Geleerde cadetten

Diende in de opleiding van officieren voor de landmacht, het KNIL en later ook de luchtmacht het accent te liggen op militaire scholing of op wetenschappelijk vorming? Behoorde een officier een opvoeder te zijn die soldaten geloof in eigen kunnen bijbracht of had het leger meer aan militaire bedrijfskundigen? Sinds de oprichting van de KMA in 1828 in Breda, in het hart van het toenmalige Verenigd Koninkrijk, zijn die vragen nooit eensluidend beantwoord. Bij iedere onderwijshervorming werd duidelijk dat wetenschappelijke vorming en militaire scholing elkaar in de weg zaten. Zo waren kritische beschouwingen over veldtochten aan de KMA lange tijd taboe.

Misschien mede door die eenzijdigheid kon de opleiding tot genieofficier zich in de negentiende eeuw meten met die van de ingenieurs in Delft. Een studie op het niveau van universiteit of hogeschool liet eenvoudig te weinig tijd voor de militaire vakopleiding en bovendien was het ideaal van de zelfstandige kritische geest moeilijk te verenigen met de teamgeest van de ridderlijke officier die ook moest kunnen gehoorzamen. Dat stond het maken van ambitieuze plannen nooit in de weg. De ene keer werd een officiersopleiding van hoog theoretisch niveau gelanceerd door de legerleiding, een andere keer door de docentenstaf van de KMA. Als zij het bij uitzondering eens waren, vonden zij de minister op hun pad of was de praktijk te weerbarstig. Dan bleek het juridisch onmogelijk de benodigde lectoren en professoren aan te trekken, was er te weinig geld of moest het programma worden bijgesteld omdat de vooropleiding van de cadetten tekortschoot en de uitval te hoog was, zodat niet werd voldaan aan de vraag naar officieren. Een aparte officiersopleiding is in de landmacht als gevolg hiervan zelden onomstreden geweest.

Na de Eerste Wereldoorlog won het idee veld om officieren voortaan te rekruteren uit de rangen der reserveofficieren. Het doel van een officierskorps met een hoog opleidingsniveau zou zo evengoed zijn bereikt. Zo ver kwam het niet, maar de KMA slaagde er nooit in het monopolie op de officiersopleiding te verwerven. Er waren en zijn meer wegen naar de officiersrangen.

Hier en daar wordt in dit bijzonder fraai geïllustreerde boek wel erg veel belang gehecht aan de discussies over het onderwijs. Dat is jammer, omdat het boek ook toont hoe rijk het onderwerp is. Er is aandacht voor het internaatsleven, voor de positie van de KMA in de stad Breda, voor de Tweede Wereldoorlog, toen zeventien cadetten in verband met hun verzetsactiviteiten werden geëxecuteerd en dertien anderen dienst namen in het Duitse leger, voor de afkomst en herkomst van de cadetten en voor de gevolgen van de jaren zestig en zeventig. In 1960 was het bijvoorbeeld ondenkbaar dat een cadet gehuwd was, tien jaar later was dat een geaccepteerd verschijnsel. Heel groot is de kloof tussen maatschappij en krijgsmacht in Nederland dan ook nooit geweest: de speciaal voor de viering van het 125-jarig bestaan van de KMA ontworpen ceremoniële uniformen van de cadetten konden na afloop worden overgedaan aan een Limburgse drumband.

Petra Groen en Wim Klinkert (red.): Studeren in uniform. 175 Jaar Koninklijke Militaire Academie 1828-2003. Sdu Uitgevers, 608 blz. €39,50