Etiquette beschaaft helemaal niet

In de jaren zeventig van de vorige eeuw werd de geschiedwetenschap verrijkt met een Concept. In dat concept, afkomstig van de socioloog Norbert Elias, werd beschaving gekoppeld aan staatsvorming. De ontwikkeling van de beschaving, in navolging van Freud gedefinieerd als een toenemende beheersing van driften en emoties, was volgens Elias gelijk opgegaan met de monopolisering van geweld door de staat. De wortels van die ontwikkelingen (beschreven door Sigmund Freud en Max Weber) lagen volgens hem bij de vroegmoderne vorstelijke hoven, waar de adel was `getemd' en gedwongen om door beschaafd gedrag de gunst van de koning te verwerven. Hoewel hoven decennialang een reactionair onderwerp hadden gevormd en de aandacht meer was uitgegaan naar de kameraden uit het proletariaat, werd het concept modieus. Dat hield in dat allerlei epigonen zich inspanden om historisch materiaal zo te interpreteren dat het in het concept paste. Sommigen onder hen gingen zover dat ze de geloofwaardigheid van historische getuigenissen afmaten aan de mate waarin die strookten met de theorie van Elias.

Een van degenen die destijds vraagtekens zetten bij de waarde van het concept en vooral bij de manier waarop het door Elias was gefundeerd, was de Utrechtse historicus Jeroen Duindam. Terwijl hij in zijn sociologische werk voortdurend waarschuwde tegen overschatting van de invloed van het individu, legde Elias in zijn analyse van het hofleven juist onevenredig veel nadruk op de invloed van de vorst, aldus Duindam. Hij vestigde er de aandacht op dat Elias' ideeën over het hofleven op zeer mager materiaal berustten en zwaar leunden op één bron, de memoires van de hoveling Saint-Simon, een buitenbeentje aan het hof van Lodewijk XIV. Elias had allerlei varianten van hofleven die niet strookten met zijn model buiten beschouwing gelaten en hij had vooral de retoriek van Saint-Simon te serieus genomen. Daardoor beschreef hij het hof te eenzijdig als een plek waar strijdbare edelen werden omgevormd tot beschaafde pluimstrijkers.

Destijds ondersteunde Duindam zijn betoog met literatuurverwijzingen, maar bij pogingen om alternatieve theorieën over het hofleven te formuleren kwam hij tot de conclusie dat er daarvoor te weinig bekend was over de gang van zaken aan hoven. De theorie van Elias had wel geleid tot allerhande interpreterende beschouwingen, maar nauwelijks tot onderzoek naar concrete feiten. Elementaire kwesties als omvang en samenstelling van hoven en de dagelijkse gang van zaken waren grotendeels onbekend. Duindam besloot daarom de archieven in te gaan, en deed daar onderzoek naar het aantal personen dat als hoveling of bediende aan het hof verbleef, naar hun achtergrond, hun functies, hun inkomsten en dagelijkse activiteiten. De vrucht van zijn arbeid is nu gepubliceerd onder de titel Vienna and Versailles. Het is een vergelijkende studie naar twee van de grootste hoven in de periode 1550-1780, maar het is geen overzichtswerk of een introductie tot het hofleven. Het boek wordt nadrukkelijk geplaatst in de wetenschappelijke discussie over de rol van hoven in de vroegmoderne politieke en culturele ontwikkelingen.

In de geschiedschrijving is vaak verhaald hoe bij de opkomst van de moderne staten de oude adellijke hofdienaren werden verdrongen door uit de burgerij afkomstige geschoolde bestuurders. Daarom heeft Duindam geprobeerd te achterhalen wie er precies bij het besluitvormingsproces waren betrokken. Hij komt tot de conclusie dat er geen strikte scheiding valt aan te brengen tussen hofdienaren en ministers. Het was ook niet zo dat de ene groep machtiger, corrupter of efficiënter was dan de andere. De vorst zou beide groepen tegen elkaar hebben uitgespeeld via de streng gereguleerde omgangsvormen aan het hof, waarin de hiërarchie tot uiting werd gebracht. Maar Duindam constateert een overschatting van het belang van ceremonieel. In de praktijk ging het er allemaal veel minder strak georganiseerd aan toe dan je zou denken als je de etiquettevoorschriften bestudeert. Hij wijst er bovendien op dat het ceremonieel slechts een gedeelte van het hofleven uitmaakte. Informele relaties, patronage en vriendschap, speelden een cruciale rol bij de beslissingen die werden genomen.

Duindam laat vooral zien dat elke formele indeling betrekkelijk is en generaliseren hachelijk. Zijn studie toont nog eens aan dat de koninklijke macht in Frankrijk bepaald niet onvoorwaardelijk was en het begrip absolutisme sterk moet worden gerelativeerd. Het klassieke beeld van Versailles is een vertekening en kan zeker niet model staan voor het hofleven in het algemeen. Je kan niet zeggen dat de adel werd getemd aan het hof, en het is maar de vraag in hoeverre het hof kan worden beschouwd als de stuwende kracht achter allerlei politieke en culturele ontwikkelingen.

Die conclusies zijn niet verbijsterend. Onderzoek doen naar concrete feiten en het aanbrengen van nuanceringen is nu eenmaal minder spectaculair dan het lanceren van klinkende concepten. Het vergt bovendien aanzienlijk meer werk, maar het brengt ons wel dichter bij een reële voorstelling van de historische werkelijkheid. Het is verheugend dat er nu en dan nog een historicus opstaat die zich aan dat ondankbare werk wijdt.

Jeroen Duindam: Vienna and Versailles. The Courts of Europe's Dynastic Rivals, 1550-1780. Cambridge University Press. 349 blz. €95,–