Televisie met popcorn

Voor een echt bioscoopgevoel is een groot scherm onvoldoende. Projectie van het televisiebeeld op een scherm zonder omgevingslicht schept pas echt een bioscoopgevoel.

Iedereen z'n eigen bioscoop – dat is de idee waarmee elektronicafabrikanten ons een groot, plat en duur beeldscherm willen verkopen. Nu Intel grootse plannen heeft voor de fabrikage van LCoS-chips (Liquid Crystal on Silicon) zullen de prijzen van platte schermen sneller gaan dalen. Maar dan nog: ook een 50 inch plasmascherm (nu minstens 10.000 euro) geeft nog geen bioscoopgevoel. Al is het nog zo plat, het blijft televisie. Wie een huisbioscoop wil, zal toch echt een tv-projector moeten aanschaffen.

Projectietelevisie is de laatste jaren bezig met een technologische groeispurt. Digitale projectors maakten hun entree en de elektronica die tv-beelden geschikt maakt om groot te projecteren is betaalbaarder geworden. Voor nog geen 1.500 euro is er bijvoorbeeld al een Epson TW10, waarmee een 1.80 m breed beeld geprojecteerd kan worden – een plasma van die afmeting zou ruim het tienvoudige kosten.

Het `bioscoopgevoel' wordt behalve door een groot beeld ook opgeroepen door het ontbreken van omgevingslicht. Een zwart omkaderd projectiescherm is voor een goed resultaat onontbeerlijk, de keuze daarin ruim. Indien de interesse vooral uitgaat naar klassieke films uit de jaren vijftig en zestig, of naar videoclips, is men beter af met een scherm in 4:3 (= 1,33) formaat dan met een breedbeeldscherm (16:9 = 1,78). Er zijn wel dubbelschermen (van Vutec) waarmee men twee formaten tegelijk in huis haalt. Prijzen variëren van een paar honderd euro voor een los doek dat u zelf voor elk gebruik moet opspannen, tot ruim 3.000 voor een Varivision Electrol – inclusief verstelbare zwartranden die drie beeldformaten (1,33, 1,78 en 2,35) kunnen omkaderen. Films zijn door de jaren opgenomen in tientallen beeldverhoudingen, van het bijna vierkante 1,17 van driekwart eeuw geleden tot de 2,76 van Ben Hur; het ideale schermformaat bestaat dus niet. Ook in materiaal is een ruime keuze: van doeken met lichtversterkende coatings tot lichtgrijze schermen die geschikt zijn voor LCD-projectors, aangezien die moeite hebben met het reproduceren van zwarttinten.

De beste (en duurste) projectors zijn nog steeds CRT's (Cathode Ray Tube) met hun drie aparte lenzen. Mits goed afgesteld leveren zij een beeld dat beter is dan in de gemiddelde bioscoop. Nadeel is dat ze op een vaste plaats moeten staan of hangen: verschuiven ze een millimeter dan heeft dat funeste gevolgen voor beeldscherpte en kleurkwaliteit. Bovendien moeten de lampen gekoeld worden door ventilators die nogal lawaaiig zijn, zodat ze eigenlijk in een suskast moeten staan of hangen. Die nadelen hebben digitale projectoren allemaal niet, hoewel ook die geventileerd worden. Maar doordat ze slechts één lamp hebben, speelt dat probleem minder. Wat alle moderne projectors gemeen hebben, is hun technologische voorsprong op tv-toestellen. Of het nu hoge definitie-tv of progressive scan is, projectors verwerken de informatie moeiteloos dankzij de ingebouwde elektronica. Bij de goedkopere projectors leveren die echter niet echt goede kwaliteit, zodat het de moeite loont een losse scaler of een home theatre pc aan te schaffen. De beste apparaten hebben de DCDi-chip van Faroudja, die behalve in de meeste scalers ook in progressive scan dvd-spelers wordt ingebouwd. Scalers zetten de aangeboden resolutie om in de maximale resolutie van de projector. Voor 150 euro is er al een eenvoudige Zinwell PV 100 die het tv-signaal omzet in een hogere resolutie; voor 1.900 euro een Cinematiq met wel 10 in- en 4 uitgangen. De grootste flexibiliteit biedt de htpc, een computer die geheel voor beeld en geluid is samengesteld. Met Pentium IV, minstens 2,6 GHz en 512 MB, TV-tuner en een ATI Radeon 9500 Pro grafische kaart, al of niet uitgebreid met een Holo3D2-kaart en software als PowerDVD, Elecard en Powerstrip. Wat het in aantal (honderden) instellingen te veel heeft, komt het in gebruiksvriendelijkheid echter tekort. Prijzen vanaf rond 1.000 euro tot 2.500 euro. Een groot aantal dvd-spelers en satellietontvangers kan overigens alsnog geschikt gemaakt worden voor projectie door het inbouwen van een Cinematrix PSM1-module (750 euro). Die maakt van het 576i beeld van het PAL-systeem (720 pixels op elk van de 576 lijnen waarvan om en om de oneven en even lijnen worden uitgezonden) een op de resolutie van de projector in te stellen beeld van maximaal 1.200p (1.600 pixels op 1.200 lijnen die achter elkaar worden uitgezonden). Dat is ruim voldoende voor een goedkopere projector als de bovengenoemde Epson met zijn resolutie van 854480 – en zelfs genoeg voor een CRT-projector als de Barco Cine 8 van 35.000 euro. Wie een betaalbare breedbeeldprojector zoekt, kan voor rond 2.000 euro terecht bij een wondertje als de Sanyo PLV Z2. Met een resolutie van 1.280720, een geluidsniveau van slechts 24db, een digitale aansluiting, en zoals de meeste apparaten voorzien van een lens voor grote formaten in kleine ruimtes. Op 4 meter afstand projecteert het ding (formaat diaprojector) een beeld van naar keuze 2,24 tot 2,90 m breed – dat is andere koek dan een plasmaschermpje van een meter.

Het meeste profijt van al die apparatuur heeft men pas als de projector gekalibreerd is. Dat geldt trouwens ook voor tv-toestellen, die af-fabriek qua instellingen eveneens bedroevend slecht staan afgesteld. En dat is met de drie knoppen voor contrast, helderheid en kleurverzadiging niet bij te regelen. Voor het afstellen van grijsschaal, gamma, kleurtemperatuur en geometrie volgens de normen van de Image Science Foundation kan men in Nederland vooralsnog alleen bij ITC in Emmeloord terecht. Het bedrijf is het enige met de apparatuur (een color analyzer) en de certificatie om tv's en projectoren perfect te kalibreren. Dat betekent voor de beeldkwaliteit van zowel tv als projector een verschil van dag en nacht, en voor elke kijker een openbaring.