Behandel Irak-militair als agent

Na het schietincident met fatale afloop in Irak, heeft het OM het ten onrechte doen voorkomen dat militairen op één lijn met criminelen staan, betogen Paul Ducheine en Terry Gill.

Hoe moet het openbaar ministerie omgaan met militairen die voor de uitvoering van hun opdracht geweld hebben gebruikt waarbij slachtoffers vallen? Hoewel schietincidenten met fatale afloop tot nu toe als hypothetisch werden afgedaan, bewijst de praktijk in Irak anders. De oplossing voor dit probleem ligt al klaar. Het OM moet op zijn minst de bescherming bieden die de regeling voor de politie ook biedt. ,,Een politieambtenaar die geweld heeft gebruikt, wordt niet meteen als verdachte aangemerkt. Er moet uitgegaan worden van een gelegitimeerd gebruik van de geweldsbevoegdheid. Pas als daar gerede twijfel over bestaat, moet hij als verdachte worden aangemerkt'', aldus de `Instructie positie politiefunctionaris bij geweldsaanwending' van het College van procureurs-generaal.

In de verklaring van 2 januari maakt het OM bekend dat een 43-jarige militair verdacht wordt van moord, doodslag dan wel dood door schuld wegens het doden van een Irakees op 27 december 2003. ,,Deze ruime verdenking houdt in dat het verdere onderzoek meer duidelijkheid moet geven over de juiste toedracht van het schietincident'', aldus het OM. Gelet op deze verklaring oogt het nu alsof militairen – hoewel het onderzoek nog in volle gang is – op één rij met criminelen komen te staan. Beter was het geweest dit onderzoek eerst te hebben afgewacht. Dat had schade kunnen voorkomen.

In de NOVA-uitzending van 5 januari noemde procureur-generaal De Wijkerslooth de rol van de Nederlandse militairen in Irak er een die ,,erg op een politietaak'' lijkt. Hoewel de taak van de militairen in Irak – eufemistisch uitgedrukt – ,,wat complexer'' is, biedt de politietaak in Nederland aanknopingspunten voor de bejegening van militairen die functioneel geweld hebben aangewend.

Tot 2000 werd een politieagent – zoals dat voor militairen nu nog steeds geldt – na een schietincident automatisch als verdachte aangeduid. Hoewel er, zowel voor het OM als voor de verdachte, juridisch-technische voordelen verbonden zijn aan het kwalificeren als verdachte, waren het argumenten van meer emotionele aard die reeds in 2000 tot een beleidswijzing voor politiepersoneel hebben geleid. ,,Het kan immers niet de bedoeling zijn dat de ambtenaar die is uitgerust met de bevoegdheid geweld te mogen aanwenden en die daarvan gebruik heeft gemaakt, zich bij voorbaat in termen van het strafrecht dient te verantwoorden [...]'', aldus verwoordt de instructie van het college de belangrijkste overweging. Sindsdien geldt de regel dat de politieagent die functioneel geweld heeft toegepast, niet langer meteen als verdachte wordt bejegend tijdens het onderzoek door de rijksrecherche. Volgens de instructie moet eerst worden onderzocht of overeenkomstig de ambtsinstructie is gehandeld en of sprake is van een (andere) strafuitsluitingsgrond. Pas indien daar gerede twijfel over bestaat, wordt de politiefunctionaris aangemerkt als verdachte.

Toegepast op militairen – hoewel dezen doorgaans onder zwaardere omstandigheden opereren – zouden het OM en de marechaussee allereerst aan de hand van de geldende geweldsinstructie moeten beoordelen of (dodelijk) geweld toegepast had mogen worden. Zo'n geweldsinstructie – die als de strafuitsluitingsgrond `wettelijk voorschrift' kan gelden – staat niet slechts bij (levens)gevaar voor Nederlandse militairen geweld toe, maar voorziet ook in de bescherming van niet-militairen en/of bepaalde categorieën goederen of het lossen van waarschuwingsschoten. Daarbij zijn de waarneming, ervaringen en analyse van de militair in de omstandigheden van dat moment het vertrekpunt. Ook is het zaak na te gaan welke andere opdrachten en instructies aan de militairen verstrekt zijn. Dit kan van belang zijn voor het geval een militair – achteraf ten onrechte – aannam dat hij wel bevoegd was geweld te gebruiken.

Het is niet de geweldsinstructie zelf die dit soort situaties complex maakt zoals wel door enkele militaire bonden is betoogd. Het is vooral de weerbarstigheid van de praktijk waarin deze geweldsinstructie wordt toegepast. Deze praktijk kenmerkt zich door extreme, on-Nederlandse en niet alledaagse omstandigheden zoals: de noodzaak tot actie onder tijdsdruk; dreiging; gevaar; stress; angst; stof; chaos; fysieke ongemakken; maar vooral ook de fog of war (Von Clausewitz).

Het past dan ook om met de nodige reserve en vooral zorgvuldigheid – vanuit een Nederlandse bureaustoel – militair geweldgebruik te beoordelen. De instructie van het college biedt aanknopingspunten voor de vereiste zorgvuldigheid en doet recht aan de professionele integriteit van militairen.

Mr.drs. P. Ducheine en prof.dr. T. Gill zijn verbonden aan de leerstoel Militair Recht van de Universiteit van Amsterdam.