De toekomst komt later wel

De journaliste Adrian Nicole LeBlanc trok ruim tien jaar op met twee alleenstaande moeders in de Bronx, een van de armste en crimineelste wijken van New York. In haar verpletterende boek over het leven van de sociaal zwakkeren in Amerika, schetst ze een subtiel beeld van de `getto-mentaliteit' en de hopeloze problemen van een onderklasse in het hyperkapitalisme.

Mercedes is elf jaar, en droomt al haar hele leven van een verzoening tussen haar moeder, Coco, en haar natuurlijke vader, Cesar. Het meisje leeft bij haar moeder, die zelf opgroeide in de Bronx, nu pas vijfentwintig is, vijf kinderen heeft bij vier mannen, en geen vaste baan. Om het geweld en de drugs van de Bronx te ontvluchten, is het gezinnetje verhuisd naar Troy, een oude industriestad ten noorden van New York. Ze wonen er in een bouwval aan een drukke verkeersweg. En helaas, de drugs zijn hen gevolgd. Moeders nieuwe vriendje, Frankie, is een dealer. En hij trekt bij Coco in, tot ontzetting van Mercedes.

Maar de verzoening waar Mercedes van droomt zit er ook om een andere reden niet in. Vader Cesar zit namelijk langdurig in de gevangenis, omdat hij bij een vechtpartij zijn beste vriend heeft doodgeschoten, per ongeluk. Achter de tralies is hij bovendien getrouwd met een ander, een vriendin van Coco die wél een vaste baan heeft. In de euforie over zijn prille huwelijk vergeet Cesar even dat hij een dochter heeft uit een eerdere relatie. Hij stuurt Mercedes geen verjaardagskaart.

Zo spat de droom van het meisje uiteen, ze krijgt woedeaanvallen en wordt van school gestuurd. Ze mag pas terugkomen als een sociaal werker het groene licht geeft. Het leidt tot de volgende, pijnlijke confrontatie. De `sociaal zwakke' Coco en Mercedes komen op audiëntie bij de sociaal werker, mevrouw O'Connell. `Wat betekent het om regels te volgen?', vraagt die belerend. `Naar mijn moeder luisteren', zegt Mercedes braaf. `Dat klopt, luister naar je moeder. Je bent nu oud genoeg om een beetje te helpen. Dek de tafel. Help bij de afwas.'

Dan komt de morele ontknoping van het gesprek. `Welke boodschap krijg je van mij, van school, van huis?', wil de sociaal werkster van het meisje weten. `Ik moet mij leren beheersen', zegt Mercedes. Je moet je leren beheersen, knikt O'Connell goedkeurend. Maar dan gebeurt er iets opmerkelijks. Het pantser van het meisje breekt, en de kleine vluchteling uit de Bronx doet iets wat ze nooit eerder heeft gedaan: ze vraagt om hulp. `Ik kan het niet, ik weet niet hoe ik het moet doen', jammert ze. De sociaal werkster zit erbij en kijkt ernaar. De ingestudeerde lesjes zijn even op.

Het is een hartverscheurende scène, die is opgetekend door journaliste Adrian Nicole LeBlanc in haar indrukwekkende boek Random Family. Love, Drugs, Trouble and Coming of Age in the Bronx, een op harde feiten gebaseerde `docu-soap' over het leven van de Amerikaanse onderklasse. Het pijnlijke van de scène is, dat de lezer die Mercedes ziet instorten weet wat de sociaal werkster op dat moment niet beseft: Mercedes kán haar moeder niet helpen bij de afwas of het dekken van de tafel, omdat het er zo helemaal niet aan toegaat in dit gezin. Er is geen tafel. Mercedes, haar zusjes en haar broertje eten in een kring op de vloer. O'Connell is evenmin op de hoogte van de relatie tussen Mercedes en haar vader. Ze weet niets van de niet ontvangen verjaardagskaart en de daarachter schuilgaande bittere realiteit.

Hoe zakt een gezin zo af? LeBlanc volgde het hele proces op de voet, en het houdt gelijke tred met ingrijpende veranderingen in de Amerikaanse economie en samenleving in de jaren negentig. Coco liep in de bijstand, maar moest gaan werken nadat de Democratische regering van president Clinton in 1996, bij een grootschalige afslanking van de verzorgingsstaat, het federale recht op bijstand afschafte. De zorg voor de kinderen moest ze noodgedwongen toevertrouwen aan haar oudste dochter. Mercedes bestiert dus op haar elfde het huishouden. Ze bemoedert haar zusjes en broertje. Het psychologische probleem, schrijft LeBlanc scherpzinnig, was dat `haar assertiviteit haar slechts parten speelde in een van de twee werelden waar ze dagelijks tussen laveerde. Op school was ze bazig en liet ze zich te veel gelden, maar thuis waren deze karaktertrekken voor haar onmisbaar. Op school veroorzaakten haar woedeuitbarstingen een chaos; thuis werd er dan juist naar haar geluisterd.'

Random Family is vooral een bijzonder boek omdat LeBlanc er in is geslaagd de rampzalige ellende van het getto op een niet-moraliserende, intieme manier te beschrijven. Elf jaar trok trok ze op met Coco en haar gezin, en met Jessica, de zus van Coco's vroegere geliefde Cesar. Coco en Jessica zijn authentieke producten van de Bronx: opgegroeid zonder vaders, met verslaafde moeders, zonder scholing of ander gereedschap om het in de normale burgerlijke maatschappij te redden. Mannen komen en gaan in hun levens, drugs zijn een voortdurende verleiding en plaag, kinderen komen te vroeg en vaak ongevraagd. De losvaste minnaar van Jessica is drugsbaron Boy George (`Als je het over Boy George hebt, praat je over de zanger of over mij'). Voordat hij op 22-jarige leeftijd tegen de lamp loopt en wordt veroordeeld tot levenslang, exploiteert hij het heroïnemerk `Obsession', dat een half miljoen dollar per week genereert. Jessica krijgt als medeplichtige een gevangenisstraf van tien jaar.

LeBlanc tekent het allemaal nuchter maar empathisch op. Ze oordeelt niet, ze beschrijft. Ze heeft een scherp oog en een lichtvoetige pen. En ze volgt haar hoofdpersonen op de voet. Ze helpt Coco te verhuizen van de ene naar de andere onbewoonbaar verklaarde woning. Ze bezoekt Jessica in de vrouwengevangenissen waar ze in verzeild raakt. Random Family is zodoende ook een exemplarisch voorbeeld van wat journalist Gay Talese `de kunst van het rondhangen' heeft genoemd.

Het resultaat is een ongeëvenaard portret van twee getto-vrouwen. Na lezing van Random Family bekijk je het andere Amerika, dat van de onderklasse, met nieuwe ogen. Coco voert een dagelijks gevecht tegen de dreigende desintegratie van haar gezin. Dat gevecht slokt haar op; ze heeft weinig belangstelling voor de buitenwereld. Nieuws laat haar koud. Van het afschaffen van de bijstand door Clinton hoort ze pas als het haar persoonlijk treft. Maar uitsluitend een slachtoffer of een pathologisch geval is ze zeker niet. Ze beseft maar al te goed wat haar te doen staat: haar kinderen opvoeden. En daarin is ze beter dan veel van haar lotgenoten.

LeBlanc heeft Coco en Jessica opgeduikeld uit alarmerende sociale categorieën en statistieken. Coco en Jessica zijn alleenstaande moeders, een groep die in omvang in de Verenigde Staten tussen 1970 en 2000 is verdrievoudigd, van drie miljoen tot tien miljoen. Ze behoren tevens tot de 14.1 miljoen Amerikaanse burgers (op een totale bevolking van bijna 296 miljoen) die volgens de laatste census van 2002 hun leven in alarmerende armoede slijten. Bij de etnische groep waarvan ze deel uitmaken, die van de Spaans-Amerikanen, leeft ruim een op de vijf, 21.8 procent, onder de armoedegrens.

De portretten van deze twee vrouwen staan voor het hele boek. Jessica is de avontuurlijkste van de twee. Aan het begin van LeBlancs relaas heeft ze net een vluchtige relatie achter de rug met `Puma', een hip-hop danser van enige faam. Puma geeft in de persoon van dochter Serena zijn visitekaartje af, maar Jessica laat zich daar niet door binden. De straat lonkt. Kort na Puma ontmoet ze Boy George. Hij is rijk en smijt met geld, hij onderhoudt Jessica. Als wederdienst eist hij dat ze zich voegt naar zijn grillen, maar Jessica is niet het type dat zich onderdanig opstelt. Telkens als ze zich even aan zijn greep ontworstelt – ze gaat regelmatig vreemd – wordt ze door hem bedreigd en in elkaar geslagen. Toch verlaat ze hem niet. Ze krijgt vervolgens een extreem lange gevangenisstraf omdat ze weigert mee te werken met het justitiële onderzoek tegen haar minnaar.

Dat is het begin van nieuwe ellende. Ze begint een verhouding met een cipier die uitkomt nadat ze van hem in verwachting raakt. De tweeling die ze krijgt moet ze meteen na de geboorte afstaan. De baby's worden net als haar andere kinderen grootgebracht door een boezemvriendin. Daarna knoopt ze lesbische relaties aan met medegevangenen. Een van hen beweegt Jessica ertoe om haar verzet tegen het gevangenisregime op te geven. Ze volgt een scholingsprogramma, en krijgt strafvermindering. Maar ook na haar vrijlating heeft ze op z'n best een wankele verhouding met haar kinderen. Ze ziet ze nauwelijks.

Coco daarentegen is bovenal moeder. Mannen in haar leven zijn onbetrouwbaar, egoïstisch en bovendien een bedreiging voor haar dochters. Ze draagt Mercedes op om altijd een korte broek te dragen over haar ondergoed, als blijkt dat `partner' Frankie ook een relatie onderhoudt met een leeftijdgenootje van haar. Het moet een preventieve werking hebben, maar over de ultieme preventie denkt Coco niet na: het komt niet in haar op Frankie de deur te wijzen. Voor Coco is alles een heidens karwei: eten bijelkaarscharrelen, kinderen aankleden en naar school sturen, geweld op straat omzeilen en drugshandel uit huis weren, geschiktere woonruimte zoeken, kamers desinfecteren, kakkerlakken en ratten verdelgen, de koelkast reinigen en 's avonds, eindelijk, ongestoord tv-kijken.

LeBlanc, wier lijvige boek in Amerika is geprezen als goed voorbeeld van tough reporting, laat zich maar een enkele keer verleiden tot commentaar op het geheel. Dit is bijvoorbeeld haar typering van de `getto-mentaliteit' waarin haar hoofdpersonen gevangen lijken te zitten: `Mensen in de omgeving van Coco berekenden vooruitgang in hun leven in microscopische eenheden volgens de formule `beter is alles wat niet erger is'. Deze meetbare gradaties waren van groter waarde dan het clichématige jargon van persoonlijk succes dat iedereen in de mond bestorven ligt, zoals gestolen sentimenten van een wenskaart. `Dik en gevoed' is beter dan `dun en hongerig'. Gezinsruzies binnenshuis, zelfs als iedereen ze kan horen zijn beter dan ze uitvechten op straat. Heroïne is slecht, maar crack is erger. Een meisje dat vier kinderen heeft van twee jongens is nog altijd beter dan een meisje dat vier kinderen heeft van drie jongens. Een jongen die in drugs handelt en met de opbrengsten daarvan zijn moeder en kinderen helpt, is beter dan een vrek die zijn inkomsten voor zichzelf houdt; hetzelfde geldt voor meisjes met een uitkering. Moeders die uitgaan en de volgende dag niet tegen hun kinderen schreeuwen zijn beter dan moeders die dat wél doen.'

Er is veel geschreven over de cultuur van misdaad en armoede in Amerikaanse getto's, sinds het bestaan ervan in de jaren zestig doordrong tot blank Amerika in het spoor van de zwarte strijd voor burgerrechten en de ambitieuze `oorlog tegen armoede' van de Democratische president Lyndon Johnson. Random Family onderscheidt zich van de bestaande getto-lectuur, behalve door een harde reportage-stijl, doordat LeBlanc die wereld beschrijft vanuit het perspectief van twee vrouwen. Tot nu toe was er vooral de bekentenis-literatuur van Afrikaans-Amerikaanse mannen die na een losbandige en criminele jeugd, in de gevangenis tot inkeer komen. De levens en mentaliteit van mannen als Boy George en Cesar zijn heel herkenbaar uit eerdere boeken: zie autobiografische klassiekers in het genre, niet alleen The Autobiography of Malcolm X en Soul on Ice van Eldridge Cleaver, maar vooral de latere Monster. The Autobiography of an L.A. Gang Member van Sanyika Shakur (alias Kody Scott) en Makes me Wanna Holler van Nathan McCall.

De boeken van Malcolm X en Cleaver stammen uit de revolutionaire, verpolitiekte jaren zestig en zijn een felle aanklacht tegen racistisch blank Amerika. Shakur en McCall, dertig jaar later, zijn vooral egocentrisch en zelfs nihilistisch in hun verheerlijking van geweld.

Random Family is ook niet onder te brengen in die andere categorie getto-lectuur: de sociologische werken waarin de stedelijke onderklasse wordt geanalyseerd en de mogelijke oorzaak van de hardnekkige getto-mentaliteit wordt onderzocht met een beroep op economische factoren, de erfenis van slavernij, afwezige vaders, een ongedisciplineerd en a-religieus leven.

De algemene term culture of poverty om het verschijnsel te dekken, werd in de late jaren vijftig geïntroduceerd door de antropoloog Oscar Lewis, en enkele jaren later gepopulariseerd door de intellectuele kringen rond J.F. Kennedy. De president zelf was beïnvloed door The Other America (1962), van de socialist Michael Harrington, die betoogde dat eenderde van de Amerikanen in armoede leefde. Een van zijn hoofdstukken was gewijd aan sloppenwijken in de steden. Onder Kennedy's opvolger Johnson werd voor het eerst een verband gelegd tussen stedelijke armoede en de afwezigheid van vaders en vaste banen in het zogenaamde Moynihan Report, geschreven door de latere senator voor New York, Daniel Patrick Moynihan. Ook culturele factoren speelden een rol in de `armoedeval' waarin zwarte gezinnen verstrikt zaten.

De kritiek liet niet lang op zich wachten. Moynihan werd door links onder vuur genomen bij monde van de psycholoog en burgerrechtenactivist William Ryan, die in Blaming the Victim (1971) een krachtige metafoor introduceerde en de schuld van de armoedecultuur weer in de schoenen legde van racistisch blank Amerika. De Afro-Amerikaanse minderheid (Spaanstaligen deden er toen nog niet toe) was door uitsluiting en openlijke discriminatie tegen wil en dank veroordeeld tot de rol van eeuwig slachtoffer.

Eind jaren zestig mengden zich ook rechtse, conservatieve intellectuelen in het debat. In The Unheavenly City (1968) schreef Edward Banfield dat de zwarte onderklasse de ellende aan zichzelf te wijten had. Niet racisme, maar een mentaliteit van `leven-in-het-moment', het onvermogen om toekomstgericht te denken en plannen te maken voor de langere termijn – dat alles lag volgens Banfield ten grondslag aan de armoede onder zwarten.

De `barmhartige' conservatieve geestverwanten van president George W. Bush hebben die discussie nu nieuw leven ingeblazen. In navolging van Banfield wijzen zij bij voorkeur naar het gebrek aan discipline, buitenechtelijke geboortes, de afwezigheid van toekomstperspectief met uitzondering van de handel in drugs (of een bliksemcarrière in de sport).

Maar Myron Magnet (The Dream and the Nightmare, 1993) en Marvin Olasky (Compassionate Conservatism, 2000) wijzen ook nieuwe, bredere oorzaken aan voor de `getto-mentaliteit'. Verantwoordelijk voor het voortbestaan van de armoede-cultuur is volgens hen vooral de amorele houding van beleidsmakers en intellectuelen uit de jaren zestig, die niet wilden oordelen over de afwijkende manier van leven van onderdrukte sociaal zwakkeren. De oplossing van de rampzalige situatie in de sloppenwijken is in de ogen van deze conservatieve ideologen niet gelegen in grootscheepse federale programma's, zoals die van de Democraat Johnson, maar in faith-based initiatives van kerken en maatschappelijke organisaties. Kerken in plaats van sociale diensten, bijbel en gebed in plaats van sociale activering en uitkeringen.

Critici van die aanpak verwijten Bush op hun beurt de emancipatoire verworvenheden van de verzorgingsstaat te verkwanselen, en de onderklasse met een dubieus beroep op `mentaliteit' en eigen schuld, over te leveren aan de willekeur en goede gunsten van de heersende klasse.

De journaliste LeBlanc mengt zich niet in deze veertig jaar durende discussie, die sterke ideologische trekken heeft. Overheidsprogramma's en kerken komen alleen aan de orde als haar personen er toevallig mee in aanraking komen. Haar beschrijving van het worstelende dagelijks leven van Jessica en Coco is wel die van een leven in het moment, van uur tot uur zelfs – maar of dat een kwestie is van `mentaliteit', laat staan van een etnische mentaliteit, of juist van uitzichtloze omstandigheden, daarover laat ze zich niet uit. Wel over de funeste gevolgen van een leven tegen de klippen op, zoals die van de laconieke houding van deze vrouwen tegenover seks. Over de gevolgen van losse contacten bekommert Coco zich niet, en aan voorbehoedmiddelen doet ze niet. Afspraken over sterilisatie moeten eerst worden gemaakt en vervolgens ook nog eens worden nagekomen; die combinatie blijkt voor haar een onmogelijke opgave. Het gevolg is dat ze voor haar dertigste vijf kinderen heeft van vier mannen. Pas na de geboorte van haar vijfde kind (en enige zoon) laat ze zich steriliseren; een grote overwinning op zichzelf.

LeBlanc schetst tussen de regels door ook een verontrustend beeld van het sociale opvangnet, of het gebrek daaraan, rond meisjes en jonge vrouwen als Jessica en Coco. Jessica moet na haar verblijf in de gevangenis maar zo'n beetje zelf verzinnen hoe ze haar leven indeelt of aan de kost moet komen. Coco brengt honderden troosteloze uren in de gangen en wachtkamers van sociale instellingen door, vergezeld door haar alom aanwezige kinderschare. Omdat ze geen auto heeft is ze aangewezen op het openbaar vervoer, dat maar sporadisch rijdt. Op afspraken met ambtenaren moet ze lang wachten, als ze eenmaal aan de beurt is, staat ze doorgaans vijf minuten later alweer buiten. En daarna begint het lange wachten opnieuw, op een bus. Zo kost een afspraak van vijf minuten een hele dag, weer een dag die haar kinderen niet op school doorbrengen.

In het nawoord van Random Family schrijft LeBlanc: `Mijn beslissing om over Coco te schrijven verbijsterde haar buren, familie en vrienden. Waarom Coco?, werd me keer op keer gevraagd. Er is helemaal niets bijzonders aan Coco, zeiden velen.' In haar prachtige portret van Coco, haar kinderen en haar minnaars bewijst LeBlanc het tegendeel. Haar grote verdienste is dat zij duidelijk heeft gemaakt dat Coco, zo doorsnee in het getto, een hels leven leidt, maar haar best doet tegen alle obstakels in – en dus heel bijzonder is.

Adrian Nicole LeBlanc: Random Family. Love, Drugs, Trouble and Coming of Age in the Bronx. Harper Collins, 408 blz. €31,95

De Nederlandse vertaling verschijnt in maart bij De Arbeiderspers.