Opvang asielzoekers

Onlangs nam de Tweede Kamer een motie aan om kwetsbare asielzoekers niet uit de opvang te zetten. Premier Balkenende verklaarde dat deze motie in strijd was met de wet. Minister Verdonk stelde dat gemeenten zich niet kunnen onttrekken aan democratische tot stand gekomen regelgeving.

Deze uitlatingen zijn in het licht van de wetsgeschiedenis merkwaardig. Volgens de nieuwe Vreemdelingenwet wordt de opvang automatisch beëindigd vier weken na de definitieve afwijzing van de asielaanvraag.

Tijdens de parlementaire behandeling is door voormalig straatssecretaris Cohen toegezegd dat dit niet inhoudt dat er nooit afzonderlijk gekeken kan worden naar de vraag of opvang gecontinueerd kan worden. Eventueel zou volgens Cohen daarover kunnen worden geprocedeerd bij de rechter.

Het liep allemaal anders. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de hoogste rechter in asielzaken, bepaalde dat omstandigheden die niet van belang zijn voor het toekennen van een asielstatus niet ingebracht kunnen worden tegen de afwijzing van de aanvraag. Het gevolg is dat over de automatische beëindiging van de opvang niet meer geprocedeerd kan worden.

De huidige opvangperikelen heeft de wetgever overigens ook aan zichzelf te wijten. De asielzoeker mag onder de nieuwe Vreemdelingenwet na definitieve afwijzing nog vier weken in de opvang blijven.

Deze termijn is zo kort dat ook loyaal meewerkende asielzoekers hun terugreis vaak niet tijdig kunnen regelen. Daarmee was al van meet af aan duidelijk dat de politiek de problemen van uitgeprocedeerde asielzoekers op het bordje van de gemeenten zou leggen.