Verdwaalde sok

Het idee dat kunst verontrustend moet zijn is al gauw zo'n vijftig, of misschien wel tachtig jaar oud. Het is altijd enthousiast beleden door wie niet wilde kijken en niet kon voelen, maar toch wel eens iets wou zeggen over kunst. Het klinkt progressief, en bovendien is het veel makkelijker vast te stellen of iets verontrustend is dan goed of mooi. Elke houten klaas kan erbij.

Dezer dagen werd het voor de zoveelste keer uit zijn graf gehaald door een kunstproject – u hebt erover gelezen – waarbij een officieel uitziend enquêteformulier aan 200.000 Amsterdammers werd gestuurd. Het ging over illegalen. Op strenge toon werd gevraagd of men bereid zou zijn die aan te geven bij de politie. De bedenkers van dit plan, een schoolvoorbeeld van een practical joke, orakelden over een `onderzoek naar illegalen' (onderzoek is ook zo'n toverwoord in de moderne kunst). Maar volgens collega-NRC-columnist Anil Ramdas, die er als directeur van een cultureel centrum mee te maken had, ging het erom ons gemoed te tarten – althans, dat van de geadresseerden, neem ik aan – om het illegalenprobleem ,,daadwerkelijk te ervaren''. Al die lafaards hebben misschien wel een mening maar – maar wat? Het is ver weg voor ze, dat is zo erg. Ramdas weet wat mensen denken.

Het leukst was zijn uitspraak dat de ergernis en woede van de ontvangers ,,deel uitmaakten van het project''. Zo zie je maar weer hoe weinig er in een cultuur verloren gaat. Het aloude ik beledig jou, en als je boos wordt is mijn kunstwerk geslaagd spreekt steeds opnieuw tot de verbeelding, en heus niet alleen van kunstwethouders diep in de provincie.

De kunstenaar die het plan bedacht had, grafisch ontwerper van huis uit, kon het allemaal ook niet helpen. Hij is nu eenmaal ,,gefascineerd door formulieren''. (Het woord gefascineerd is altijd een goede aanwijzing dat je een tekst over kunst niet hoeft uit te lezen: het gaat steevast over derderangs ideeën).

Er was nog zo'n nostalgisch item dat veel aandacht kreeg in de dikke jaarwisselingskranten: een Huis van de Toekomst, opengesteld in Amsterdams eigen wijk van de toekomst, namelijk Zuidoost, vlakbij meubelparadijs Villa Arena. Voor elf euro mag het publiek er gaan kijken wat de toekomst zal brengen, tenminste in het weekend: door de week ontplooit het bedrijfsleven er onduidelijke activiteiten.

Huizen van de toekomst, hoe lang bestaan die nu al niet? Anderhalve eeuw, twee? Vroeger waren het woonkazernes met centrale keukens en stofzuiginstallaties: o zo efficiënt. De toekomst zelf wist wel beter. Of er waren gadgets, zoals op de wereldtentoonstelling van 1851, waar men zich kon vergapen aan het automatische wekkerbed, dat de slaper op het gewenste tijdstip uit zichzelf gooide. De laatste jaren zijn het meestal computergestuurde ijskasten, die melden als de melk of de boter op zijn – vooral geschikt voor de blinde medemens, zou je zeggen.

En alle kranten beschreven, als een indrukwekkende vooruitgang, de wasmachine die waarschuwt dat er een rode sok tussen de witte overhemden is verdwaald. Hoera! Ziedaar het kaliber van Nederlands toekomstdromen: gewaarschuwd worden voor een verdwaalde sok. (Als je tenminste zelf de was doet, geen weggooisokken koopt, en al je kleren voorzien zijn van een computerchip.)

Geen ouderwetser idee dan het Huis van de Toekomst, of het moest de verontrustende kunst zijn. Iedereen begrijpt ze, ja, had ze zelf kunnen bedenken, en juist dat maakt ze zo aantrekkelijk voor het goedgelovige publiek dat snakt naar alles wat fascinerend is. Of althans iemand fascineert. Liefst een kunstenaar natuurlijk.