zijn. Maar ook frivolere kwesties worden behandeld, zoals hoe je met 8-draads wol en een paar naalden nr. 7 en nr. 6 een pinguïntruitje breit en in welke vier afleveringen van de striphelden Suske en Wiske pinguïns een gastoptreden vervullen.

Als rode draad in veel wederwaardigheden en feitjes komt toch vooral naar voren hoe respectloos de mens de pinguïn in de loop der tijden heeft behandeld. Dat er af en toe door hongerige poolreizigers eentje is opgepeuzeld, soit. Ergerlijker is dat in de 19de eeuw op verscheidene plekken vele honderdduizenden pinguïns in reusachtige ketels vaak levend werden gekookt. De vogels hebben zulk een brave inborst dat ze zich gewillig de ketels lieten indrijven. Een beetje pinguïn leverde een bierglas vet op. Er werden onder andere kaarsen van gemaakt.

Zelfs de pinguïnpoep werd niet met rust gelaten. De leefomgevingen van Zuid-Amerikaanse en Zuid-Afrikaanse pinguïns (pikkewyne) werden regelmatig geplunderd op zoek naar guano dat dienst deed als kunstmest. Broedgebieden zijn hierdoor vernietigd. En tot op de dag van vandaag wordt de pinguïn flink op de huid gezeten. Overbevissing, olievervuiling en toerisme doen de pinguïn geen goed.

De auteur van de pinguïnencyclopedie probeert ook een antwoord te geven op de vraag waarom de pinguïn zoveel mensen bijna als geen ander dier fascineert. Het is waarschijnlijk een puur esthetische aangelegenheid. Pinguïns zijn heel erg prachtig en bewonen de schoonste plekken. Het is aanlokkelijk om te proberen je er een voorstelling van te maken hoe Nederland er van zou opknappen als er bijvoorbeeld jaarlijks in juli en augustus een kolonie keelbandpinguïns zou broeden op het noordelijke puntje van Terschelling. Of dat een groep keizerpinguïns hartje winter steevast bij Zoutelande de duinen intrekt om na een mars van enige honderden kilometers in Heerlen een ei te leggen in het midden van het Aambos, schuin achter het hertenkamp. De mannetjes zouden er 65 dagen dicht opeengepakt het eitje uitbroeden terwijl de wijfjes voor de Zeeuwse kust vissen vangen.

Maar echt logisch is het niet. En dat verklaart waarschijnlijk waarom ze zo bekoren. Pinguïns zijn zo mooi omdat je ze nooit ziet.

Gerard Peet: Kleine Rotterdamse pinguïn encyclopedie, uitg. HSI, 192 blz. €26 Meer informatie: www.pinguinencyclopedie.nl.