Publiek-private waterzuivering

Voor het eerst is een waterschap een publiek-private samenwerking met een commercieel bedrijf aangegaan. Ter gelegenheid daarvan schreef de Rotterdamse historicus Jan van den Noort het boek De hand in eigen boezem. Gemeenten, waterschappen, provincie en rijk zitten elkaar al meer dan een eeuw dwars.

Voor het eerst is er een publiek-private samenwerking (PPS) beklonken op het gebied van de waterzuivering in Nederland. Als eerste waterschap gaat het Hoogheemraadschap Delfland in zee met Delfluent, een internationaal consortium waarin Veolia Water, Delta Waterbedrijf, Waterbedrijf Europoort, Heijmans Beton- en Waterbouw, Strukton en de Rabobank participeren. Delfluent gaat afvalwaterzuiveringsinstallaties in de Haagse regio ontwerpen, financieren, bouwen en gedurende dertig jaar beheren. De installatie die in de Harnaschpolder bij Schipluiden wordt gebouwd, is de grootste in Europa.

Doel van deze PPS is een forse kostenbesparing. Volgens de offerte kan Delfluent een installatie ontwerpen, bouwen en beheren die 13,4 procent (215 miljoen euro) minder kost dan wanneer Delfland die zelf zou ontwikkelen en exploiteren. De 1,3 miljoen burgers, die noodgedwongen `klant' zijn bij het waterschap, moeten de lachende derde worden. Een verlaging van de tarieven zal er wel niet inzitten, hopelijk wel een minder sterke verhoging van de rioolrechten.

Dijkgraaf P. Schoute van Delfland heeft moeten praten als Brugman om zijn omgeving te overtuigen van de juistheid én noodzaak van deze gedurfde stap. ,,Wij hebben de moed opgebracht om niet alles zelf beter te weten'', zegt hij desgevraagd. ,,We zijn de markt opgegaan en hebben een uiterst deskundige combinatie van ondernemingen gevonden. Wij stellen daar een maandelijkse honorering tegenover en houden de controle over de kwaliteit.'' Schoute erkent dat zijn waterschap, als het op de oude voet was blijven doorgaan, in de problemen zou zijn gekomen. De aangekondigde strengere Europese richtlijnen voor de verwijdering van stikstofverbindingen uit het afvalwater (vanaf 2006 niet meer dan 10 mg per liter) en de sterke toename van de hoeveelheid afvalwater door de bouw van grote Vinex-locaties en uitbreiding van bedrijventerreinen, hangen als een zwaard van Damocles boven het hoofd van Delfland.

Dijkgraaf Schoute moest zich vooral verweren tegen het verwijt dat het waterschap zijn `kerntaak' verkwanselt. Maar in de ruim zeven eeuwen dat het waterschap bestaat, is het denken over die kerntaak veranderd. Dat blijkt uit het boek dat Delfland heeft laten schrijven om de mijlpaal van de PPS te markeren: De hand in eigen boezem, door de Rotterdamse historicus Jan van den Noort. Het zuiveren van het water is namelijk pas sinds kort een kerntaak. Aanvankelijk zag het waterschap het als zijn belangrijkste taak te zorgen dat de zeewering en de rivierwaterkeringen een veilige bescherming boden en dat het zoet water werd aan- en afgevoerd. Vooral voor de tuinders in het Westland is een tijdige afvoer van overvloedig regenwater en, in droge tijden, aanvoer van voldoende sproeiwater een vereiste.

Tot in de negentiende eeuw voelde het waterschap zich aanvankelijk niet geroepen om de toenemende vervuiling van het oppervlaktewater aan te pakken. Dijkgraaf J. Tak van Poortvliet beweerde in 1890 nog doodleuk dat ,,de zorg voor de openbare gezondheid aan onzen werkkring ten eenenmale vreemd is''. Met de Gemeentewet in de hand – die deze taak aan de gemeenten opdraagt – stelde hij zich op het standpunt dat de waterschappen ,,tot het nemen van daartoe noodige maatregelen niet geroepen en in den regel onbevoegd'' zijn. Het waterschap was er in de negentiende eeuw hooguit toe bereid mee te werken aan het graven van het Ververschingskanaal. Via dit aan de zeezijde van Den Haag gelegen kanaal kon een deel van het af te voeren water rechtstreeks in de Noordzee worden geloosd. Dit in Delft reeds verontreinigde water – zowel bedrijven als woningen loosden op het oppervlaktewater – diende voor de doorspoeling van de grachten in de residentie. Als er te weinig water doorheen stroomde, stroomden de klachten binnen. Zoals het Haagse raadslid H. Siebelts, die in 1921 zijn nood klaagde: ,,Inderdaad, deze zomer was het meer dan erg met de booze geuren, die onze grachten verspreiden. Wat baat het, indien wij schatten uitgeven om het stadsbeeld te verfraaien, hotels aankoopen en exploiteeren, buitengewone drankvergunningen uitgeven om Den Haag te maken tot het middelpunt van internationaal verkeer, indien wij midden in onze bloemenstad de bronnen van malariakoortsen laten bestaan.'' De reactie van de verantwoordelijke wethouder was even veelzeggend: maak je niet druk, ,,voor we een jaar verder zijn zwemmen de forellen in de Haagsche wateren''.

Jan van den Noort maakt overduidelijk dat gedurende de gehele bestudeerde periode – van 1888, toen het Ververschingskanaal werd gegraven, tot 2003 – de verschillende gemeenten en waterschappen, de provincie en de rijksoverheid elkaar willens en wetens hebben dwarsgezeten. Het beleid was kortzichtig en volledig gericht op de eigen, vooral financiële belangen; het doorschuiven van de problemen naar het territorium van de buurman werd als de beste oplossing gezien. Er was ofwel een calamiteit ofwel een oekaze van een hoger bestuursorgaan nodig voordat de verschillende bestuurlijke instanties de problemen die sluipenderwijs de waterkwaliteit waren gaan beïnvloeden, werkelijk gingen aanpakken.

Dankzij de treffende citaten, de vele afbeeldingen en de mooie opmaak is De hand in eigen boezem een genoegen om te lezen. De historische feiten die Van den Noort bekwaam tot een logisch geheel smeedt, maken het verklaarbaar dat Delfluent 215 miljoen euro minder nodig heeft om de waterzuiveringsinstallatie in Schipluiden te bouwen dan wanneer het waterschap dat zelf zou doen. Wie argumenten zoekt voor deregulering en privatisering hoeft in het boek niet ver te zoeken. Dat het contract tussen Delfland en Delfluent zeshonderd pagina's telt, laat echter zien dat de bureaucraten zich niet zo snel gewonnen geven.

J. van den Noort: De hand in eigen boezem. Waterkwaliteit in het Hoogheemraadschap van Delfland 1888-2003, uitg. Verloren, Hilversum, 2003, 200 blz., €25, ISBN 90 6550 778 7.