Ouderloos

Met een eigenaardig soort gewichtloosheid zweefde ik de afgelopen weken door `de feestdagen'. Het waren mijn eerste Kerstmis en oudejaar zonder ouders. Ik was het voorbije jaar een weeskind geworden, en het scheelde niet veel of ik had me op kerstavond schreiend op de stoep van het Leger des Heils te slapen gelegd. Een snuifje Dickens kan geen kwaad op zulke dagen.

Het was een vreemde gewaarwording. Deze dagen zijn nu eenmaal onlosmakelijk met het fenomeen familie verbonden. En familie betekende voor mij lange tijd in de eerste plaats: mijn ouders.

In je jeugd was je juist op zulke dagen vooral van hen afhankelijk. Vluchten naar school of vriendjes was niet mogelijk, je geluk lag in de schoot van het gezin of het lag er niet. Het was allemaal een kwestie van humeuren en omstandigheden. Had pa nog net voor het einde van het jaar opslag gekregen, werd ma opeens gekweld door een geheimzinnige allergie en maakten de broertjes nu eens ruzie zonder elkaar te onthoofden?

Jaren later, als je zelf een gezin hebt, worden de rollen omgekeerd. De ouders worden voor hun welbevinden op de feestdagen steeds afhankelijker van hun kinderen. Mijn vader had daar nooit veel moeite mee. Als hij met mijn moeder kwam logeren, zette hij hun koffers tevreden onderaan de trap neer, trad de huiskamer binnen en nam zonder aarzelen bezit van de beste stoel, van waaruit hij een drie dagen durend gesprek begon.

Hij genoot geweldig, en wij van hem, want hij was een gezellige man, maar we waren God er toch dankbaar om dat Hij de geboorte van Zijn zoon maar één keer per jaar gevierd wil hebben.

Nu zou je zo'n Kerstmis nog graag een keertje overdoen, maar het kan niet meer, nooit meer zelfs. Nostalgie komt altijd na de wonde.

Als je zo ongeveer op de helft van je eigen leven bent, treedt een nieuwe fase in: de `we-kunnen-het-niet-meer-opbrengen-fase' van je ouders. Ze blijven liever thuis. Want buiten vriest en sneeuwt het, en als het niet vriest en sneeuwt, dan gáát het vriezen en sneeuwen, de weerman heeft het zelf gezegd, en dat risico met die gladde wegen kunnen we op onze leeftijd niet meer nemen. De trein? Maar dan moeten we overstappen!

Dus wordt het met de feestdagen voortaan eenrichtingsverkeer naar je ouders. Dat gaat een poosje goed, maar dan komt er de klad in. Moeder wordt vergeetachtig en zet koffie in de koffiebus, terwijl vader beweert dat de kaas in de ijskast ook mét schimmel nog best heel smakelijk is. Ze doen het logeerbed de deur uit en raden bezoeken soms dringend af, want de wegen zijn gladder dan ze ooit geweest zijn.

We begrijpen het. Ze zijn moe, zwak en radeloos.

Ten slotte is er nog maar één van hen over. In ons geval mijn vader. Op oudejaarsavond belden we hem na twaalven altijd meteen op. Hij bleef zeer spraakzaam voor iemand die, half liggend op zijn bed, zijn adem uit zijn longen moest wringen.

Dit jaar hoefde het niet meer. Ik keek op mijn horloge en dacht aan hem. Toen belde mijn oudste dochter. Mijn opvolger in de eeuwige kringloop van het familieleven. Ik mag voortaan op haar beste stoel zitten.