Nieuwe lidstaten gaan er nauwelijks op vooruit

Van het oorspronkelijke plan om een gemeenschappelijk Europees huis te bouwen en een door bloedige oorlogen verdeeld continent te verenigen, is weinig meer over. De vurige liefde van het Oosten voor het Westen is slechts retorisch beantwoord. Volgens Nausicaa Marbe wordt de komende uitbreiding van de Europese Unie met acht ex-communistische staten zwaar onderschat.

Onverschilligheid en onwetendheid benemen ons het zicht op de morele, psychologische en sociale ontwrichting waaronder de Centraal-Europeanen, na vijf decennia communistisch bewind, gebukt gaan. Corruptie, cliëntelisme en wetsontduiking: het is allemaal nog ernstiger dan Marbe beweert. Toch heeft juist West-Europa, in plaats van de Centraal-Europeanen uit het moeras te helpen, de situatie erger gemaakt.

Het stond bij voorbaat vast, dat de opname van landen die op een aanmerkelijk lager economisch niveau zaten, de Unie voor pijnlijke keuzes zou stellen. Bij ongewijzigd beleid zouden de kosten, voor bijvoorbeeld de landbouwsubsidies, binnen de kortste keren exploderen. Maar al eerder werd de Centraal-Europese landen de kans ontnomen om te profiteren van de weinige sectoren waar ze een competitief voordeel hadden.

Zo was er in de jaren '90 altijd wel een lidstaat die de markten voor staal, schepen, textiel, groenten of chemicaliën gesloten wist te houden.

Daarbij werden de Centraal-Europese markten overspoeld met gesubsidieerde westerse waar, terwijl de Unie met drempelprijzen, quota en onzinnige veterinaire argumenten de eigen markt gesloten hield. Zo sloot de EU begin jaren '90 de grenzen voor Pools rundvlees, omdat in voormalig Joegoslavië mond- en klauwzeer werd geconstateerd.

Dit was in het licht van een toekomstig lidmaatschap nog enigszins verteerbaar. Maar in oktober 2002 kwamen de Centraal-Europeanen er achter dat de hoop op betere tijden ongegrond was. In een Frans-Duits onderonsje aan de vooravond van de slotonderhandelingen over de uitbreiding wist Jacques Chirac een hervorming van het Europese landbouwbeleid te voorkomen.

En dus krijgen de nieuwe toetreders een kwart van de landbouwsubsidies die hun westerse tegenhangers mogen incasseren, terwijl ze wel op dezelfde markt moeten concurreren.

Niet alleen op het terrein van het landbouwbeleid moeten de Centraal-Europeanen bittere pillen slikken. Op de Europese top van Berlijn in 1999 was afgesproken dat de uitbreiding (met toen nog zes landen) 80 miljard euro mocht gaan kosten. Nu tien nieuwe landen aan de deur kloppen, is besloten dat 40 miljard ook volstaat. Voortaan wordt de regionale steun beperkt tot maximaal 4 procent van het bruto nationaal product van het ontvangende land. Voor de toetreders betekent dit, dat ze maximaal 114 euro per hoofd zullen ontvangen, terwijl hoger ontwikkelde landen als Spanje en Portugal gemiddeld zo'n 231 euro per hoofd tegemoet kunnen zien.

De indruk wordt algauw gewekt dat het bij de uitbreiding om astronomische bedragen gaat. Toch zal de uitbreiding van de Unie jaarlijks netto slechts 0,05 procent van het bnp van de EU kosten. De Marshall-hulp was per hoofd vijftien keer zo hoog. En daar ging het niet eens om geld dat in dezelfde economische zone werd gepompt.

De toetreders gaan er dus nauwelijks op vooruit. Wie de indirecte kosten meerekent die de implementatie van het acquis communautaire (de complete wet- en regelgeving van de EU) met zich meebrengt, bijvoorbeeld op het terrein van milieubescherming en sociale standaarden, komt zelfs op een negatief resultaat uit.

Hebben de aspirant-lidstaten dan slecht onderhandeld de afgelopen jaren? Ook dat is niet het geval.

Vanaf het moment dat de `onderhandelingen' in maart 1998 begonnen, was het slikken of stikken, wanneer de Commissie haar `voorstellen' deed. En het werd slikken. Want klem zitten tussen een autoritair en ondemocratisch Rusland enerzijds, en een economisch onmetelijk veel sterker Duitsland anderzijds, was geen optie.

Minutieus werden van elke aspirant-lidstaat wetgeving en beleid onder de loep genomen. Om volledige naleving van gemaakte afspraken te garanderen, werden clausules opgesteld die de EU in staat stellen de toetreders ook na 1 mei 2004 uit te sluiten van Europese samenwerking. Dit zou begrijpelijk zijn wanneer de huidige lidstaten zich zelf netjes aan de regels zouden houden. Maar het Stabiliteitspact bewijst dat sommige landen gelijker zijn dan andere. En de toetreders zullen de minst gelijke zijn.

De discriminatie van de nieuwe lidstaten blijft niet beperkt tot het landbouwbeleid of de structuurfondsen. Het liefst hebben we dat de Centraal-Europeanen (in ieder geval de eerste vijf jaar) wegblijven van onze arbeidsmarkt. Dit is niet alleen vernederend maar ook strijdig met het in het Verdrag van Rome vastgelegde recht op vrij verkeer van personen.

En alsof de asymmetrische voorwaarden waaronder de Centraal-Europeanen tot de Unie toetreden niet voldoende zijn, wordt hun ook nog eens het recht op een eigen mening ontzegd.

Het voorbeeld van Irak ligt voor de hand. Na de splijting van Europa – door het Franse en Duitse `nee' – zochten de Centraal-Europeanen steun bij de VS. Net als Groot-Brittanië, Spanje, Italië, Denemarken en Nederland. Maar juist de Centraal-Europeanen moesten het ontgelden. Uitgerekend de Polen werden door Chirac uitgekozen en terechtgewezen dat zij het Europese ideaal ondermijnden.

De onverschilligheid en de krenterigheid waarmee de Centraal-Europeanen worden bejegend, zijn na het echec van Brussel duidelijker dan ooit zichtbaar geworden.

Al te gretig is de these omarmd dat het tot stilstand komen van het Europese integratieproces voornamelijk aan de weinig inschikkelijke houding van Polen te wijten zou zijn. Dat land zou, evenals de andere postcommunistische staten, niet ophebben met het Europese ideaal en slechts uit zijn op de Brusselse subsidiepotten.

Dit is onvervalste stemmingmakerij. De onderhandelingen liepen in Brussel onder meer vast op het punt van de toekomstige stemverhouding binnen de Europese Raad. Polen – dat veel zou verliezen wanneer de in Nice afgesproken stemverhouding zou worden veranderd – bleek wel degelijk tot concessies bereid. Deze ouverture werd door Duitsland en Frankrijk resoluut van de hand gewezen.

Los van de vraag wie in welke mate schuld draagt voor de mislukking van de onderhandelingen, is de Poolse houding zo raar nog niet. Het Europese systeem van besluitvorming bij consensus berust op wederzijds vertrouwen. Alleen wanneer een land weet dat het op een eerlijke en respectvolle manier zal worden behandeld, is het bereid afstand te doen van delen van de nationale soevereiniteit.

Maar van landen die vijftien jaar lang zijn geschoffeerd, die hun hartstochtelijke liefde voor Europa slechts met een kille boekhoudersmentaliteit beantwoord zien, en die na toetreding een tweederangs lidmaatschap wacht, kan nauwelijks een coöperatieve houding worden verwacht.

De Europese Unie oogst wat zij zelf heeft gezaaid.

Jacek Magala is socioloog