Ik leef van nutteloosheid

Essayist Kees Fens ontsloot voor zijn lezers de Europese cultuurgeschiedenis. Gisteren ontving hij een eredoctoraat. `Wat er verloren is in de diepte is gewonnen in de breedte.'

Wij zijn de generatie van de leeslamp. Toen ik op gymnasium zat, in de oorlog, was er helemaal niets. Geen entertainment, en naar de film kon je toen ook al niet. Maar wat je wel kon doen was lezen.'

En Kees Fens (74) is misschien wel de beste lezer van Nederland. In 1955 schreef hij zijn eerste recensie. Er zouden er nog vele volgen, onder andere in De Tijd en de Volkskrant. Samen met J.J. Oversteegen en H.U. Jessurun d'Oliveira richtte hij het literair tijdschrift Merlyn op, dat de techniek van `close reading' introduceerde in Nederland. En eenentwintig jaar lang schreef hij de zogeheten `maandagstukken' in de Volkskrant, doorwrochte beschouwingen over boeken en onderwerpen, variërend van Augustinus en de oud-christelijke denkers tot de Britse dichter Gerard Manley Hopkins, die elders in de pers niet aan bod kwamen. Hij kreeg er de P.C. Hooftprijs voor, en werd op basis van deze stukken gevraagd hoogleraar te worden aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Eerst in de Nederlandse letterkunde, later volgde het bijzonder hoogleraarschap in de Nederlandse kritiek van de twintigste eeuw. Gisteren werd hem voor zijn maandagstukken een eredoctoraat verleend door de Universiteit van Amsterdam.

,,Ik heb wel gedacht'', zegt Fens, ,,dat ik nu eindelijk bevoegd ben tot datgene wat ik altijd al gedaan heb, namelijk bullen uitreiken. Ik had dat professoraat zonder dat ik zelf aan de universiteit had gestudeerd.'' Fens groeide op in een katholiek gezin in de Chassébuurt, een arbeidersbuurt in Amsterdam-West, en vader overleed toen hij negen was, waardoor het gezin afhankelijk werd van de bijstand. Direct na zijn eindexamen kwam iemand van Sociale Zaken langs om hem te informeren dat hij nu kostwinner van het gezin was.

,,Het is heel raar dat een eredoctoraat verleend wordt op basis van krantenstukken'', vervolgt hij, ,,ik denk niet dat dat vaak gebeurd is. Ikzelf beschouw de maandagstukken als het hoofdwerk van wat ik voor de krant gedaan heb, en ben er ook niet vrijwillig mee opgehouden. Maar de Volkskrant moet geprezen worden dat ze me eenentwintig jaar die gekke rubriek hebben laten schrijven. Dat zou nu niet meer kunnen. Wat ik gepoogd heb, is boeken onder de aandacht te brengen die verder nooit besproken werden.'' Af en toe komt hij een lezer tegen die hem laat weten dat dat is gelukt. ,,Ze overhandigen altijd eerst hun ongeloofsbrieven, zeggen steevast dat ze niet religieus zijn, maar dat ze nu toch bijvoorbeeld Augustinus zijn gaan lezen. Voor een kleine lezersgroep heb ik zo bepaalde delen van de cultuurgeschiedenis ontsloten. En dat was de bedoeling.''

Hype-cultuur

Maar zijn onderwerpen, overwegend studies over schrijvers en denkers uit de oud-christelijke periode, de Middeleeuwen, renaissance en negentiende eeuw, zou hij op de universiteit niet kunnen behandelen, zegt hij. ,,Over deze dingen kun je geen college geven, niet op dit niveau, en zeker niet aan eerste- of tweedejaars. De universiteit is gaan delen in de entertainmentcultuur van het moment; men is huiverig voor alles wat een beetje moeilijk is. Het moet aardig zijn, toegankelijk, onderhoudend en vooral leuk. Het woord leuk kan ik niet meer horen. Het is ook zo ontzettend móeilijk om leuk te zijn. Als iedereen nou leuk was op het niveau van Karel van het Reve... Maar de meeste leukigheid is niet te harden.

,,Ik denk dat de gemiddelde universiteit de belangstelling van een aantal studenten onderschat. Ze maken het te makkelijk, je krijgt alleen maar colleges die inleiding zijn tót iets, en dan houdt het op. Ik verzet mij innerlijk nog steeds tegen dat steeds minder ernstig nemen van de studies, en van wat er in een krant geschreven wordt. Soms zie je nog wel eens een groot stuk waarvan je denkt, daar moet je je voor inspannen. En ik wil me inspannen! Ik wil wat leren, zo oud als ik ben.''

In 1977 hield Fens op met het schrijven van kritieken, uit protest tegen wat hij toen al zag als de hype-cultuur en de verering van de schrijver. ,,En vooral ook omdat de uitgeverijen toen al begonnen het heft in handen te nemen, zodat de kritiek ten slotte achteraan kwam. Ik kan me herinneren dat de hoofdredacteur me belde en vroeg, waarom hebben wij nog niet dat stuk over de nieuwe Wolkers. Ik weet niet meer welk boek het was, maar het was toen net drie dagen uit, en de man had nog nooit, in al die jaren, over enige schrijver of stuk gebeld. Toen dacht ik, die kant gaat het op. Alles wat met propaganda groot wordt gemaakt, krijgt voorrang in de krant, en de rest zal in de verdrukking komen. En kritiek zal steeds vaker komen nadat het oordeel over het boek al gevormd is, bijvoorbeeld via de televisie.

,,De schrijver wordt nu eigenlijk belangrijker gevonden dan het boek. Hij moet vooral vertellen dat de bijfiguur Hendrik in feite zijn oom Karel is, en dan is iedereen gelukkig. Die hele onzin rond A. F. Th. van der Heijden; ik vind dat afschuwelijk. Dat zoiets de voorpagina van de krant haalt, een schrijver die van uitgever dreigt te veranderen, dat betekent dat ze tot dezelfde categorie behoren als `bekende Nederlanders' of voetballers.''

Eenzijdige opvoeding

Een andere ontwikkeling die Fens signaleert in de hedendaagse literaire kritiek is de pluriformiteit van de literatuuropvattingen die terug te vinden zijn in de boekenbijlagen. ,,De kritiek volgt daarin de literatuur, waarin op dit moment geen grote, beheersende stroming aanwezig is. Toen de Vijftigers zich begonnen te manifesteren, moest er nog naar een andere vorm van kritiek gezocht worden om hun poëzie te kunnen benaderen. De pluriformiteit van nu heeft als gevolg dat we aantal goede schrijvers hebben, maar daar zijn er geen bij die nog de norm zijn voor andere schrijvers. De tijd van de grote drie of vier, het soort literatuur waar nog canonvormend werd geschreven, is voorbij. Lezers zelf hebben ook niet meer dat gezagsgetrouwe, die eerbied voor het allergrootste. De literatuur is van een hiërarchie, een democratie geworden. Ik zou er trouwens erg voor zijn – en wat ik nu zeg is totaal ijdel en vergeefs, hoor – als elke krant die serieus iets met cultuur wil, één belangrijke criticus elke week een stuk laat schrijven, omwille van de continuïteit.

,,Maar als criticus weet je maar al te goed dat de grootheid van een werk toch pas over dertig, veertig jaar zal blijken, wanneer een klein deel boven blijft drijven. Als ik kijk naar wat er is overgebleven van alles wat ik in de afgelopen 48 jaar heb besproken, dat is bijna niks. Nu al! Ik zou over veertig jaar nog wel eens terug willen komen om te kijken wat er nou uit deze tijd ten slotte overgebleven is. Wat ik verwacht? Dat durf ik niet te zeggen. Dat zou ook niet aardig zijn tegenover bepaalde schrijvers. En niemand had in 1930 voorspeld dat Elsschot overeind zou blijven, die man die alleen maar schreef over kaas en het bedrijfsleven. Er staat geen gedachte in die dieper gaat dan twee straatstenen. Maar het is fenomenaal geschreven! Ik denk dat de taal ten slotte de zaak overeind houdt, en niet of je nou veel rijke gedachten hebt gehad. Het gaat om de stijl.''

In de tijd dat hij opgroeide, vertelt Fens, schiep literatuur mede je wereldbeeld. Ook dat is nu voorbij. ,,Literatuur vormt je niet meer als persoon. Er zijn veel andere dingen die je vormen, zoals muziek. Mijn eigen kinderen, die nu rond de veertig zijn, hebben een veelzijdiger opvoeding gehad dan ik. Alleen al wat die van de wereld hebben gezien! Ik was tot mijn twintigste alleen een keer naar België geweest. Ik denk dat mijn generatie, in die eenzijdigheid van het lezen, en die eenzijdige overschatting van het lezen, veel eenzijdiger is opgevoed. Wat er verloren is in de diepte is gewonnen in de breedte.

,,De huidige cultuur heeft in zekere zin een geestelijke versnippering teweeggebracht. Wíj werden opgevoed in een aantal grote zekerheden over wat belangrijk en groot is. Die `veelzijdige eenzijdigheid' leek veiliger en rustiger dan wat er nu aan de hand is. Alle zekerheden zijn weggevallen, ook bijvoorbeeld de hiërarchie tussen hoge en lage kunst. Maar juist die onzekerheid maakt ons, denk ik, ook creatiever dan de veilige eenzijdigheid van vroeger.''

Zelf heeft Fens altijd, naar eigen zeggen, ,,heel sterk canonisch gedacht'', in termen van ,,leermeesters, mensen die boven me staan, waar je veel van kunt leren''. Leermeesters is ook de titel van een eerdere bundeling maandagstukken. ,,Graham Greene schreef in zijn autobiografie dat er een boek in je leven is dat je hele levensloop en zelfs je manier van doodgaan bepaalt. Voor mij is dat, literair gezien, de poëzie van Slauerhoff geweest, die heeft mij ontwaakt. Wat mij tot een cultuurhistorielezer heeft gemaakt, is het Herfsttij der middeleeuwen van Huizinga, en ook Augustinus de zielzorger van F. van der Meer, een geniaal boek.

,,In Slauerhoff heb ik heel veel van mijn vader herkend. Mijn vader was zeeman, officier bij de koopvaardij. Hij is doodgegaan toen ik negen was, maar naar wat ik gehoord heb van mijn moeder, familie, collega's, gelezen heb in brieven, klopt het helemaal. Foto's van hem die bewaard zijn gebleven, zijn precies de foto's van Slauerhoff. En een vriend van mijn vader heeft me verteld dat hij altijd zei: `Als ik IJmuiden uitga, begin ik te leven.' Hoe kan het dat iemand uit Breda zo'n zin krijgt om naar een haven, naar zee te gaan? Daar moet iets geweest zijn. Ik had het allemaal wel heel graag van hem geweten.

,,Het weg willen zijn, dat is het varen bij Slauerhoff. Ik heb dat niet op zee gezocht maar in lezen, in geschiedenis en andere tijden. In essentie is het wel in mij aanwezig, alleen hoef ik er geen stap voor te zetten om het te kunnen beleven. Dat weg zijn heb ik in Slauerhoff herkend, in mijzelf herkend, en in mijn vader dacht ik het te herkennen. Ook een kerkgebouw kan zo een vreemde thuishaven worden. Het is niet alleen ergens aan ontsnappen, maar ook ergens anders willen zijn.''

Pragmatisme

Fens' geestelijke reizen spelen zich af binnen een nauw omschreven geografisch gebied: ,,Ik ben gevormd door wat zich tussen Ierland en Constantinopel heeft afgespeeld in al die eeuwen, dat is mijn wereld. En ik zie het als mijn plicht om daarover te schrijven.'' De nieuwe bundel maandagstukken, geselecteerd door Anthony Mertens, die naar aanleiding van zijn eredoctoraat nu is uitgebracht, draagt daarom ook als titel Dat oude Europa. Het boek opent met een stuk waarin het nieuwe Europa, dat van de eenwording, genadeloos te kijk wordt gezet. ,,`Europa' dreigt het ijdelste woord uit onze cultuur te worden'', schrijft hij.

Fens: ,,Ik vind het een schijnvertoning. `Ons Europa', je vraagt je af wat ze daar nou eigenlijk mee bedoelen. Als politici het over Europa hebben, gaat het over de oppervlakte, economie, politiek. Het wezenlijke wat die landen gevormd heeft, kent men niet meer. Zo zou in de grondwet niet mogen komen te staan dat Europa van oorsprong christelijk is. Maar je kunt toch niet zeventien eeuwen geschiedenis even wegpoetsen! Zoals Ter Braak zei, we zijn joods-christelijk-grieks-romeins. Dat zijn onze wortels, dat zit in ons op allerlei curieuze manieren.''

In een ander essay schreef Fens dat de eenheid van het denken in de Middeleeuwen de eenheid van Europa heeft geschapen. Maar wat gebeurt er als daar een economische eenheid voor in de plaats komt? Fens: ,,Het denken is pragmatisch geworden. En ik denk – nu zeg ik iets heel curieus' – dat de Nederlandse geest de Europese geest is geworden. Want als er één pragmatisch volk is, dan zijn het wel de Nederlanders, die nooit veel gedachten hebben, laat staan bijgedachten. Dat bedoel ik niet hoogmoedig, want met dat pragmatisme is ontzettend veel bereikt. Ik denk dat de Europese economie juist door ons ontstellend scherpe pragmatisme zo sterk wordt dat Amerika in verlegenheid gaat komen.

,,Wij zitten in een nuttige cultuur in Nederland. Maar ook het nutteloze is zinvol. Ik had vroeger een abonnement op de Times, en las iedere dag de brievenpagina. Die briefwisselingen liepen soms weken door, en gingen over níks, over de vraag waar een gentleman zijn zakdoek droeg. Ik vond het gewéldig. Het nutteloze als hoogste vorm van zinvolheid, dat vind ik prachtig. We dwalen nu misschien wat af. Maar ook afdwalen is heel essentieel. Ik denk heel associatief.''

Ziet hij het mischien als zijn taak om in zijn stukken die prachtige nutteloosheid te verdedigen? Fens: ,,De zin van het nutteloze wordt niet op de juiste manier onderkend. Iemand die een proefschrift schrijft over een paar regels van Leopold, dat is van een hogere nutteloosheid...maar het is zo zinvol, omdat hij, als hij het goed doet, die hele Leopold in die ene waterdruppel laat zien. Er moet een aantal mensen zijn dat van het bestaan een beeld voor ons oproept dat steeds nieuw is. We denken in clichés, hebben een aangeleerd wereldbeeld. Maar je hebt mensen nodig die kijken op een manier waarop wij nog nooit gezien hebben, die ordenen op een manier waarop wij dat nooit gedaan hebben. Mijn hele leven is ondenkbaar zonder die nutteloosheid. En het is het enige wat mij voor die maatschappij nuttig heeft gemaakt.''

Hij vervolgt: ,,Ik woonde vroeger in Zandvoort, en had mijn werkkamer aan de straatkant van het huis, waar tuinen waren. Als ik dan op een zondagmiddag in de zomer een stuk zat te schrijven, laten we zeggen over Gregorius de Grote, dan zaten al die andere mensen in de tuin, en deden helemaal niks! Dan dacht ik, wat is nou verstandiger, wat ik nu doe of wat die mensen doen? Achteraf gezien, denk ik, toch het eerste. Dat heeft me toch het meeste geluk gebracht.''

`De meeste leukigheid is niet te harden'

`Ook afdwalen

is heel essentieel'