Topman van bank Capitalia moet opstappen

De twee recente financiële schandalen van Italië, Parmalat en Cirio, hebben veel gemeen – niet in de laatste plaats Cesare Geronzi, de topman van Capitalia, de op drie na grootste bank van het land. Capitalia en Banca di Roma, zijn voorganger, hadden nauwe betrekkingen met Calisto Tanzi en Sergio Cragnotti, de mannen die aan het hoofd stonden van respectievelijk Parmalat en Cirio. De banden met deze bedrijven trekken Geronzi's oordeelkundigheid in twijfel en werpen de vraag op of hij niet beter kan opstappen. Dat Capitalia de grootste Italiaanse kredietverlener was van zowel Parmalat als Cirio – voor een totaalbedrag van bijna 500 miljoen euro – is al erg genoeg. Ondanks zijn naam is Capitalia een van de minder goed gekapitaliseerde banken van Italië.

Maar Geronzi's bank verstrekte niet alleen maar slechte leningen. Tanzi, de momenteel in hechtenis zittende oprichter van Parmalat, was tot voor kort een van de bestuursleden van Capitalia. De bank zegt dat Tanzi destijds alom werd gerespecteerd en dat hij nu geen deel meer uitmaakt van het bestuur. Banca di Roma onderhield nauwe betrekkingen met Cirio, het levensmiddelenconcern dat in 2002 zijn schulden niet meer kon aflossen en talloze Italiaanse beleggers met verliezen opzadelde. De bank had tot 2001 een belang van 5 procent in Cragnotti & Partners, een houdstermaatschappij van Cirio. Geronzi was uitvoerend directeur van Banca di Roma toen het belang werd genomen. Capitalia zegt dat de bank vanaf 1999 heeft geprobeerd zich uit Cragnotti & Partners terug te trekken, maar dat Cragnotti het belang niet wilde terugkopen.

De betrekkingen tussen Capitalia en Cirio hebben de aandacht getrokken van de Romeinse justitie, die onderzoekt of er obligaties aan beleggers zijn verkocht om het risico van de bank inzake Cirio te verkleinen. De politie heeft in december huiszoeking gedaan bij Geronzi. Capitalia ontkent de aantijgingen en zegt ,,volledig te goeder trouw'' te hebben gehandeld door te stoppen met de verkoop van de obligaties zodra de bank zich realiseerde dat er een probleem zou kunnen zijn.

De jongste aantijging is dat Capitalia in 1999 bemiddelde bij een transactie ter waarde van 390 miljoen euro tussen Parmalat en Cirio. Cirio nam destijds een melkfabriek over van de lokale overheid van Rome, bracht haar onder bij zijn andere zuivelbelangen en verkocht deze vervolgens aan Parmalat met een winst van 170 miljoen euro. Fausto Tonna, de vroegere financieel directeur van Parmalat, heeft justitie verteld dat het bedrijf tot de overname overging nadat Capitalia had duidelijk gemaakt dat erg graag te willen, aldus la Repubblica. Als deze aantijging op waarheid berust, zou dat de vraag oproepen waarom de bank die transactie zo graag wilde en of het eigenbelang niet de voorrang heeft gekregen boven dat van de klanten. Capitalia had geen direct commentaar op de beschuldiging. Maar zelfs hiermee eindigen de problemen van Geronzi niet. Afgelopen maand werd hij aangeklaagd wegens het verstrekken van valse informatie aan de Italiaanse centrale bank in 1996. Capitalia zegt dat de beschuldigingen ongefundeerd zijn. Geronzi weigerde voor dit artikel geïnterviewd te worden. Geronzi doet noch Italië noch zijn aandeelhouders een plezier door aan te blijven. Ook vóór de schandalen rond Parmalat en Cirio was er al een gebrek aan vertrouwen in de bank. Dat helpt verklaren waarom het aandeel zo slecht heeft gepresteerd – veel slechter dan het gemiddelde van de MIB Historical Banking Index sinds de tweede beursgang in 1997. Capitalia heeft weliswaar de afgelopen anderhalf jaar zijn best gedaan de zaken ten goede te keren, maar dat lijkt grotendeels de verdienste van Matteo Arpe, de uitvoerend directeur die van buiten de bank kwam. Het gunstigste wat men over Geronzi kan zeggen is dat hij over weinig mensenkennis blijkt te beschikken, en dat is voor een bankier een groot probleem. Hij zou moeten opstappen en plaatsmaken voor een onafhankelijke topman van buiten.

Onder redactie van Hugo Dixon.

Voor meer commentaar:

zie www.breakingviews.com.

Vertaling Menno Grootveld.