Visie op musea is aan herziening toe

Nu het rijk meebetaalt aan de verbouwing van het Stedelijk Museum, moet ook voor andere niet-rijksmusea steun uit de schatkist mogelijk worden, betoogt Kees van Twist.

De naam zegt het al: het Stedelijk Museum is geen Rijksmuseum, kan dus niet bogen op financiële ondersteuning van de overheid en toch heeft de Tweede Kamer eind vorig jaar bedongen dat het rijk meebetaalt aan de verbouwing van het Stedelijk Museum in Amsterdam.

De opstelling van de Kamer roept twee vragen op: waarom zou het rijk bijvoorbeeld ook niet meebetalen aan de verbouwing van het Museum Boymans van Beuningen in Rotterdam of het Van Abbe Museum in Eindhoven? En: wanneer is een museum van zodanige betekenis dat Den Haag er verantwoordelijk voor is en wanneer ligt de verantwordelijkheid voor een museum bij gemeenten of provincies?

Het begrip `rijks'museum stamt uit de periode na de afscheiding van België (1839), toen in Nederland grote behoefte bestond aan versterking van de nationale identiteit. Een methode van de rijksoverheid om zich in dat opzicht cultureel te manifesteren was haar bemoeienis met de musea. In het ontstaan en de inrichting van het Rijksmuseum in Amsterdam werd de Nederlandse culturele identiteit weerspiegeld zoals dat in veel historische musea uit die tijd gebeurde. (Het vingerkootje van Van Speyck op sterk water).

Na de Tweede Wereldoorlog is het aantal rijksmusea uitgebreid met zes musea, waaronder het Zuiderzeemuseum, het Van Goghmuseum en het Amsterdams Scheepvaartmuseum.

Pas eind jaren '80 besloot de politiek dat het niet meer van deze tijd was om zich op een dergelijke indringende manier met musea te bemoeien en werd begin jaren '90 besloten tot verzelfstandiging. Maar in feite is sprake van een halve verzelfstandiging, want nog veel lasten en verantwoordelijkheden, waaronder de gebouwen en de collecties, zijn bij het rijk gebleven. Ook hebben de rijksmusea nog steeds een eigen museumvereniging, de Vereniging van de Voormalige Rijksmusea, naast de Nederlandse Museumvereniging, de belangenvereniging van álle musea in ons land.

Bij de verzelfstandigingsoperatie van de rijksmusea is het debat over de rol en verantwoordelijkheid van de verschillende overheden, rijk, provincies en gemeenten ten opzichte van deze musea niet gevoerd. Die kans doet zich nu voor. Nu het rijk gaat bijdragen aan de verbouwing van het Stedelijk Museum heeft staatssecretaris Van der Laan (Cultuur) een prima uitgangspunt in handen om een nieuwe landelijke museumvisie te ontwikkelen. Dan kan zij goed maken wat haar voorganger Rick van der Ploeg ruim twee jaar geleden naliet toen hij de Kamer een brief stuurde waarin hij wel inging op de toekomst van de musea, welke rol ze in de samenleving moeten spelen en hoe nieuwe doelgroepen bereikt zouden kunnen worden, maar geen aandacht besteedde aan de vraag naar de rol en de verantwoordelijkheid van de verschillende overheden.

Onder ogen durven zien welke musea wel en niet kunnen terugvallen op de financiële steun van het rijk dwingt alle musea ertoe na te denken over vragen als: waarom bestaan wij, voor wie doen wij het en welke betekenis hebben wij? Dan is er de vraag: is het een museum voor het bewaren van de geschiedenis van het dorp, de kunst uit de regio of heeft het museum een landelijke of zelfs internationale betekenis?

Voor de subsidiegevende partijen, landelijk, provinciaal en gemeentelijk, geldt een soortgelijke exercitie om vast te stellen wie welke verantwoordelijkheid voor een museum neemt en hoe hoog de verwachtingen en de ambitie dan mogen zijn. Het rijk behoort andere criteria te stellen dan de provincies, en gemeenten hebben weer andere ambities dan provincies. Door de musea te waarderen naar de geografische betekenis die ze hebben, landelijk, regionaal of plaatselijk, wordt richting gegeven aan een beoordelingscriterium in welke mate een museum een beroep kan doen op steun en bij welke overheid.

Wat betekent bijvoorbeeld het Rijksmuseum in Amsterdam voor de gemeente Amsterdam en in welke verhouding komt dat tot uitdrukking in de financiële bijdrage van de gemeente Amsterdam aan het Rijksmuseum?

Rechtvaardigt de collectie van het Stedelijk Museum, die door vriend en vijand van het Stedelijk van grote (inter)nationale betekenis wordt gevonden en waaruit vele Nederlandse kunstmusea putten, niet een structurele, materiële betrokkenheid van de landelijke overheid bij dit museum? Maar zijn dan de tentoonstellingen van het Stedelijk Museum wel van een zodanig niveau dat ze rijkssteun rechtvaardigen of zijn de tentoonstellingen slechts van plaatselijk belang en dient de financiering ervan de zorg van de gemeente Amsterdam te blijven?

Het zal een complexe operatie zijn, maar het zal musea helderheid verschaffen over de verantwoordelijkheden van de overheden wanneer onderscheid gemaakt wordt tussen collecties: nationaal, regionaal of lokaal. Hetzelfde geldt voor de ambities en de verwachtingen ten aanzien van de tentoonstellingen van de musea. Zo zou het Groninger Museum met zijn grote internationaal befaamde tentoonstellingen ook bij het rijk moeten kunnen aankloppen. Anderzijds rechtvaardigt de beoordeling van de collecties dat het Groninger Museum primair een zorg is van de provincie en de gemeente Groningen.

De hele operatie zal ertoe leiden dat in principe alle Nederlandse musea bij het rijk kunnen aankloppen. Maar in de praktijk zal blijken dat slechts een beperkt aantal aan de criteria van `nationale' betekenis wat betreft collectie of tentoonstellingen kan voldoen. Wel zal de willekeur waarmee ooit de rijksmusea zijn ontstaan verdwijnen en wordt recht gedaan aan de collecties, presentaties en wetenschappelijk onderzoek van alle musea. Zo kan de incidentele gift aan het Stedelijk Museum uitgroeien tot heus overheidsbeleid.

Kees van Twist is directeur van het Groninger Museum.