Minister Dekker bouwt dit land kapot

De bouwplannen van minister Dekker zijn een ramp voor het platteland en de steden, meent Wijnand Duyvendak.

Wat een minister al niet vermag: de toekomst van het platteland én de toekomst van onze steden te grabbel gooien. En dat gebeurt wanneer de plannen van VROM-minister Dekker (VVD) voor de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland werkelijkheid worden. Dan wordt het Groene Hart een hart van steen.

De afgelopen decennia is het Nederlandse landschap in hoog tempo van karakter veranderd. Er is véél gebouwd, en er werd niet zuinig omgesprongen met onze schaarse ruimte. Kantoren en bedrijven verrezen bijvoorbeeld op `zichtlocaties': eindeloze series blokken- en schoenendozen langs de snelwegen. Een ongerepte horizon is bijna nergens meer te vinden. Rust en ruimte worden steeds schaarser.

Een vernieuwende ruimtelijke-ordeningspolitiek betekent actieve politieke interventie. Ter bescherming van het groen, én ter berscherming van onze steden. Dit besef ontbreekt compleet bij minister Dekker. Zij laat de steden in haar plannen letterlijk leeglopen door enerzijds veel te weinig te investeren in de straten, de pleinen, de woningbouw in de stad en anderzijds door het bouwen buiten de stad `in het groen' alle ruimte te geven. Het voorspelbare gevolg is dat welvarende gezinnen de stad zullen ontvluchten waardoor de samenstelling van de bevolking (nog) eenzijdiger wordt.

De voorganger van minister Dekker, minister Pronk (PvdA), stelde in zijn `Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening' dat 50 procent van alle nieuwbouw de komende twintig jaar binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd moest worden. Dit zou een impuls voor de steden betekenen: meer mensen, een groter economisch draagvlak. Deze doelstelling is nu door minister Dekker losgelaten. In haar `Nota Ruimte' wordt het Groene Hart een stuk kleiner, de Hoekse Waard deels bebouwd, en in Nationale Landschappen en de Ecologische Hoofdstructuur kan voortaan ook worden gebouwd. De filosofie hierachter luidt: de rijksoverheid moet in het ruimtelijk beleid niet langer willen sturen, maar dit nog slechts `ondersteunen', `faciliteren' en `stimuleren'. Leidraad daarbij is `versterking van de internationale concurrentiepositie'. Gemeenten en provincies moeten stoppen met `toelatingsplanologie' en zij moeten bedrijven en instellingen goede vestigingsplekken bieden. Verder zegt minister Dekker erop te vertrouwen dat provincies en gemeenten voldoende doen om de vitaliteit van de steden en de openheid van ons landschap te beschermen. Ze geeft de provincies en gemeenten daartoe echter noch geld, noch instrumenten om dat ook daadwerkelijk te kunnen waarmaken.

Nederland is een heel klein, én een heel intensief gebruikt land. De ruimte staat onder enorme druk. Om iedere plek wordt gevochten. Het is aan politici om te kiezen: welke bestemming laat ik toe, en welke niet. Versterken we de steden, of bouwen we in het groen, waar willen we nieuwe zwaartepunten van bedrijvigheid, van wonen? Waar willen we daarentegen juist een groene ontwikkeling? Hoeveel ruimte krijgen de havens, krijgt Schiphol? Nieuwe wegen of beter openbaar vervoer, en een kilometerheffing voor de auto?

Dat vraagt om een nationale visie. Pas daarna zijn provincies en gemeenten aan zet, en zij dienen dan ook voldoende gereedschap te krijgen om ruimtelijke ontwikkelingen daadwerkelijk te sturen: rode contouren om harde grenzen aan bebouwing te stellen, een heffing op het bebouwen van open ruimte, bestemmingsplannen die niet van elastiek zijn. Inderdaad: toelatingsplanologie. Anders zullen onvermijdelijk de zwakkere groene belangen en de steden het afleggen tegen de economische belangen van de korte termijn.

Een breed maatschappelijk debat over de ruimtelijke plannen en prioriteiten van dit kabinet is zeer gewenst. Maar het kabinet wil daartoe niet de gelegenheid bieden. Dit is een strijd met de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Die schrijft voor dat veelomvattende ruimtelijke plannen gepaard moeten gaan met uitgebreide inspraak- en overlegrondes: met burgers, maatschappelijke organisaties, maar ook met gemeenten en provincies. Met een truc poogt minister Dekker alle inspraak, debat en overleg te ontlopen. Ze stelt dat haar nota een voortzetting is van de `Vijfde Nota' van Pronk. En Pronk heeft zijn voorstellen destijds wel breed voorgelegd, dus dat hoeft volgens Dekker nu niet meer. Maar haar plannen zijn nieuw en nog niemand heeft zich erover kunnen uitspreken. Dat moet alsnog gebeuren.

Wijnand Duyvendak is lid van de Tweede Kamer en maakt deel uit van de fractier van GroenLinks.