Ziekelijke drang tot politieke vernieuwing

De roep om directe democratie is misleidend. Hierachter schuilen gevaarlijke opvattingen over `democratie', vindt Bart Tromp.

Mede als gevolg van de opkomst en ondergang van Pim Fortuyn is het in Nederland bon ton onder politici, publicisten en andere spraakmakers geworden te beweren dat de politieke democratie in Nederland alleen door middel van fundamentele wijzigingen van het politieke bestel kan worden gered. Zoals gebruikelijk bij massawaan ontbreekt het hiervoor aan behoorlijke argumenten, want `iedereen weet' dit toch. Inmiddels is deze massawaan al verheven tot regeringspolitiek, getuige onder andere de voorstellen tot invoering van een eenhoofdig gemeentebestuur (misleidend gepresenteerd als `de gekozen burgemeester') en wijziging van het kiesstelsel.

Deze en andere voorstellen tot `politieke vernieuwing' – wijselijk spreken voorstanders nooit van `politieke verbetering' – zoals de gekozen minister-president, houden steevast staatkundige wijzigingen in waarbij de elementen van representatieve democratie worden ingeleverd voor vormen van plebiscitaire democratie. Plebiscitaire democratie houdt simpel gezegd in dat men een persoon kiest die vervolgens tot de volgende verkiezingen zijn of haar gang kan gaan, ongehinderd door een vertegenwoordigend lichaam waaraan hij of zij tussentijds verantwoording schuldig is.

De voorstanders van deze procedure noemen dit `directe democratie'. Dat is grove misleiding. Directe democratie bestaat eruit dat leden van een politieke gemeenschap gelijkberechtigd, rechtstreeks en daadwerkelijk deelnemen aan menings- en besluitvorming. Dat is heel wat anders dan één keer in de zoveel jaar een knop op een stemmachine indrukken. In feite gaat het bij plebiscitaire democratie om niets anders dan een mechanisme om formele democratische legitimiteit te verwerven ten koste van inhoudelijke democratie.

In een `directe' democratie, naar het voorbeeld van de klassieke Griekse stadsstaten, zouden politieke ambtsdragers, volgens Aristoteles, niet gekozen worden maar aangewezen door het lot. Kiezen is een aristocratisch uitgangspunt, want dit heeft alleen zin als men ervan uitgaat dat sommigen meer geschikt zijn om te besturen dan anderen.

Dit uitgangspunt is het fundament van de representatieve democratie, de enige vorm van democratie die mogelijk is in politieke gemeenschappen die groter zijn dan enkele duizenden leden. In zo'n grotere politieke gemeenschap bestaat er per definitie een `kloof' tussen kiezers en gekozenen, in de zin dat deze niet identiek kunnen zijn. Het aanhoudende gezeur daarover in politiek en media is daarom niet alleen demagogie maar ontloopt ook de vraag hoe vertegenwoordigende democratie het beste vorm kan krijgen. Toch is dat het thema waar het in een serieus debat over verbetering van de politieke democratie om zou moeten gaan.

De `politieke vernieuwingen' waar nu sprake van is, betreffen louter en alleen wijzigingen in de staatkundige structuur in plebiscitaire richting. Zulke wijzigingen worden voorgesteld als een adequaat antwoord op problemen in het functioneren van de huidige Nederlandse democratie. Noch zijn deze problemen door de vernieuwers ooit helder onder woorden gebracht, noch hebben zij aannemelijk gemaakt dat de door hen benoemde echte of vermeende tekorten van de bestaande democratie dankzij zulke staatkundige wijzigingen worden opgeheven.

Het is echter betrekkelijk simpel na te gaan of de verwachtingen ten aanzien van zulke staatkundige wijzigingen werkelijkheid zullen worden. Daar is meer dan genoeg politiek-wetenschappelijk onderzoek over beschikbaar. Dit wordt door politici en de door hen gestuurde ambtenaren echter systematisch genegeerd, waarschijnlijk omdat dit uitwijst dat die `vernieuwingen' er niet toe doen of zelfs averechts werken, of het nu om de zogenaamde `gekozen burgemeester' gaat, dan wel om een nieuw kiesstelsel. Tegen de nu circulerende vernieuwingsvoorstellen pleiten twee belangrijke argumenten.

Ze bieden allereerst geen enkel soelaas voor de wezenlijke problemen van de Nederlandse democratie. Deze bestaan er vooral uit dat grote politieke partijen als gevolg van `ontideologisering' vóór de verkiezingen geen duidelijk stelling kiezen, maar ná de verkiezingen vaststellen met welke andere partij ze op basis van een dan pas opgesteld programma zullen regeren. Zo wordt de kiezer keer op keer buiten spel gezet.

Deze opstelling heeft echter veel te maken met de aanpassing van politici en politieke partijen aan een `medialogica' waarin de electorale aantrekkingskracht van partijen afhankelijk is geworden van de mate waarin hun hoofdmannen en vertegenwoordigers in televisieprogramma's `scoren'. Waar televisie het voornaamste medium voor de relatie tussen burger en politiek is geworden, ligt hier een grote bedreiging voor de politieke democratie. Aangezien politieke problemen, net als problemen in andere maatschappelijk domeinen, niet in `oneliners' kunnen worden besproken en opgelost, leidt de voortgaande aanpassing aan deze `medialogica' door politici onvermijdelijk tot het ontstaan van een façade-democratie, waarin de werkelijke menings- en besluitvorming tot stand komt buiten het bereik van de camera's en de openbaarheid.

De staatkundige 'vernieuwingen' waarover het nu gaat, bieden echter niet alleen geen enkele verbetering ten opzichte van de echte problemen van de Nederlandse democratie. Zij verergeren deze juist en ondermijnen de bestaande representatieve democratie. Het is treurig dat in de Tweede Kamer bij het recente debat over de gekozen burgemeester het principiële verschil tussen vertegenwoordigende en plebiscitaire democratie niet aan de orde kwam. Maar dit was wellicht een consequentie van het gebrek aan staatsrechtelijke kennis en standvastigheid in de volksvertegenwoordiging, naast opportunisme veroorzaakt door de toetreding van te veel politiek onervaren nieuwkomers.

De langzamerhand ziekelijke drang tot politieke `vernieuwing' door middel van staatkundige veranderingen is daarnaast in twee opzichten opmerkelijk. De eerste is dat ze wordt nagestreefd door democratie geen kans te geven. Het huidige kabinet besloot ertoe ná de verkiezingen, en wil ze invoeren vóór de volgende. Om een oordeel van de kiezer te ontlopen zijn de voorstellen dan ook zó geformuleerd dat een wijziging van de grondwet niet nodig is.

In de tweede plaats valt op de vastbeslotenheid om niets te willen leren van het verleden. Onder een vorig, `paars', kabinet werd besloten tot een fundamentele staatkundige wijziging van het gemeentebestuur, `dualisering'. Het besluit werd door het kabinet genomen voordat het een commissie instelde om de mogelijkheden daartoe te onderzoeken. De Tweede Kamer stemde zonder veel kanttekeningen in met het uiteindelijke wetsvoorstel. Een paar jaar na invoering van deze staatkundige wijziging lijdt het weinig twijfel dat deze ten koste is gegaan van de gemeentelijke democratie en allesbehalve werkt zoals bedoeld. Ik bespeur echter geen enkele neiging bij regering en parlement om in alle ernst na te gaan of deze politieke `vernieuwing' heeft opgeleverd wat er de bedoeling van was. Liever stort men zich blind op de volgende `vernieuwing'.

In plaats van steeds maar weer over dezelfde onberaden voorstellen tot zogenaamde `politieke vernieuwing' in staatkundige zin te praten, is het nodig dat de Nederlandse politiek zich beraadt over de mogelijkheden om, ondanks de dominantie van medialogica, de vertegenwoordigende democratie beter en sterker gestalte te geven.

Bart Tromp is onder andere redacteur van het Jaarboek voor het democratisch socialisme. Dit artikel is gebaseerd op zijn bijdrage aan deel 24 :Politieke partijen op drift.