Ramingen over bbp laten flinke afwijkingen zien

Uit onderzoek van het Centraal Planbureau blijkt dat er wel wat schort aan de ramingen van het bbp. De vraag rijst of minister Zalm toch gelijk had.

Dat was even slikken vorige maand. Nog geen twee weken nadat Nederland in Brussel – overigens tevergeefs – op de barricaden had gestaan om Frankrijk en Duitsland te dwingen zich aan het Stabiliteitspact te houden en het begrotingstekort onder de afgesproken 3-procentsgrens te brengen, had het Centraal Planbureau slecht nieuws. Ook Nederland zou in 2004 een tekort op de begroting hebben van meer dan 3 procent. Verantwoordelijk minister (en oud-directeur van het CPB) Gerrit Zalm (Financiën) reageerde laconiek op de raming. Zo ver zou het niet komen, bezwoer hij.

Zalm had meerdere redenen om de raming voor het tekort voor dit en volgend jaar niet al te serieus te nemen. Hij had zelf inmiddels meer inzicht dan het CPB in de gerealiseerde belastinginkomsten, waardoor hij wist dat de voorspelde tekorten gunstiger zouden uitpakken dan waar het CPB rekening mee hield. En, zo legde Zalm in een debat met de Kamer uit, de tekortramingen zijn slechts een bijproduct van het CPB. Groeiramingen, ramingen van de wereldhandel en van investeringen en consumentenbestedingen, dat is de werkelijke expertise van de rekenmeesters van het CPB. Maar ook daar gaat het regelmatig mis, blijkt uit de recent verschenen publicatie Trefzekerheid van CPB-prognoses voor de jaren 1971-2002.

Het CPB heeft de ramingen die het jaarlijks publiceert in de Macro Economische Verkenning (met prinsjesdag) afgezet tegen de realisaties zoals die uiteindelijk achteraf door het Centraal Bureau voor de Statistiek zijn vastgesteld. Het CPB blijkt vanaf 1971 bijna nooit precies te hebben geraamd wat de groei zou worden. De ramingen voor het lopende jaar zijn overigens nauwkeuriger dan die over het komende jaar. Een andere constante is dat de groei van het bruto binnenlands product in jaren met een lage of zelfs een negatieve groei in de regel is overschat, terwijl de groei voor jaren met een relatief sterke toename van het bbp doorgaans werd onderschat. De hoge groei in de jaren 1996 tot en met 2000 is gemiddeld 0,5 tot 1 procent onderschat, de lage groei in 2001, 2002 en 2003 is overschat.

Door de jaren heen is de kwaliteit van de ramingen eigenlijk nauwelijks verbeterd en op sommige terreinen zelfs verslechterd. Dat komt doordat de grootste veroorzaker van de fouten in de ramingen, de ontwikkeling van de wereldhandel, haast per definitie lastig te schatten blijft. Met name de afgelopen jaren bleken geopolitieke ontwikkelingen (oorlog, aanslagen) in combinatie met een aantal boekhoudschandalen grote veroorzakers van onrust en onzekerheid, waarbij de werkelijkheid fors afweek van de ramingen.

Juist in de open Nederlandse economie hebben schommelingen in de internationale sfeer grote doorwerkingen. Niet alleen de economische groei, maar ook de schattingen van de exportprijzen, contractlonen, werkloosheid en inflatie hangen sterk samen met buitenlandse factoren. Dat de foutieve inschatting van met name de dollarkoers en de wereldhandel grote gevolgen heeft, blijkt wel uit een alternatieve raming die het CPB met terugwerkende kracht gemaakt heeft over de laatste vier jaar. Daarbij is niet de oorspronkelijke raming van de wereldhandel en de wisselkoers gehanteerd, maar de daadwerkelijke realisaties. Op bijna alle terreinen (inflatie, werkgelegenheid, export, investeringen en groei) verbeteren de ramingen dan fors. Alleen op het gebied van particuliere consumptie leidt een reëlere inschatting van de wereldhandel niet tot een verbetering. Die had dan ook vooral te maken met `vermogenseffecten'.