Wouter Bos moet eerlijker discrimineren

Een inkomenseis mag nimmer gesteld worden aan iemand die zijn partner uit het buitenland wil halen, vindt Anton van Hooff.

PvdA-leider Wouter Bos bewandelt de verkeerde weg inzake de immigratiepolitiek. Niet wanneer het gaat om de baten van arbeidsmigratie. Daarbij opereert ons land immers als een sociaal-economische eenheid. De vraag naar de baten is echter principieel misplaatst wanneer Nederland als rechtsstaat optreedt. Dan heeft het zich te houden aan artikel 1 van de Grondwet, dat gelijkheid garandeert aan ,,allen die zich op Nederlandse bodem bevinden''.

Dat heilige beginsel is in het geding bij huwelijksimmigratie. Als de minimumleeftijd van de buitenlandse partner op 21 jaar wordt gesteld, zoals het kabinet wil (en Bos bewilligt), tast Nederland het beginsel van gelijkberechtiging aan.

Nu speelt in de praktijk die huwelijksleeftijd geen rol voor de overgrote meerderheid van Nederlanders die door werk, studie of vakantie in het buitenland `vreemdgaan.' In feite richt de voorgenomen bepaling zich tegen de minderheid van Turkse en Marokkaanse importbruiden. Aan dit minoriteitsprobleem dreigt Nederland de gelijkberechtiging op te offeren.

Natuurlijk heeft Nederland als cultuurgemeenschap het recht aan alle immigranten inburgeringseisen te stellen: ook Amerikaanse en Japanse arbeidsimmigranten dienen goed Nederlands te spreken – maar aan hen wordt merkwaardigerwijs nooit gedacht. Voor de grote meerderheid van de binationale paren is inburgering geen probleem: geen betere taalschool dan 24 uur per etmaal samen te leven. De sanctie op het niet voldoen aan de voorwaarden voor verblijf dient adequaat te zijn, namelijk het onthouden of intrekken van een verblijfsvergunning. Deze logica is niet besteed aan Wouter Bos. Hij heeft alleen zijn twijfels over de effectiviteit van het voornemen van dit kabinet om van de Nederlandse partner te eisen dat die 120 procent van het minimumloon verdient. Hij vraagt zich slechts af of die bepaling wel `rationeel' is.

Voor een echte sociaal-democraat is het volstrekt onaanvaardbaar dat de toepassing van een recht voor allen afhankelijk is van een inkomenseis. De huidige inkomenseis is dat de Nederlandse partner 100 procent van het minimumloon in een vaste betrekking verdient. Hiermee wordt een rechtsongelijkheid tussen Nederlandse burgers gesanctioneerd. De eenzijdige inkomenseis betekent een terugkeer naar het achterhaalde gezinsmodel van de kostwinner. De `earning power' van de vaak hoogopgeleide buitenlandse partner wordt volkomen buiten beschouwing gelaten.

Nog steeds doet het indianenverhaal de ronde dat veel immigranten via schijnhuwelijken zich een weg naar het Nederlandse sociale paradijs banen. Als men gelooft dat de ganse wereld hunkert om de Hollandse Hof van Eden binnen te treden, kan worden volstaan met een fasering van het toekennen van sociale rechten. Daaraan zal de grote meerderheid van binationale paren geen pijn beleven. Hun enige wens is bij elkaar te zijn. Het grove middel van de inkomenseis leidt er nu al toe dat jonge, ondernemende landgenoten de rug toekeren. Zij verhuizen naar de landen van de mensenrechten, België en Duitsland. Het is voor een landbouwer als Wytze van der Zwaag uit Kollum wat lastig. Anders zat hij met zijn Nigeriaanse vrouw Esther Uhunamure allang in België (zie M van 3 januari).

Als Bos `selectiever' met immigratie wil omgaan zou hij de moed moeten hebben gericht te discrimineren. Zijn pogingen een `heikele discussie' aan te gaan zijn niet meer dan schoorvoetend meegaan met de botte discriminatie tegen alle Nederlandse burgers die VVD, CDA en zelfs D66 voorstaan. Omdat zij officieel niet willen discrimineren, ontrechten zij alle Nederlandse burgers die een vreemde partner hebben.

En dat terwijl het gaat om de minderheid van de totale huwelijksimmigratie, te weten de circa 6.000 Turkse en Marokkaanse bruiden die jaarlijks worden ingevoerd. Een bepaalde publieke opinie vindt de binnenkomst van deze vrouwen ongewenst. Men heeft het geduld verloren. Men wil niet wachten op de resultaten van het spontane integratieproces. Dat ongeduld is een politiek feit.

Daarom een voorstel mijnerzijds. Dwing via bilaterale verdragen met Marokko en Turkije af dat die bruiden een stevig inburgeringstraject volgen dat al daar begint. De overeenkomst waarmee men Marokko heeft gedwongen om inzage in het kadaster te geven, is een voorbeeld van zo'n gerichte overeenkomst. Natuurlijk is een aparte behandeling van Turkse en Marokkaanse bruiden discriminatie. Zij is echter openlijk, doelgericht en te prefereren boven de dubieuze spagaten die nu met de mensen- en burgerrechten worden uitgehaald. Zij kan worden verontschuldigd als een tijdelijke maatregel om aan een duidelijk omschreven probleem een einde te maken. Zij zal potsierlijke toestanden voorkomen zoals taalcursussen Nederlands in de jungle van Nicagarua. Deze gerichte discriminatie maakt een heleboel immigratie-ambtenarij overbodig en zij maakt een einde aan het onrecht en het bureaucratisch getreiter dat Nederlandse burgers met een buitenlandse partner ondervinden.

Anton van Hooff is classicus.