Een nieuw tentenkamp in As-Samawah

Nederland krijgt Japanse buren in Irak. Komende week komt de Japanse minister van Defensie naar Den Haag om uit te leggen dat Nederlandse mariniers in noodgevallen de Japanners te hulp mogen schieten, maar dat het omgekeerde niet kan.

De Nederlandse militairen in As-Samawah krijgen buren: het Japanse leger. Eind volgende week vertrekt de voorhoede, en om zich alvast te verzekeren van een goede samenwerking brengt de Japanse minister van Defensie, Shigeru Ishiba, volgende week een bezoek aan zijn ambtgenoot Henk Kamp in Den Haag.

,,De Japanse voorhoede zal de Nederlandse troepen om bescherming vragen'', zei Ishiba gisteren tijdens een ontmoeting met buitenlandse journalisten in Tokio. Vervolgens zal de hoofdmacht ,,de tenten opzetten in de buurt van het Nederlandse leger en samenwerken bij het verlenen van humanitaire hulp''.

De Japanse missie is grensverleggend: voor het eerst sinds 1945 zullen Japanse grondtroepen (luchtmachtpersoneel is reeds vertrokken) afreizen naar een gebied waar wordt gevochten. Maar niet álle grenzen die het Japanse leger sinds de nederlaag in de Tweede Wereldoorlog zijn opgelegd, zullen nu al worden doorbroken. Formeel heet het Japanse leger de `zelfdefensiemacht' en is zijn enige taak het beschermen van het eigen grondgebied. Ook al heeft een speciale wet nu uitzending naar Irak mogelijk gemaakt, het gebruik van wapens is slechts mogelijk voor zelfverdediging. Het concept `collectieve zelfverdediging' kent Japan niet. Men mag een aangevallen bondgenoot niet te hulp schieten zolang men zelf niet onder vuur ligt. Ook de Nederlandse militairen hoeven dus niet op Japanse steun te rekenen, mochten zij worden aangevallen.

,,Ik verwacht in As-Samawah ook niet dat Nederland zal worden aangevallen'', zegt minister Ishiba. ,,Dat is ook de reden dat wij zelf in As-Samawah actief zullen zijn. Als wij wel een aanval zouden voorzien, zouden we deze plaats niet hebben uitgekozen.'' Uiteindelijk is het doel van de Japanse uitzending hulp bij wederopbouw, niet het pacificeren van de regio. Bovendien, stelt Ishiba, ,,zorgen in principe alle landen die in Irak actief zijn voor hun eigen bescherming''.

Ishiba is een opvallende persoonlijkheid onder de Japanse politici. Hij spreekt zelfverzekerd en kiest zijn woorden met zorg. Op de voor Japanse begrippen jonge leeftijd van 45 werd hij twee jaar geleden minister van Defensie. Sindsdien geeft hij zonder een spoor van twijfel leiding aan de grootste verandering in het Japanse defensiebeleid sinds de formele oprichting van de zelfdefensiemacht, vijftig jaar geleden.

Onder Ishiba's leiding is zijn ministerie begonnen met een herziening van het defensiebeleid zoals neergelegd in het Nationale Defensie Programma. Het uiteindelijke doel van Ishiba is dat uitzending van troepen, zoals nu naar Irak, voortaan plaats kan hebben zonder doorvoering van speciale wetten met een beperkte looptijd.

,,De vraag is of de zelfdefensiemacht een taak heeft in het buitenland'', stelt Ishiba. ,,De uitzending naar Irak zal [op de beantwoording van die vraag] grote invloed hebben.'' Sinds 1992 neemt Japan wel deel aan grotendeels risicoloze operaties voor vredeshandhaving onder leiding van de Verenigde Naties. Deze begrenzing werd twee jaar geleden doorbroken met bevoorrading via marineschepen van de Amerikaanse troepen in Afghanistan. Het sturen van grondtroepen naar Irak luidt wéér een nieuwe fase in.

Om met name bij de buurlanden zorgen over een terugkeer van Japans imperialisme weg te nemen, wijst Ishiba op specifieke verschillen tussen toen en nu. In het vooroorlogse Japan ,,was het leger van de keizer'', terwijl de huidige zelfdefensiemacht ,,onder democratische controle van het volk staat''. Bovendien vertrekken de troepen nu uitdrukkelijk om humanitaire hulp te geven aan een volk dat weer snel zijn onafhankelijkheid zal terugkrijgen, niet voor het deelnemen aan een militair conflict. Dus is er ook geen enkel conflict met de idealen zoals neergelegd in de Japanse grondwet, waarin Japan zich het recht ontzegt om geweld te gebruiken ter oplossing van een internationaal conflict.

Wel stelt Ishiba uitdrukkelijk dat herstel van orde in het Midden-Oosten een ,,landsbelang'' is van Japan, omdat 90 procent van de Japanse olie uit die regio komt. Het aanhalen van een dergelijke geopolitieke overweging ter motivering van het zenden van troepen naar een gebied dat niet zonder risico's is, wijst op een geheel nieuw realisme. Tot dusver gebruikte Japan slechts ontwikkelingshulp om geopolitieke verhoudingen te beïnvloeden en liet het militaire kwesties over aan de Verenigde Staten, de enige militaire bondgenoot van Japan.

Het zijn echter juist de VS die nu op uitzending hebben aangedrongen. Ook dit is een belangrijke overweging voor Japan geweest want, stelt Ishiba, ook al valt Irak niet onder de reikwijdte van het bilaterale veiligheidsverdrag met de VS, versterking van het verdrag en het wederzijdse vertrouwen is in Japans belang. Bijvoorbeeld door in te gaan op het Amerikaanse verzoek troepen te sturen. De grote vraag is wat er met de troepenzending en de herziening van het defensiebeleid gebeurt als de Japanse troepen in As-Samawah wel worden aangevallen.