Omwonenden telden niet voor Chinees gasbedrijf

De mijnbouw in China heeft een slechte reputatie. Louche ondernemertjes nemen het niet al te nauw met de veiligheid van hun arbeiders. Maar grote staatsbedrijven gedragen zich kennelijk al niet veel beter.

Dat China's kleine, half legale kolenmijnen die gerund worden door privé-bazen notoir onveilig zijn, was al veel langer bekend. Maar ook een groot, gerenommeerd en rijk Chinees staatsbedrijf als de China National Petroleum Corporation (CNPC) beschouwt de veiligheid van werknemers en omwonenden kennelijk nog als minder dan een sluitpost.

Dat valt af te leiden uit berichten over de precieze toedracht van de ramp in het gaswinningsgebied van de CNPC in de provincie Chongqing, die op 23 december van het vorig jaar plaatsvond. Daarbij kwamen tot nu toe 243 mensen om het leven; 27 mensen verkeren nog in levensgevaar en liggen nog in het ziekenhuis. De meeste mensen stierven door inademing van een zeer giftig mengsel van aardgas en zwavelwaterstof, dat bij een foutief uitgevoerde boring met een enorme kracht tot dertig meter hoog de lucht in werd gestuwd.

Uit reconstructies die eerder deze week onder meer in de Chinese bladen China Business en China Life verschenen, blijkt dat vrijwel alle slachtoffers omwonenden van het gaswinningsgebied waren en niet in dienst waren van het Chinese staatsbedrijf. De voornamelijk uit boeren bestaande bevolking, die gevaarlijk dicht in de omgeving van de mijn woonde, werd aanvankelijk door niemand gewaarschuwd dat er zich een ramp had voltrokken. De omwonenden werden zich bewust van mogelijk gevaar toen ze een vreemde lucht van rotte eieren roken. Degenen die niet in hun slaap door het gifgas werden overmand, sloegen op de vlucht. De meesten beschikten niet over vervoer, maar renden eenvoudig zo hard mogelijk van de ramp vandaan.

Een aantal van hen keerde kort na hun vlucht terug naar het gebied, op zoek naar vermiste familieleden en bezittingen. Ze werden door niemand tegengehouden of gewaarschuwd voor gevaar en kwamen bij terugkeer alsnog om het leven door de inademing van het dodelijke gasmengsel.

Veel dorpelingen woonden binnen een straal van minder dan tweehonderd meter van het gaswinningsgebied. De boeren in de 28 dorpen rond het gebied zijn nooit door het gasbedrijf uitgekocht om hun boerenbedrijven te kunnen verplaatsen naar veiliger oorden. Dat had de CNPC namelijk een aardige som geld gekost, geld dat net zo makkelijk uitgespaard kon worden.

Dat de boring ondeskundig werd uitgevoerd, kwam ook doordat de ingehuurde ploeg onvoldoende was geschoold om het werk veilig en goed te doen. Dat ze de klus toch mochten klaren, komt omdat het staatsbedrijf daarmee geld kon besparen op de arbeidskosten. Ook hadden medewerkers van de mijn een deel van de meetapparatuur en ontluchtingsventielen bij de gasbel weggesloopt omdat die het werk alleen maar zouden vertragen. Daardoor kon niemand meer voorspellen dat de druk opliep en dat er een ramp stond aan te komen.

Als het gifgas dat bij de ontploffing vrijkwam meteen was aangestoken, en niet pas uren na de explosie, hadden er waarschijnlijk veel levens gespaard kunnen blijven. Dat gebeurde niet, want men vond het zonde om het overgebleven gas in de gasbel op die manier te `verspillen'.

In de relatie met de CNPC zijn de dorpelingen, maar ook de dorpsbestuurders, duidelijk de underdog. Ze verkeren niet in een positie om veel af te dwingen bij een groot en rijk staatsbedrijf, en de CNPC heeft ook nooit de moeite genomen om de lokale ambtenaren die belast zijn met de veiligheid van de bevolking op de hoogte te stellen van gevaren en van eventuele rampenplannen. De ambtenaar Zhang Fangming heeft daar voorafgaand aan het ongeluk wel naar gevraagd, maar hij kreeg nul op het rekest. ,,Dat is een groot staatsbedrijf, hoe kun je nou verwachten dat zij hun rampenplan aan ons laten zien?'', zo verklaarde hij tegenover Business News.