EZ-baas: desnoods kopgroep voor herstel groei EU

Herstel van het groeivermogen van de Europese economie is alleen mogelijk als de lidstaten van de Europese Unie hun economische beleid beter op elkaar afstemmen. Als het hervormingstempo te laag blijft, moet Nederland desnoods het voortouw nemen om een `kopgroep' van lidstaten te vormen die cruciale economische hervormingen doorvoeren.

Dat stelt J.W. Oosterwijk, secretaris-generaal van het ministerie van Economische Zaken en voorzitter van het Economic Policy Committee van de Europese Unie, in zijn traditionele nieuwjaarsartikel in het economentijdschrift ESB. De lidstaten van de Europese Unie laten op terreinen als fiscaliteit, innovatie en ondernemingsbestuur hun nationale belangen te veel prevaleren boven het gezamenlijke Europese belang, zo vindt Oosterwijk. Deze terreinen hebben inmiddels een sterke internationale dimensie gekregen, waardoor vasthouden aan nationale regelingen ten koste gaat van de economische groei.

De secretaris-generaal voorziet dat de Europese Unie de zogenoemde Lissabon-doelstelling om in 2010 ,,de meest concurrerende dynamische kenniseconomie van de wereld'' te worden, niet zal halen wanneer de lidstaten hun economisch beleid niet beter coördineren. Volgens Oosterwijk staat beter afstemmen van beleid de concurrentie tussen lidstaten niet in de weg. Zo zijn volgens hem studenten beter in staat universiteiten te vergelijken door invoering van het bachelor-masterstelsel in heel Europa.

Een voorbeeld van een terrein waarop volgens hem meer afstemming noodzakelijk is, is de vennootschapsbelasting. Het is voor bedrijven kostbaar om te ondernemen in één markt met 15 en binnenkort 25 verschillende stelsels voor vennootschapsbelasting. ,,Grondslagharmonisatie zou derhalve moeten worden overwogen, wat de concurrentie tussen overheden op tarieven zal bevorderen'', zo schrijft hij.

Op andere terreinen gaat de Europese beleidscoördinatie volgens Oosterwijk juist te ver. Om de arbeidsparticipatie te verbeteren, hebben de EU-lidstaten afgesproken om ,,voor 2010 te voorzien in kinderopvang voor ten minste 90 procent van de kinderen tussen drie jaar en de leerplichtige leeftijd en voor ten minste 33 procent van de kinderen onder drie jaar''. Een ,,veel te gedetailleerde afspraak'', zo vindt Oosterwijk.

Niet alleen de afstemming van het beleid, maar ook de naleving van in Europees verband gemaakte afspraken moet volgens Oosterwijk verbeteren: ,,De recente schending van de regels van het Stabiliteits- en Groeipact heeft duidelijk gemaakt dat de rol van de communautaire instellingen, in het bijzonder de Europese Commissie en het Hof van Justitie, moet worden versterkt''. Beoordeling van de economische inspanningen van de lidstaten door ,,een onafhankelijk Europees instituut, à la het CPB'', evenals peer pressure van andere lidstaten, zou daarbij kunnen helpen, meent hij.