Het old boys-netwerk bestaat allang niet meer

In weerwil van wat Morris Tabaksblat ons wil doen geloven is het juist door het uiteenvallen van het old boys-netwerk mogelijk geworden dat zelfverrijking wordt getolereerd in de bestuurskamers van beursgenoteerde bedrijven, betogen Meindert Fennema en Eelke Heemskerk.

De sterke stijging van de beloning voor topbestuurders in het bedrijfsleven is – met de toenemende openheid – sinds enige jaren onderwerp van discussie. De nieuwe code voor behoorlijk bedrijfsbestuur, de code Tabaksblat, zal hier weinig aan veranderen. Diegenen die de topinkomens incasseren verdedigen zich door er op te wijzen dat vanwege de internationale arbeidsmarkt een marktconforme bezoldiging noodzakelijk is. Aan de hand van een vergelijking met een kleine groep concurrenten wordt de beloning aldus bepaald – de zogenoemde peer review.

Zo liet de top van bankverzekeraar ING recent weten een salarisverhoging van 60 procent te willen doorvoeren, aangezien ze achter zouden lopen bij hun Europese concurrenten. Een dergelijke redenering leidt uiteraard tot een wedstrijd: wie heeft het hoogste topinkomen. Immers, als ING zijn salaris verhoogt, stijgt het gemiddelde waarop de concurrenten hun bezoldiging weer zullen verhogen enzovoort.

Toch heeft deze redenering buiten zijn self fulfilling prophesy maar gedeeltelijk een band met de werkelijkheid. In Europa nemen de Nederlandse bedrijfsbestuurders qua inkomen een middenpositie in. Geen reden dus om moord en brand te schreeuwen over de salarisachterstand die de Nederlandse bestuurders zouden hebben. De nogal grote willekeur in het kiezen van de toetssteen leidt er bovendien toe dat nauwelijks over een werkelijk marktconform salaris kan worden gesproken.

Maar er is wel een ander verband. Met de toestroom van buitenlandse bestuurders veranderen ook de mores van de bestuurskamer. De top van de Nederlandse beursreuzen bestaat amper nog voor de helft uit Nederlanders. De toegenomen bezoldiging van bestuurders is één in het oog springend gevolg van deze import. Er kunnen zo grote verschillen binnen een bestuur ontstaan, zoals bij verzekeraar Aegon, waar in 2001 het Amerikaanse bestuurslid tweemaal zoveel verdiende als zijn Nederlandse voorzitter.

De bezoldiging van bestuurders wordt nog steeds vastgesteld door de commissarissen van het bedrijf, die zelf vaak elders deel uitmaken van het bedrijfsbestuur. Bestuurders en toezichthouders zijn een moeilijk te scheiden en hecht vervlochten groep, en het is deze autonome positie van de bestuurders die de zelfverrijking mogelijk maakt. In het relatief gesloten bestuur, waar managers steeds vaker bezig zijn met miljardenovernames en de nadruk sterk ligt op het toevoegen van waarde aan het bedrijf, neemt de realiteitszin van de bestuurders af. In Nederland is voormalig Ahold-voorzitter Cees van der Hoeven daarvan het beste voorbeeld, in Duitsland is er Klaus Esser en in de Verenigde Staten Bernard Ebbers. Toezichthouders en bestuurders van de grotere bedrijven houden elkaar de hand boven het hoofd. ,,Je ziet steeds dezelfde hoofden achter de tafel'', zegt Morris Tabaksblat. ,,Zoveel kruisverbanden in zo'n klein clubje, dat is niet goed.'' (NRC Handelsblad, 28 december 2003).

En zo krijgt het vermaarde old boys-netwerk de schuld van de exhibitionistische zelfverrijking van de topbestuurders. In de verantwoording van de code schrijft Tabaksblat dan ook dat één van zijn voorstellen, de maximalisering van het aantal functies per persoon, niet zoveel van doen heeft met het grote tijdsbeslag maar er vooral op gericht is bedrijven te prikkelen buiten de kleine kring van het old boys-netwerk bestuurders te rekruteren. De SER sprak zich eerder al uit voor het opnemen van toezichthouders namens specifieke stakeholders. Maar heeft de benoeming van Wim Kok of wijlen Johan Stekelenburg dan enige invloed gehad op het binnen de perken houden van het salaris van de ING-top? In het geheel niet.

Het old boys-netwerk was in feite een veel betere rem op zelfverrijking waar het de bezoldiging van topbestuurders betrof. Bij old boys moet men dan denken aan telgen uit vooraanstaande families die elkaar vaak al kennen van een gemeenschappelijke schoolloopbaan of uit het Leidse studentencorps. Maar een dergelijk netwerk bestaat allang niet meer. Het Nederlandse bedrijfsleven wordt niet meer bestuurd door een kleine groep mannen die uit een wat grotere groep vooraanstaande families wordt gerekruteerd. Van Eeghen, Van der Wall Bake, Röell, Fockema Andreae, De Monchy en Van Hoboken, telgen van deze families die tot 1960 het netwerk beheersten, zijn verleden tijd. Adel en patriciaat zijn uit de bestuurskamers zo goed als verdreven. Er heerst allang geen ons-kent-ons-mentaliteit meer die het vroegere bedrijfsbestuur wél kenmerkte.

Uit ons onderzoek naar dubbelfuncties in het Nederlandse bedrijfsleven blijkt bovendien dat in de afgelopen 25 jaar de dichtheid en samenhang in het netwerk van bestuurders en commissarissen sterk is afgenomen. De topbestuurders komen elkaar steeds minder vaak tegen in de bestuurskamers. De raden zijn kleiner geworden, het aantal posities per persoon is al sterk gedaald. Terwijl de samenhang in het netwerk sterk afneemt, zien we de beloning en bonussen van topbestuurders stijgen. Tussen 1996 en 2002 stegen de inkomens van topbestuurders met bijna 100 procent. Toen de old boys het nog voor het zeggen hadden, werd een zo exorbitante zelfverrijking niet getolereerd. Het old boys-netwerk zelf fungeerde als onderdeel van de checks and balances die een fatsoenlijk bedrijfsbestuur nodig heeft.

Men hield elkaar scherp in de gaten en niemand wilde in de ogen van zijn aristocratische gelijken een op geld beluste parvenu lijken. De relatie tussen het old boys-netwerk en zelfverrijking is omgekeerd aan wat Morris Tabaksblat ons wil doen geloven. Juist door het uiteenvallen van dit netwerk is het mogelijk dat zelfverrijking getolereerd wordt. Er is inmiddels een nieuwe klasse ontstaan die zich in toenemende mate, ook in fysieke zin, afschermt van de rest van de samenleving. Een klasse ook die veel minder dan de oud-geld-elite is georiënteerd op het in stand houden van een civic community, omdat zij veel kosmopolitischer is, veel minder plaatsgebonden. Het idee om van generatie op generatie in hetzelfde huis te wonen, met dezelfde verantwoordelijkheid jegens de lokale gemeenschap, is haar vreemd. Zij wonen graag in belastingparadijzen en liefst op een eiland waar alleen maar andere rijken wonen. Deze ontwikkeling wordt versterkt door een meritocratische ideologie: wie geslaagd is, heeft dat uitsluitend aan zichzelf te danken. Het ontbreekt deze klasse van nieuwe rijken aan het besef dat zij de gemeenschap iets verschuldigd is; dat haar privileges niet alleen maar het resultaat zijn van de eigen voortreffelijkheid. ,,Their snobbery lacks the acknowledgement of reciprocal obligations between the favoured few and the multitude'', schreef Christopher Lasch over de klasse van nieuwe rijken in Amerika.

Ook in Nederland lijkt het maatschappelijke verantwoordelijkheidsbesef van de nieuwe rijken minder groot. In zijn recente boekje over het new boys-netwerk schetst onderzoeker Jos van Hezewijk een aardig beeld van delen van deze nouveaux riches. Die nieuw geld-elite is niet meer geworteld in een traditionele gemeenschap waarin ook verticale loyaliteiten bestaan. De meeste nieuwe rijken laten zich aan de lokale of nationale gemeenschap maar weinig gelegen liggen. De privé-bewaking die Roel Pieper voorstaat, is symbolisch voor de wijze waarop de nieuwe rijken tegenover de lokale gemeenschap staan: met het geweer aan de voet. Ook in de woonomgeving van de traditionele elites wordt die nieuwe klasse zichtbaar: hoe nieuwer het geld, hoe hoger de hekken.

De voorstellen van de commissie-Tabaksblat hebben weinig van doen met deze teloorgang van de waarden in de bedrijfsgemeenschap. De voorstellen die persoonlijk betrekking hebben op bestuurders en toezichthouders zijn of geschrapt, of volledig uitgehold. De eenzijdige aandacht op het aantal commissariaten van bestuurders – het netwerk – doet bovendien geen recht aan de taken van de bestuurders, noch aan de werking van het bedrijfsbestuur. De toegevoegde waarde van bestuurders zit naast de expertise voor een belangrijk gedeelte in het netwerk. De felbegeerde best practices worden doorgegeven en overgenomen via dubbelfunctionarissen. Ook gebruiken commissarissen in voorkomende gevallen hun dubbelfuncties om te polsen en te bemiddelen bij (gedeeltelijke) overnames. Bovendien wordt via het netwerk van dubbelfuncties de meningsvorming over zaken die iedereen aangaan (zoals beschermingsconstructies en beloningen) gestuurd. Ook in het bedrijfsleven is consensusvorming van groot belang.

Het is dan ook niet juist om bestuursnetwerken als het grote kwaad te zien. Er kan ook een zelfsturende kracht van uitgaan. Het zijn uiteindelijk de bestuurders en toezichthouders zelf die zich – ten opzichte van al hun stakeholders – verantwoordelijk dienen te gedragen. Zij doen dat het best als zij als groep zelf beschikken over normen en waarden die exhibitionistische zelfverrijking verhinderen. De huidige code biedt hier weinig soelaas voor. En het opnemen van nieuwe commissarissen uit PvdA-hoek blijkbaar ook niet.

Meindert Fennema is als hoogleraar verbonden aan de afdeling politicologie van de Universiteit van Amsterdam. Hij promoveerde op het proefschrift `International Networks of Banks and Industry' (1982).

Eelke Heemskerk doet promotieonderzoek naar de bedrijfsgemeenschap in Nederland aan de Amsterdamse School voor Sociaal Wetenschappelijk Onderzoek van diezelfde universiteit.