`Typisch de taal van Multatuli'

De handschriften van Mutaltuli die in België zijn gevonden werpen geen nieuw licht op de schrijver, maar het briefje laat wel zien hoe goed hij zijn eigen belang behartigde.

Het afgelopen najaar snuffelde Marc Van Lerberghe door de boeken van zijn grootouders. Toen hij een deel opensloeg van Multatuli's Verzamelde Werken, een uitgave van rond de eeuwwisseling, vielen er drie papieren uit. Een dubbelgevouwen briefje en twee lange stroken van aan elkaar geplakte papiertjes.

,,Multatuli werkte al met cut-and-paste'', verklaart Philip Vermoortel de stroken Woutertje Pieterse van bijna een meter lang en ruim een decimeter breed. ,,Als de schrijver niet tevreden was over een tekst, dan knipte hij die eraf, en plakte hij er een nieuw wit vel onder. Dat beschreef hij dan totdat hij weer ergens ontevreden over was en het proces zich herhaalde.'' Tot opluchting van Vermoortel en andere Multatuli-kenners gebruikte de auteur uitstekende lijm. ,,De twee stroken, die bestaan uit vier aaneengeplakte velletjes, zitten nog steeds stevig vast.''

Vermoortel werd benaderd door Van Lerberghe, die op internet naar `Multatuli' had gezocht en zo op de site van het Multatuli Museum was gekomen (www.multatuli -museum.nl). ,,Ik heb kopietjes van de papieren gekregen en het was meteen duidelijk dat het originelen waren. Het handschrift kwam overeen.'' Hans van den Bergh hoeft het handschrift zelfs niet te zien. Na voorlezing van de openingszin van de brief – ,,Geachte Heer Sabbe, Thans my te Antwerpen bevindende, ben ik zoo vry U te vragen of men my te Gent nog gebruiken kan?'' – bromt hij instemmend. ,,Er is maar één schrijver in de negentiende eeuw die op zo'n wijze spreektaal in brieven en andere geschreven teksten gebruikte, en dat is Multatuli.''

Multatuli schreef de brief aan de Gentse student Julius Sabbe (1846-1910) op 19 april 1869 vanuit Hotel du Grand Laboureur in Antwerpen. De toon is, in tegenstelling tot die van een reeds bekende brief van diezelfde dag aan de Antwerpse dichter Julius de Geyter (1830-1905), nogal dwingend. Na het verzoek om te proberen ,,binnen weinige dagen'' een paar optredens te regelen, vervolgt Multatuli: ,,Is het niet te veel gevergd, antwoord per telegraaf te verzoeken? [...] Gy behoeft maar te zeggen: `wacht', of `wacht niet'.''

Sabbe, die Multatuli al eens had ontmoet op een mede door hem georganiseerd `Nederlandsch Taal- en Letterkundig Congres' in 1867 in Gent, heeft de volgende dag waarschijnlijk `wacht' getelegrafeerd, aldus Vermoortel. ,,Op 24, 26 en 27 april 1869 heeft Multatuli namelijk opgetreden, eerst tweemaal in Gent, daarna nog eens in Antwerpen. Zo blijkt uit deze brief en het gevolg ervan, dat Multatuli zijn eigenbelang goed in de gaten hield.''

Hoe de brief en vooral de Ideeën (de handschriften bevatten de Ideeën 1245, 1245a, 1245b en een groot deel van 1246) in het bezit van Van Lerberghe zijn gekomen, is onduidelijk. Wel heeft Vermoortel na raadpleging van Multatuli's Memoriaal – een kasboek waarin de schrijver van alles bijhield – kunnen concluderen dat de bewuste Ideeën tussen 18 augustus en 11 september 1874 zijn geschreven. Een vergelijking met de eerste druk van de zevende bundel Ideeën uit 1877 leverde weinig verschillen op. Vermoortel: ,,Af en toe zijn woorden veranderd of woordvolgordes gewijzigd. Kennelijk schreef Multatuli met vaste hand.''

Brief en handschriften worden officieel aan het Multatuligenootschap overhandigd bij hun jaarvergadering op 6 maart in de bibliotheek van de UvA. Philip Vermoortel zal daar een lezing houden over de vondst. Bovendien zal hij een artikel over de kwestie publiceren in het tijdschrift Over Multatuli, dat rond die tijd verschijnt.