Gemangeld tussen McCarthy en Marilyn

Het meest bizarre voorval dat Arthur Millers biograaf in dit boek opdist komt helemaal aan het eind, als Miller in 1995 na decennia van vernederingen en miskenning door het New Yorkse theater-establishment een avond aangeboden krijgt ter gelegenheid van zijn tachtigste verjaardag. Tijdens het diner na afloop stelde een verslaggever hem, hurkend naast de tafel, een paar vragen. Miller gaf geduldig antwoord, en tot besluit vroeg de journalist of hij nog een persoonlijke vraag mocht stellen. En ja hoor: `Droomt u ooit over Marilyn Monroe?'

Dat de auteur, zelfs dertig jaar na de dood van zijn ex-vrouw, niet blij was met deze vraag was te voorspellen, maar de diepte van zijn misnoegen was dat nauwelijks. Miller stond op, sissend `ik ruk je kop eraf' en sloeg de journalist tegen de buffettafel waar hij naast een ham belandde. Bij de aanblik van het hakmes dat de ham vergezelde raakte de verslaggever in paniek, maar op Miller had het blijkbaar een ontnuchterende werking: hij draaide zich om en ging weer zitten.

Het is een van de bekendste beelden van de eeuw, in de categorie landing op de maan en moord op Kennedy: het portret van de intellectuele toneelschrijver en de actrice, na de aankondiging van hun huwelijk, de blonde seksgodin stralend en allesbehalve zelfbewust, de lange schrijver rechtop, zijn gezicht omlaag en zijn mond in een poging tot kus op haar voorhoofd. Gedurende de bijna tien jaren dat hun samenzijn duurde zouden ze nog dikwijls samen gefotografeerd worden, en meestal zou die foto er hetzelfde uitzien. Ik probeer te glimlachen, zei Miller eens, maar om een of andere reden drukken mijn gezichtsspieren iets anders uit. `The most unlikely marriage since the Owl and the Pussycat', zoals Life het noemde. The Brain versus The Body. Het was een beeld dat ook menige man, de theatercritici incluis zoals Gottfried impliceert, tot naijver dreef, want hoe kan hij, uitgerekend die stijve Joodse hark, nu de collectieve Amerikaanse natte droom uitleven?

Gottfried laat in deze biografie vrij discreet zien dat de affaire al begon toen Monroe nog maar een klein sterretje was, en dat de omvang van de mondiale idolatrie jegens haar, zoals die tijdens hun huwelijk maar vooral na haar dood groeide, letterlijk Millers verstand te boven ging. De biograaf laat er geen twijfel aan bestaan dat de twee enkele jaren buitensporig gelukkig waren met elkaar, maar hij schiet tekort waar het het grote drama van Millers leven betreft: dat hij de geschiedenis in dreigde te gaan als `de man van', vooral toen zijn latere stukken flopten en keer op keer ongenadig hard de grond werden ingeboord in zijn eigen New York.

Daar is een reden voor. De titel van deze biografie, Arthur Miller. A Life, is namelijk behoorlijk misleidend. Gottfried laat in zijn inleiding al weten dat Miller, alhoewel in eerste instantie coöperatief waar het de behandeling van zijn oeuvre betrof, weigerde medewerking te verlenen toen hem duidelijk werd dat het boek niet alleen over zijn werk, maar ook over zijn leven zou gaan. Vragen over zijn werk bleef hij desalniettemin beantwoorden, maar de medewerking hield volledig op toen hij vernam dat de biograaf zijn eerste vrouw en de kinderen uit dat huwelijk in het verhaal wilde betrekken.

Er resteerden Gottfried dan ook niet veel andere bronnen; Millers autobiografie Timebends is, zoals hij het terecht samenvat, `een boek van vrije associatie' waarin veel zaken zijn vertekend of weggelaten. Het laat hem ook niet zien als `de warmste of meest zelfrelativerende aller mensen', maar dat Miller ook een goedlachse man kon zijn in gezelschap moeten we nu maar op Gottfrieds gezag aannemen.

Veel meer dan A Life is deze biografie dan ook een beredeneerd kritisch overzicht van Arthur Millers werk, gedomineerd door zeer uitgebreide samenvattingen van zijn stukken en hun ontvangst. In dat opzicht is het een nuttig, zij het wat te droog geschreven behandeling van het oeuvre van de man die nu ook in zijn geboorteland weer wordt erkend als een van de belangrijkste toneelschrijvers van de vorige eeuw. Gottfried behandelt dat oeuvre gedegen, zoals het een veteraan theatercriticus betaamt, van de inspiratiebron die een handelsreiziger bood die Miller kende tijdens de Depressie voor zijn Dood van een Handelsreiziger, tot de bijna ongelofelijke cognitieve dissonantie die hem beving bij het schrijven en de productie van After the Fall, waarbij hij tot het laatst niet leek te beseffen dat de door hem gecreeerde Maggie bijna de reïncarnatie van Marilyn Monroe was.

Wat van zijn persoon resteert is helaas niet veel anders dan het beeld dat al dan niet terecht het idée reçue is over deze man, die door zijn biograaf bij herhaling egoïstisch, opgeblazen en zelfzuchtig wordt genoemd. Niet dat er onvoldoende incidenten zijn om dat beeld te bevestigen. Miller als de man die `dat is jouw probleem, niet het mijne ' antwoordde toen Marilyns pr-man Arthur Jacobs hem belde met het nieuws van haar dood. (Jacobs reactie: `Arthur, you always were a shit.') Maar Gottfried toont nauwelijks ingehouden verbijstering over het feit dat er een verborgen kind in Millers leven is, een jongen, Daniel genaamd die met het Down-syndroom geboren is. Het was het eerste kind uit zijn derde huwelijk, met de fotografe Inge Morath. De jongen werd terstond in een tehuis weggedaan. Inge bezocht hem veertig jaar lange elke week, Miller nooit. Daniel bestaat niet, in zijn vaders autobiografie.

Naast zijn huwelijk met Monroe waren vooral zijn confrontatie met de Commissie voor Onamerikaanse Activiteiten en de McCarthy-heksenjacht in het algemeen, doorslaggevende episodes in Millers leven. Het was materiaal dat hem tot zijn beste werk inspireerde in vooral The Crucible, het stuk dat in de vervolging van de heksen van Salem een perfecte allegorie uitbeeldde. Dat levert mooie, informatieve scènes op: Elia Kazans `verraad', Millers moedige houding tegenover de heksenjagers die hij, zoals Gottfried onthult, had kunnen afkopen door zijn vrouw simpelweg met de voorzitter van de commissie te laten fotograferen! Ronduit teleurstellend daarentegen is het boek in de behandeling van de verfilming van The Misfits; op diverse andere plekken is de spanning beschreven die tot dit intrigerende misbaksel leidde (Miller en Monroe hadden al tevoren besloten te scheiden) en Gottfried voegt er niets nieuws aan toe.

Miller zelf blijft heel erg op een afstand in dit boek. Dat hij zijn leven in zijn werk als materiaal gebruikt zoals hem dat belieft is het prerogatief van de kunstenaar. Dat zijn biograaf met een ondertitel impliceert er ook iets definitiefs over te zeggen is een misverstand, zo niet een hopelijk onbedoelde kniebuiging richting sensatiewaarde.

Martin Gottfried: Arthur Miller. A Life. Faber and Faber, 446 pag. €35,–