Geen dwazer dolleman

Acteur Rob de Vries was een charmante doordouwer. Hij wilde de wereld verbeteren maar drong ook voor in de winkel. Morgen wordt de film `De Overval' weer vertoond. Mét De Vries.

`Ik durfde Americain niet door te lopen'', schreef Rob de Vries op 26 mei 1961 aan een vriend, ,,omdat ik dan in geen uren er meer uitkom, gezien mijn overpopulaire bekendheid.' Het briefje gaf antwoord op de vraag waarom hij zijn vriend niet even de hand had geschud, toen deze uit de verte, in café Americain in Amsterdam, naar hem had gezwaaid.

De Vries overdreef niet. Een jaar eerder hadden miljoenen kijkers gezien hoe hij als acteur, toneelleider en voormalig verzetsman, twee uur lang met complimenten was overladen in het tv-programma Anders dan anderen, de voorloper van het latere In de hoofdrol. Het hele land kende en bewonderde hem. Zo'n wandelingetje door Americain zou hem ongetwijfeld heel wat tijd hebben gekost. Tijd die hij niet had.

Rob de Vries stierf in 1969, kort na zijn eenenvijftigste verjaardag. Zijn voornaamste wapenfeiten waren de directeurschappen van de toneelgroepen Theater, Ensemble en het Nieuw Rotterdams Toneel, de rol van Otto Frank in de eerste Nederlandse enscenering van Het dagboek van Anne Frank op toneel en televisie, en zijn waardige hoofdrol in de verzetsfilm De overval (1962), als leider van een knokploeg die tijdens de bezetting een groep kameraden uit het Leeuwardense huis van bewaring wist te bevrijden.

,,Mijn vader speelde heldhaftige rollen'', zegt de acteur en scenarist Edwin de Vries. ,,Dat was zijn kracht, maar ook zijn beperking. Hij wilde – typisch voor zijn generatie – niet graag boevenrollen spelen, uit angst dat die op hemzelf zouden afstralen. Maar de heldenrol ging hem goed af. Hij was een grote, sterke kerel, die ook heel knap werd gevonden. Schipper naast God van Jan de Hartog, Rochester in Jane Eyre, dat waren zijn rollen. Als leerling van Albert van Dalsum was hij begonnen in de expressionistische speelstijl, en langzaam naar het naturalisme gegroeid. De overval is, denk ik, de beste rol die hij ooit heeft gespeeld. De inleving, de rust, de bescheidenheid, die vind ik heel mooi van hem.''

Goed en fout

In zijn jongensjaren was Rob de Vries eens door een vriend meegenomen naar het toneel. Het pakte hem meteen. Maar geld voor de toneelschool was er niet; op zijn negende stierf zijn vader, een beroepsmilitair, en sindsdien moest zijn moeder de eindjes aan elkaar knopen. ,,Nou ja, toen ben ik erg mijn best gaan doen'', zei hij in Anders dan anderen tegen presentator Bert Garthoff. Hij vond een kantoorbaantje bij de Internationale Handels-Vereeniging en had nadien nog ,,duizend andere baantjes''. Intussen haalde hij boeken over toneel uit de Universiteitsbibliotheek en legde contact met toneelschoolleerlingen om hun de oren van het hoofd te kunnen vragen. Het lukte hem in 1937 zelfs een dagje te figureren bij de film Pygmalion, waar alleen zijn achterhoofd vaag in beeld kwam. De huur van het bijbehorende rokkostuum kostte hem een rijksdaalder meer dan de gage, die tien gulden bedroeg.

Zijn toneeldebuut volgde in 1938, op de avond van zijn twintigste verjaardag, als politieman in De wrekende God van de schrijver en toneelleider Eduard Veterman. Die eerste rolletjes waren nederig, maar er leek een jeune premier in hem te schuilen. De oorlog maakte dat echter onmogelijk. In 1940, tijdens een generale repetitie voor De getemde feeks met Fien de la Mar en Albert van Dalsum, kwam er een telefoontje: de joodse acteurs, onder wie Rob de Vries, mochten niet spelen. ,,Afschminken!'' riep de principiële Van Dalsum tot zijn gehele gezelschap, dat hij vervolgens ophief.

Dat de meeste andere gezelschappen tijdens de oorlog doorspeelden, is voor De Vries altijd een gevoelig punt gebleven. Kort na de bevrijding ging hij in het gangpad van de toneelspelersbus zijn collega Egbert van Paridon te lijf, die zijn zitplaats had afgestaan aan de veel oudere acteur Louis van Gasteren sr. Dat had Van Paridon niet mogen doen, vond De Vries, want Van Gasteren was in de oorlog blijven doorspelen. ,,Bij ons thuis werd iedereen ingedeeld in goed of fout'', beaamt Edwin de Vries, die in 1950 werd geboren. ,,Wie had doorgespeeld, was volgens mijn vader eigenlijk fout geweest.''

Zelf speelde Rob de Vries in het begin van de oorlog nog in de Hollandsche Schouwburg, die op Duits bevel tot Joodsche Schouwburg was gemaakt. Joodse acteurs, zangers en musici voerden er voorstellingen op voor joods publiek, die uitsluitend in het Joodsch Weekblad mochten worden gerecenseerd. Tot ook dat in juni 1942, kort na de première van het blijspel Het loopt toch anders dan je denkt! van Eduard Veterman, werd verboden. Voortaan werden in de schouwburg joden bijeengedreven voor transport naar Westerbork. De Vries, die voor de oorlog al lid was geweest van een weerbaar joods boksclubje, verdween in de verzetsgroep van Veterman, die valse persoonsbewijzen maakte, onderduikadressen organiseerde en Engelse piloten over de grens smokkelde. Hij liet zijn moeder onderduiken en zijn broer en diens echtgenote naar Zwitserland vluchten.

In de Joodsche Schouwburg deed Rob de Vries zich voor als ordebewaarder van de Joodsche Raad. In werkelijkheid hielp hij mensen ontsnappen door een geblindeerd raampje in het toneelhuis, waarvan hij als acteur het bestaan had ontdekt. Wie er doorheen klom, belandde in de tuin van een groenteman en kon dan door de winkel naar buiten lopen. ,,Maar er was niets georganiseerd, mijn vader moest zelf beslissen wie er uit mocht en wie niet'', vertelt de zoon. ,,Wanhopige mensen boden hem geld en juwelen aan om te mogen vluchten. Na een maand of wat kon hij de druk van het eigen rechter spelen niet meer aan. Toen is hij ermee gestopt.''

Drie verloofdes

Tot zijn vele andere verzetsactiviteiten behoorden de hulp aan Engelse piloten die het land uit moesten, en het lospraten van gearresteerden in Duitse gevangenschap. Ook reed hij, samen met een machinist, een voedseltreintje in kamp Westerbork binnen om een joods meisje, op wie hij verliefd was, weg te halen. ,,Geen dwazer dolleman dan Rob de Vries'', schreef J.W. Regenhardt in het boek Het gemaskerde leven van Eduard Veterman. ,,Rob de Vries bezat een grote fantasie, een even groot gevoel voor humor en hij had een kinderlijk plezier in vermommingen.'' Zo'n ongeregeld avonturiersbestaan stelde hem bovendien in staat er een gevarieerd liefdesleven op na te houden. ,,Hij had in de oorlog wel drie verloofdes'', aldus Edwin de Vries. ,,En na de oorlog trouwens óók, hoewel hij dat tweede leven voor zijn gezin heel goed verborgen wist te houden. Hij kon ongelooflijk goed liegen, dat had hij in de oorlog geleerd.''

Dat het verzet voor sommigen ook fungeerde als dekmantel voor buitenechtelijke affaires, werd in 1986 voor het eerst vertoond in de film In de schaduw van de overwinning van Ate de Jong – vooral in de op Gerrit van der Veen gebaseerde verzetsman, gespeeld door Jeroen Krabbé. Dat was geen toeval, zegt Edwin de Vries, die het scenario schreef: ,,Ik heb toen vaak aan mijn vader gedacht.''

Maar levensgevaarlijk was het verzetswerk wel, en voor een jood moet het nog eens zo riskant zijn geweest. De Vries werd gearresteerd, zat maandenlang onder een valse naam vast in de Utrechtse gevangenis en ontvluchtte op Dolle Dinsdag. ,,Ons vertelde hij vooral vrolijke verhalen over de oorlog'', aldus zijn zoon, ,,hoewel hij ook verschrikkelijke nachtmerries heeft gehad. Toen ik hem vroeg of hij mensen heeft doodgeschoten, zei hij: dat vertel ik je later nog wel eens. Maar dat is er niet meer van gekomen.''

De laatste maanden van de oorlog woonde Rob de Vries in een onderduikhuis aan de Plantage Muidergracht in Amsterdam, temidden van jonge socialisten als Milo Anstadt en Liesbeth en Joop den Uyl. Zij leerden hem in die dagen veel over maatschappijbeschouwing en idealisme, zei hij in Anders dan anderen. Stralend haalde Den Uyl voor de camera herinneringen op aan de clandestiene voordrachtsmiddagen die De Vries organiseerde tijdens de hongerwinter. ,,Het schalde soms over de gracht'', zei de toenmalige PvdA-politicus. ,,En er was geen spoor van twijfel dat Rob na de oorlog weer ging toneelspelen.''

Meteen na de bevrijding maakte De Vries deel uit van de trotse groep acteurs die in de Stadsschouwburg in Amsterdam het bewind dachten over te nemen van de principeloze doorspelers. Ze speelden twee stukken over de bezetting. Maar in het najaar van 1945 werkte iedereen weer met iedereen samen. De Vries trad in dienst bij het nieuwe gezelschap Start, dat voortaan de Stadsschouwburg bespeelde. In een briefje aan de directie schreef hij op 6 december 1945 dat hij eigenlijk niet in de salarisschaal voor vrijgezellen paste: ,,Mijn moeder moet ik ondersteunen, evenals mijn broer met zijn gezin, die net als ik alles zijn kwijtgeraakt.''

Zijn idealisme richtte hij voortaan op de heilzame invloed die het toneel op de mens kon hebben. ,,Rob wilde getuigen vanuit een humanitaire, vaag links gerichte achtergrond'', zei zijn collega Hans Tiemeijer in het gedenkboek Facetten van vijftig jaar Nederlands toneel. Die kans kreeg De Vries toen hem in 1953 een directeurschap werd aangeboden bij een in Arnhem op te richten toneelgezelschap, dat Theater ging heten. ,,Met het doorzettingsvermogen van een bulldozer heeft hij alles gedaan om de zaak van de grond te krijgen: artistiek, organisatorisch en ook in het educatieve vlak'', aldus Tiemeijer.

Toneelspreiding en publiekseducatie maakte hij tot zijn wapenen. ,,Rob voelde altijd heel sterk zijn medeverantwoordelijkheid voor wat er mis was in de wereld: oorlog, rassendiscriminatie'', vertelde mededirectielid Elise Homans in hetzelfde boek. ,,En we zochten steeds naar stukken die deze betrokkenheid konden signaleren.'' In negen jaar Theater gingen er 88 stukken in première, en bovendien werden er elk jaar drie stukken voor de televisie gespeeld. Het summum van toneelspreiding, vond hij: op één avond twee miljoen kijkers. Ook richtte hij samen met Tiemeijer een jaarlijks jeugdtheaterfestival op, en organiseerde excursies om scholieren achter de schermen te laten kijken.

Auto op de stoep

Hij was een charmante man, die veel gedaan kreeg. ,,Maar daarvan heeft hij, tot mijn gêne, ook wel eens misbruik gemaakt'', zegt Edwin de Vries. ,,In winkels drong hij altijd voor; het sprak vanzelf dat hij als eerste moest worden geholpen. Een straat waar het verboden was in te rijden, reed hij gewoon in. Mij maakte hij dan wijs, dat hij daar een speciale vergunning voor had. En toen hij in 1962 op verzoek van de gemeente Rotterdam de leiding van het Rotterdams Toneel overnam, wist hij bij de wethouder niet alleen af te dwingen dat hij zijn acteurs uit Arnhem mocht meenemen, maar ook dat ze daar meteen een huis kregen – ondanks de woningnood. Bij de Rotterdamse Schouwburg parkeerde hij zijn auto gewoon op de stoep. Zonder dat de politie hem bekeurde.''

In het jaar dat Rob de Vries in Rotterdam begon, speelde hij tevens de hoofdrol in De overval. Zijn vrouw was er fel op tegen; hij had het veel te druk, vond zij. Maar in Anders dan anderen, ten overstaan van het publiek, kreeg hij van filmproducent Rudy Meyer het script in de handen geduwd. ,,Ik zou het verschrikkelijk graag doen'', zei hij, radeloze blikken werpend naar een plek achter de camera. Te vermoeden valt, dat daar zijn vrouw zat.

In de uitzending kwam het hoge woord er niet uit. Maar in de loop van 1962 werd de film gemaakt, en De Vries speelde de hoofdrol. Meyer had het goed gezien: hij was de beste keuze, als geen ander viel hij samen met de onkreukbare verzetsman die de hoofdpersoon was.

,,Mijn vader was altijd aan het werk'', vertelt Edwin de Vries. ,,Ik heb hem maar heel weinig gezien. Hij was ook heel ambitieus. Ik weet zeker dat daar ook de drang achter zat om als leider van een gezelschap terug te keren naar de Stadsschouwburg in Amsterdam – dat was toch het hoogste dat je kon bereiken. Maar dat is hem niet meer gelukt.''

Steeds vaker had Rob de Vries – net als zijn vader – last van zijn hart. Na zijn dood vonden de artsen 28 littekens, terwijl men niet beter wist dan dat hij twee keer een hartaanval had gehad. Wel had hij tijdens vakanties met het gezin herhaaldelijk gezegd dat hij even moest gaan liggen. Over de pijn sprak hij niet. Nog op zijn ziekbed, aan de hartbewaking in het Dijkzigt-ziekenhuis in Rotterdam, wist hij toestemming te krijgen om een belangrijke vergadering bij het Nieuw Rotterdams Toneel bij te wonen. Daar kon hij niet ontbreken, vond hij.

NRC Klassiekerdag, 10/1 in Filmmuseum/Cinerama, Amsterdam. Inl. 020-6237814 (vrijdag 9/1 tot 24.00 uur; zaterdag 10/1 vanaf 9.30 uur), www.filmmuseum.nl