Stop vlucht lage-lonenlanden

De voortdurende afname van de industriële productie in Nederland is voor een belangrijk deel het gevolg van de hoge arbeidskosten. Bedrijven stoppen met hun productie in Nederland omdat ze de concurrentie met lagelonenlanden niet kunnen volhouden. Sommige bedrijven houden er helemaal mee op, andere verplaatsen hun productie naar lagelonenlanden. In beide gevallen verdwijnen hier arbeidsplaatsen. Regering en parlement, werkgeversorganisaties, vakbonden en de burgers in het algemeen zien deze ontwikkeling gelaten aan. Onlangs voorspelden drie Nederlandse topondernemers (Burgmans van Unilever, Kleisterlee van Philips en Wijers van AKZO Nobel) een verdere uittocht van industriële productie. Ook zij noemden het verschijnsel `onvermijdelijk'. De vraag is, of dat zo is.

De opbloei van de Nederlandse industrie na de Tweede Wereldoorlog werd al spoedig gevolgd door een teruggang. Niet alleen individuele bedrijven, maar hele bedrijfstakken verdwenen. Het begon in de jaren '60 met de eens zo florerende textielindustrie, gevolgd door de scheepsbouw en de zeevaart met Nederlandse bemanningen. Deze ontwikkeling is nog lang niet tot staan gekomen. Veel bedrijven, niet alleen de grootste, maar ook MKB-bedrijven, laten steeds meer van hun producten in het buitenland maken omdat de arbeidskosten daar lager zijn. Ook onderzoek en productontwikkeling worden verplaatst naar lagelonenlanden. Nederland wordt een land van consumenten, niet van producenten.

Voor de Nederlandse samenleving zijn de consequenties van het geleidelijk maar gestaag verdwijnen van industriële productie rampzalig. Vakopleidingen, middelbare en hogere beroepsopleidingen en universitaire studierichtingen die waren gericht op de verdwenen en verdwijnende bedrijfstakken, sluiten hun poorten of hebben dat al gedaan. Een infrastructuur van toeleveringsbedrijven en specifieke onderzoeksinstituten verpietert. Een ambachtelijke en industriële cultuur verdwijnt uit Nederland. De voedingsbodem voor de nog overgebleven industrie en voor het opzetten van nieuwe industrieën verschraalt. Het in politiek Den Haag – terecht – gekoesterde ideaal van een kenniseconomie is een luchtkasteel.

Het kabinet kan niet veel meer doen dan trachten de gevolgen van de afnemende industriële bedrijvigheid te bestrijden met sociaal-economische maatregelen. Een najaarsakkoord met werkgeversorganisaties en vakbonden kon niet meer opleveren dan het bevriezen of matigen van de lonen, waarbij het grote verschil in arbeidskosten met de lagelonenlanden blijft bestaan. Het kabinet beschikt niet over beleidsinstrumenten om de uitstroom van industriële productie te stoppen.

Het valt te begrijpen dat het kabinet ervoor terugschrikt individuele bedrijven overheidssteun te bieden. Staatssteun aan bedrijven is in de Europese Unie een hoofdzonde waar een zware boete op staat. Echter, alleen met overheidssteun kunnen productiebedrijven in Nederland voortbestaan. Gezien de nationale belangen die in het geding zijn is het de moeite waard te onderzoeken of een vorm van steun kan worden gevonden die niet, of niet al te zeer, in strijd is met de Europese wet- en regelgeving. Aan bedrijven, die kunnen aantonen dat de hoge arbeidskosten de voornaamste oorzaak zijn van hun verzwakte internationale concurrentiepositie, zou een of andere vorm van compensatie kunnen worden geboden. Wel onder de voorwaarde dat ze hun productie in Nederland instandhouden.

Omdat het een algemeen belang betreft, ook van hen die niet in de industrie werken, kan worden gedacht aan subsidies die worden gefinancierd uit een opslag op de belastingen, volgens het principe van het kwartje van Kok. Ook andere vormen van steun, zoals belastingfaciliteiten, kredietfaciliteiten en versoepeling van milieu- en arbobeleid in individuele gevallen, zouden nog eens kunnen worden overwogen. Zijn deze suggesties onrealistisch? Zij zouden dan toch de creativiteit van regering en parlement moeten aansporen voor het bedenken van alternatieve werkbare oplossingen.

Het is ook de moeite waard om het verbod op staatssteun in EU-verband te heroverwegen. De Raad van Ministers van de EU zal dit controversiële en moeilijke onderwerp ongaarne op de agenda willen zetten. Niettemin zou Nederland het kunnen voorstellen in de tweede helft van 2004, tijdens het Nederlandse voorzitterschap. Nederland is tenslotte niet de enige lidstaat die wordt geconfronteerd met de uitstroom van industriële productie naar lagelonenlanden. Het is een belang van de hele EU om deze slagaderlijke bloeding te stelpen. Bestaande structuurfondsen kunnen zeer wel uitkomst bieden.

Jan Voskamp is organisatie-adviseur.