Staatssteun aan bedrijven belemmert innovatie

De vlucht van bedrijven naar lage-lonenlanden moet worden gestopt, betoogde Jan Voskamp gisteren op deze pagina. Zijn verhaal leest als een rituele dans die elke tien jaar wordt opgevoerd. Helaas klopt zijn analyse niet, is de weging van het belang van industriële productie onjuist, en zijn de oplossingen die hij aandraagt ontoereikend dan wel wordt daarmee de verkeerde weg ingeslagen.

In de eerste plaats zijn hoge lonen maar gedeeltelijk de reden voor productieverplaatsing naar lage-lonenlanden. In veel industrieën ging een tekort aan industriële arbeidskrachten vooraf aan de verplaatsing van productie. In de tweede plaats geldt voor veel industrieën dat de loonkosten maar een klein deel van de waarde van het eindproduct vertegenwoordigen (10-15 procent van de consumentenprijs). Ten derde zijn loonkosten geen bezwaar indien dure arbeid wordt aangewend voor onderscheidende producten. Daar wringt de schoen meer dan bij de kosten.

Nederland is onvoldoende in staat om een verschuiving te maken naar hoogwaardige producten. Dat komt niet alleen door de bedrijven, maar ook door de afwezigheid van een hoogwaardige consumptie. Consumenten die voor een dubbeltje op de eerste rij willen zitten, scheppen geen draagvlak voor hoogwaardige industriële of ambachtelijke productie. Wie hoogwaardig wil produceren zal dus moeten excelleren op wereldmarkten. De Genemuidense tapijtindustrie, de Brabantse fabrikanten van interieurtextiel, de fabrikanten van kunstgras in Nijverdal hebben die slag gemaakt. Het probleem van de Nederlandse industrie is eerder onvoldoende innovatiekracht die hoge lonen rechtvaardigt. Wie alleen op productiviteit in processen rekent, moet zich vroeg of laat neerleggen bij verschillen in loonkosten.

Verder is het de vraag of er een nationaal belang is gemoeid met de verplaatsing van fabricage naar lage-lonenlanden. Rotterdam is de eerste textielhaven van Europa, bedrijven als Mexx, Oilily of MacGregor floreren op basis van internationale marktbewerking en internationale productie die ze aansturen. Het gaat niet om het maken maar om het ontwerpen, laten maken en distribueren. Wij kunnen beter ontwerpen en organiseren dan maken. Op basis van dit model is fabricage van geringere betekenis geworden voor de Nederlandse economie. Die is nu al vooral gebaseerd op diensten en op dienstverlenende functies in de industrie. De uittocht van de laatste fabricageactiviteiten, misschien goed voor 5 procent van de totale werkgelegenheid in Nederland, kan moeilijk nu nog als een nationale ramp worden aangemerkt.

De oplossing die Voskamp aandraagt is naïef. Als loonkosten de verschillen zouden moeten verklaren, dan zou staatsinterventie op een massale schaal moeten plaatsvinden. Berekeningen van 10 jaar geleden wezen uit dat een loonkostensubsidie van 30 procent noodzakelijk zou zijn om industriële fabricage in Nederland te behouden. Niet eenmalig, maar jaarlijks enkele tientallen miljarden: een budget voor Nederland vergelijkbaar met de omvang van alle structuurfondsen voor de gehele Unie bij elkaar. Dat zou moeten leiden tot grootschalige inkomensoverdracht van diensten naar industrie of consument naar producent via verhoging van prijzen voor industriële producten. Dat zijn kostbare en ongerichte oplossingen die een geheel aan flankerende maatregelen vereisen, zoals verhogen van invoerrechten en BTW. Een probleem is bovendien – de praktijk van de steun aan textiel en scheepsbouw in de jaren '70 heeft dat uitgewezen – dat staatssteun innovatie belemmert, aanpassingen vertraagt en de verkeerde ondernemingen beloont.

Nederland moet realistisch zijn. Het tijdperk van de maakindustrie is voorbij. Het gevecht met China kunnen we niet winnen. Er zijn dingen die we met 16 miljoen mensen beter kunnen. Producten ontwerpen op basis van maatschappelijke wensen of consumentensmaak, productie en distributie organiseren. Een politiek gebaseerd op bevorderen van innovatie en creativiteit, een politiek die ons onderscheidingsvermogen en ons innovatievermogen bevordert. Dat is geen weg terug, maar een politiek die ook vereist naar ons vestigingsklimaat en ondernemingsklimaat te kijken, knellende regelgeving toetst en voorwaarden schept voor een eigenzinnig en creatief onderwijs.

Dr. Michiel Scheffer is consultant in de textiel- en kledingsector.