Lekker ver

Rond de jaarwisseling ontstond enige ophef over een kunstproject van Martijn Engelbregt. De kunstenaar had in Amsterdam 200.000 officieel ogende formulieren verspreid met de vraag of de ontvanger bereid was illegalen die hij of zij toevallig kende aan te geven.

Wrange vraag, ongetwijfeld, maar de ophef was wonderlijk. Op een zaterdagavond werd ik gebeld door iemand van de Volkskrant die op ziedende toon wilde weten wat de bedoeling was van deze grap. Van deze misselijke grap, verduidelijkte hij. Het is geen grap, antwoordde ik. De kunstenaar zal de resultaten van zijn project aanstaande vrijdag presenteren in de Balie en omdat ik daar werk, moest ik mij verantwoorden.

Als het geen grap is, wat is het dan? De telefoon van de Volkskrant stond roodgloeiend, riep de journalist, allemaal mensen die herinneringen kregen aan de NSB-tijd, toen joden moesten worden aangegeven.

Maar wat had dit project met de NSB-tijd te maken? Je kunt de jodenvervolging van de nazi's onmogelijk vergelijken met de uitzetting van illegalen, je kunt de jodenvervolging nergens mee vergelijken. Een vergelijking, dat zou pas duiden op een misselijke grap.

Het is geen grap, het is een kunstproject van Martijn Engelbregt, zei ik. Maar het is toch smakeloze kunst, brieste de Volkskrantman. Niet alle kunst is smaakvol, dat is waar. Ik vond het zelf ook niet smaakvol en als ik de kunstenaar goed begrijp, heeft hij de kwestie van smaak niet laten meespelen in zijn project. Er is kunst om te behagen en te plezieren, maar er is ook kunst om te onderzoeken en te frustreren. Soms word je daar misselijk van, maar een grap is het niet.

De volgende dag stormde een reporter van AT5, de lokale Amsterdamse televisiezender, mijn huis binnen. Zo'n razende reporter met lange jas en kekke hoed. En, wat vind je ervan, nou, nou, is het niet schandelijk? Razende reporters tutoyeren graag en ze zijn heel nieuwsgierig. Ik begon aan een antwoord, maar de razende reporter was nog niet klaar: ik weet het niet, hoor, zei hij, ik weet het niet. Ik heb niets tegen doorbreking van taboes. Als iemand als Hitler verkleed op de Dam staat, interview ik hem ook. Ik heb geen taboes.

Ik vind taboes belangrijk, sputterde ik tegen. Als je een razende reporter tegenover je hebt, moet je geen lange zinnen maken en zeker geen moeilijke gedachten formuleren. Of ik mij gerealiseerd had hoeveel bejaarden ik de stuipen op het lijf had laten jagen, vroeg hij. Nee, eerlijk gezegd niet. Ik had me eerder zorgen gemaakt over de illegalen in Amsterdam wie Martijn Engelbregt de stuipen op het lijf heeft gejaagd.

Illegalen duiken al weg als ze zware voetstappen horen op de galerij, ik ken het verhaal van een illegaal gezin dat de flat niet durfde uit te komen terwijl het gebouw in brand stond, omdat buiten naast de brandweer ook de politie aanwezig was.

Ik ken ook de methode waarmee de vreemdelingenpolitie onderzoekt hoeveel illegalen zich in Amsterdam-Zuidoost schuilhouden. Ze tellen de vuilniszakken. Volgens het aantal zakken wonen in Zuidoost 110.000 mensen, terwijl er maar 80.000 staan geregistreerd. Het zoeken is dus naar die ondergedoken 30.000. Dat tellen van de vuilniszakken, het is bijna een kunstproject, maar bij de politie werken geen kunstenaars.

De volgende dag ging de mediahysterie verder. Het is foute kunst, vonden de journalistieke zedenmeesters. Enkele tientallen ontvangers van het Engelbregt-formulier waren naar de politie gestapt, steunend op hun rollator. U ziet, de journalistiek bekommert zich zeer om onze oudjes.

Kunst kan inderdaad fout zijn. Als een kunstenaar een wrede heerser of notoire schurk verheerlijkt of zelfs maar verdedigt, zou ik het fout noemen. Maar wie of wat verdedigde of verheerlijkte Engelbregt?

Daar wrong het. Engelbregt verheerlijkte niets, hij tartte slechts ons gemoed. Onze geveinsde onwetendheid, onze gespeelde onnozelheid. Iedereen in Nederland weet dat er illegalen zijn en dat ze worden uitgezet. Maar dat is een kwestie van wet en orde, daar zijn ordehandhavers voor en daar hebben we zelf niets mee te maken. Het is het beleid en dat wij daar medeverantwoordelijk voor zijn, dat is te indirect om er een kwellend geweten aan over te houden.

Maar nu werd gevraagd om mee te helpen aan dat beleid. Was men bereid de politie een handje te helpen bij de opsporing van de illegalen? Er werd niet gevraagd om ze zelf naar de grens te transporteren, met de inboedel in een aanhangwagen aan de trekhaak, er werd alleen gevraagd naar de bereidheid om ze aan te geven.

Aha, stelde iemand vast op de opiniepagina van een krant, want ook daar ging de discussie lustig voort, de kunstenaar misbruikt de kunst om een politiek doel te dienen. De kunstenaar, en de Balie in zijn kielzog, zijn eigenlijk tegen uitzetting van illegalen en willen dat politieke standpunt kracht bij zetten met deze misselijke grap. De kunstenaar heeft daardoor zijn integriteit verloren.

Het zou jammer zijn als dat het geval was, maar dat is het geval niet. Er zit wel degelijk een standpunt achter het project van Engelbregt, maar dat standpunt is niet dat we de illegalen niet moeten uitzetten of zelfs de grenzen moeten opengooien voor iedere avontuurlijke armoedzaaier die zich gezellig in Nederland wil nestelen.

Het standpunt is, denk ik, dat mensen tegenwoordig precies weten wat er in de wereld gebeurt, maar niet in staat zijn die wetenschap daadwerkelijk te ervaren. Het gebeurt allemaal buiten ons om en lekker ver van ons af, en we hebben er een mening over, een heel stoere mening soms, maar bij een mening is emotionele betrokkenheid niet noodzakelijk.

Zoals vleeseters niet zelf een varkentje durven slachten of de pleiters voor de doodstraf niet zelf de beul willen zijn, zo willen we niet zelf betrokken raken bij alle smart en ellende in de wereld.

De illegaal is de verpersoonlijking van de ellende in de wereld, hij is de vleesgeworden `globalisering' en we vinden globalisering prima. Al die leuke culturen en stranden waar we naartoe kunnen, maar hier thuis een illegaal aangeven, dat willen we niet. We houden het lekker ver, helden die we zijn.

ramdas@nrc.nl