Formulieren

Op het eerste gezicht ziet het er overtuigend uit. Het hoort tot het soort formulieren dat je aan de grens van een ver, vreemd land moet invullen. Maar volgens mij moet de mondige burger – dat zijn we in Nederland allemaal – bij het lezen van de eerste vraag al door hebben dat er iets niet in orde is, dat hij verneukt wordt. `Bent u illegaal? Ja. Nee.' Welke illegaal is zo gek daar ja op te antwoorden. Het wezen van de illegaliteit is juist dat je zonder aarzelen het nee-hokje zwart maakt. Wat dan volgt heeft niet tot doel, de illegalen in Nederland te `inventariseren'. Het is een poging om na te gaan hoeveel van de 200.000 aangeschreven onnozel genoeg zijn om in de val te trappen, en dan bereid om, op grond van niets anders dan een vermoeden, iemand erbij te lappen. `Uw gegevens worden vertrouwelijk verwerkt conform de Wet Bescherming Persoonsgegevens'. Einde tekst.

Het is, zoals we nu weten, een kunstproject van Martijn Engelbregt, ondernomen in samenwerking met De Balie. Onmiddellijk was de verontwaardiging gewekt. Het deed denken aan de Bezetting, Engelbregt werd ervan beschuldigd ten behoeve van zijn eigen roem dit verleden en in het bijzonder de slachtoffers van de nazi's te exploiteren. De directeur van De Balie, Anil Ramdas, heeft daarop in zijn column in deze krant (5 januari) verslag gedaan en het project overtuigend verdedigd. Vandaag verschijnt Engelbregt zelf in De Balie om de resultaten te presenteren en toe te lichten.

Er diende zich nog een vraag aan. Kun je dit formulier als kunst beschouwen? Dat is, dunkt mij, een probleem van de vorm. Gesteld dat hij volgens de methode van Jasper Johns te werk was gegaan. Johns heeft in de jaren zestig naam gemaakt met zijn grote minutieuze voorstellingen van schietschijven, de Amerikaanse vlag, vlijmscherp realisme in olieverf. Zo had Engelbregt bijvoorbeeld een tweeluik kunnen maken – niet kinderachtig aangepakt, denk aan tweemaal twee bij vier meter – van zijn aangifteformulier. Wat was dan het resultaat geweest? Ik zie de kritiek voor me. Schrijnend engagement, een felle aanklacht, onze eigentijdse werkelijkheid onontkoombaar, röntgenologisch aan het licht gebracht, dodelijke ironie. Over de vraag of het kunst was, had je niemand gehoord.

Maar Engelbregt heeft voor een andere vorm gekozen: hij heeft een document dat bedrieglijk veel lijkt op een formulier van de bureaucratische machinerie, in 200.000-voud laten verspreiden. Gegevens die betrekking hebben op een levenslot worden vertrouwelijk verwerkt. De aangever krijgt de garantie dat hij buiten schot blijft terwijl hij iemand anders de politie op zijn dak stuurt. Is dat kunst? Misschien wel, misschien niet. Die vraag doet dan niet meer terzake. Het meest verwant is het in dit geval aan de practical joke, waarbij de grappenmaker door een werkelijkheid na te bootsen, op een onschuldige manier het goedgelovige slachtoffer in een lachwekkende situatie brengt. Gefopt! Eén april! Degenen die dit formulier hebben ingevuld, zijn wel gefopt. Maar zijn ze maar lachwekkend?

Engelbregt heeft eerder van zich doen spreken met een door hem bedachte tegenaanval op de telemarketeers, de mensen die je opbellen om je iets te verkopen. Dat was in 1997. Dit Tegenscript bevat een reeks absurde vragen die je moet stellen om de zorgvuldig ontworpen strategie te verstoren. De telemarketeers waren boos. Deze krant (14.4.2000) heeft een door Inge Poppe geschreven portret van hem gepubliceerd. Daarin zegt hij: ,,Elke keer ben ik weer verbaasd hoeveel privé-gegevens mensen bereid zijn te verstrekken. Ook de vraag `wat is uw bruto besteedbaar inkomen' – wat een volkomen belachelijk begrip is – wordt beantwoord.''

Dat lijkt mij de kern van de onderneming. Nederland kan zich langzamerhand dol individualiseren, miskende automobilisten legen hun machinegeweer op radarkastjes, buschauffeurs weten 's ochtend niet af ze levend thuis zullen komen, als je in de tram een verkeerd gezicht trekt word je met verbouwing bedreigd, maar komt er een gedrukt formulier in de brievenbus dan verandert de zaak. Er is toch nog gezag, zou je zeggen, maar welk gezag.

In de verte doet het een beetje denken aan de Kapitein van Köpenick, de arme schoenmaker Wilhelm Voigt, die zich op 16 oktober 1906 in het uniform van kapitein van de garde stak, naar het gemeentehuis ging, de wacht in de houding commandeerde, de burgemeester gevangen liet nemen en hem naar Berlijn bracht. Toen waren er ook veel mensen ontzettend boos, in plaats van die schoenmaker dankbaar te zijn.