Steelse blikken op de laatste heilstaat

Sinds de terreuraanslagen van 11 september zijn de verhoudingen tussen de VS en Noord-Korea gespannen. Bush doopte Irak, Iran en Noord-Korea tot de 'As van het Kwaad'.

Fotojournalist Justin Jin bezocht de grensstreek tussen China en Noord-Korea en sprak met Koreanen en Chinezen die in Korea hebben gewoond. Ze leven in angst en schuwen elk contact.

Het wemelt in de grensstreek van de Chinese militairen en Chinese en Noord-Koreaanse geheime agenten.

'Ze liegen allemaal.'

De zon schijnt in Dandong, een Chinese stad aan de grens met Noord-Korea.

Iedereen die in de goedkope slaapgelegenheid verblijft, is uitgegaan, op een vrouw uit de buurt van de Noord-Koreaanse hoofdstad Pyongyang na.

'Ze durven niet te zeggen hoe het werkelijk is', zegt zij. Ze haalt haar vingertoppen langs haar keel om aan te geven wat Noord-Koreanen die vrijuit spreken te wachten staat.

De mensen die zij van leugens beschuldigt zijn haar kamergenoten, drie grove Koreaanse handelaren van Chinese afkomst, die tegenover mij een rooskleurig beeld van hun land hadden opgehangen.

'Noord-Korea is geweldig. Over vijf of tien jaar streeft Pyongyang Seoul in levensstandaard voorbij', zei een van hen, terwijl hij en zijn collega's de ene sigaret na de andere opstaken. 'De mensen krijgen tegenwoordig geregeld vlees en tofoe te eten.'

Deze absurde bewering zegt veel over het meest angstaanjagende regime ter wereld. Zuid-Korea heeft een geavanceerde economie, terwijl het bruto binnenlands product van Noord-Korea per hoofd van de bevolking nog onder dat van Rwanda en Liberia ligt. Kou, honger en nucleaire dreiging kenschetsen dit stalinistische land beter dan vlees en tofoe.

Het is niet eenvoudig om echt iets over het geïsoleerde land aan de weet te komen. Gewone Noord-Koreanen mogen geen contact hebben met buitenlandse bezoekers. De weinigen die er legaal of illegaal in slagen China te bereiken, weten dat zij voortdurend in de gaten worden gehouden en moeten, net als die handelaren, zonder mankeren hun loyaliteit betuigen. Toch zijn hier aan de grens in de zogeheten etnisch-Koreaanse regio van China wel leden van de Koreaanse minderheid, vluchtelingen of teruggekeerde Chinezen te vinden die hun mond durven opendoen.

Twee steden

Slechts een rivier scheidt China en Korea, maar de kloof tussen de twee communistische bondgenoten zou niet breder kunnen zijn. Aan de kant van Dandong is de kade een en al Chinese en Koreaanse restaurants de spitse skyline is een spinnenweb van neonlicht. Chinese toeristen stromen hier toe om over het water een blik te werpen op Sinuiju, een Noord-Koreaanse stad van grijze huizenblokken, roestige motorboten en hongerige mensen. Het herinnert hen aan de tijd dat zij nog arm waren. 'De Noord-Koreanen kijken naar ons alsof wij rijke Amerikanen zijn', zegt een Chinese chauffeur vergenoegd.

In de eerste decennia van het communisme volgde de Chinese overheid een radicale harde lijn, maar tegenwoordig is het volkrijkste land van de wereld relatief open en bloeit in vele regio's de economie.

Maar Noord-Korea voert nog altijd de Koude Oorlog. Dit land, dat sinds 1948 is bestuurd door de messiaanse leider Kim Il Sung en zijn zoon Kim Jong Il, heeft steeds koppig vastgehouden aan zijn ideologie van juche (autarkie) en zijn vestingmentaliteit, en het ene stalinistische economische plan na het andere opgelegd. Overstromingen, droogtes en wanbeheer hebben het land in de jaren '90 in een hongersnood gestort die te voorkomen was geweest en die wel drie miljoen mensen 13 procent van de bevolking het leven heeft gekost. Het meeste voedsel gaat naar het één miljoen man sterke leger in grootte het vijfde ter wereld.

De avond valt, en Sinuiju wordt een duister mysterie. Telkens zijn maar een paar gebouwen tegelijk verlicht, en dat maar een paar seconden lang. Voor de bewoners blijkbaar lang genoeg om kaarsen te kunnen vinden. Dan gaan in een ander deel van de stad eventjes de lichten aan. Terwijl de wijken elkaar het beetje stroom proberen af te snoepen, knippert de stad aan en uit als een versierde kerstboom.

Contact met de vijand

Li, een 35-jarig kamermeisje in een hotelletje in Dandong, kent Korea goed. In de jaren '40, toen Noord-Korea indertijd onder de Japanse bezetter een centrum van industriële ontwikkeling welvarender was dan China en Zuid-Korea, zijn haar grootouders uit China naar Pyongyang gegaan. Twee generaties later waren de bordjes verhangen. In 1997, toen China een van 's werelds grootste economieën was geworden, terwijl Noord-Korea in de greep was van een rampzalige recessie, is Li naar China teruggekeerd.

Als een van de duizenden Chinezen die in Noord-Korea waren geboren en opgegroeid had Li meer vrijheid en minder te vrezen dan haar Noord-Koreaanse buren. Toch heeft ook zij geleerd op haar hoede te zijn. 'Ik waag het niet om negatieve dingen te zeggen over Noord-Korea, want mijn familie woont daar nog, en ik wil hen niet in problemen brengen', zegt ze zachtjes, bijna fluisterend.

Het werk dat Li doet brengt gevaar mee voor haar vier broers en zusters in Noord-Korea, want in haar hotel verblijven dikwijls Zuid-Koreaanse gasten. Ieder contact met de 'vijand' geldt voor Noord-Korea als een ernstig politiek misdrijf. Li luistert zelfs niet naar Zuid-Koreaanse popsongs, om te voorkomen dat zij uitdrukkingen oppikt die bij haar volgende bezoek aan haar verwanten zouden kunnen opvallen.

Het principe waardoor iedere ingezetene van Noord-Korea is overgeleverd aan het meedogenloze juridische apparaat is guilt by association: begaat iemand een politiek misdrijf, zo vertelden deze vrouw en anderen mij, dan kunnen tot drie generaties van zijn verwanten levenslang naar een strafkamp worden verbannen.

'Soms verdween een gezin bij ons in de buurt zomaar, van de ene dag op de andere, en je kwam er nooit achter wat er gebeurd was', zegt het kamermeisje. 'Wij konden alleen maar vermoeden dat iemand de staat had beledigd, en dat het gezin naar de bergen was gestuurd. Dat is erger dan de dood.' Daarom onderhoudt Li slechts sporadisch contact met haar familie in Pyongyang. Ze zou kunnen schrijven, maar brieven uit het buitenland worden gecontroleerd. Telefoneren is bijna onmogelijk, want gewone Noord-Koreanen mogen geen privé-aansluiting hebben, en mobiele telefoons zijn gereserveerd voor het hogere kader. Haar verwanten kunnen gesprekken alleen maar aannemen in internationale hotels, waar ze zeker worden afgeluisterd.

Er zijn natuurlijk manieren om aan het toezicht te ontkomen. Kim, een vluchtelinge uit Pyongyang die nu als escort-meisje in China werkt, betaalt smokkelaars 150 euro voor één brief naar haar ouders. Inwoners van de grensstad Sinuiju kunnen van familie in China gesmokkelde mobiele telefoons krijgen, die zij dan met het Chinese netwerk kunnen gebruiken. Maar ze moeten wel de trilfunctie gebruiken, uit angst voor ontdekking.

Het dagelijks overheidstoezicht is in handen van twee gevreesde instanties: de Nationale Veiligheidsdienst en de Volksveiligheidsdienst. Strafkampen en executies dreigen voortdurend, en niemand durft dan ook een mond open te doen. Wie toch een kik geeft, verdwijnt. Volgens vluchtelingen worden gewone misdadigers op drukke plaatsen voor de ogen van hun familie doodgeschoten. 'Toen ik een keer van school naar huis liep', vertelt mevrouw Kim, 'kwam ik op het marktplein in een enorme menigte terecht.' Zij was toen veertien jaar. Dat was de eerste keer dat zij een executie door een vuurpeloton zag. 'Ik kon een week niet eten... Maar je went eraan.'

Steekpenningen

In dit meest totalitaire land ter wereld is de bewegingsvrijheid beperkt en worden feiten achtergehouden, gemanipuleerd of verzonnen. Voor een reis naar een andere stad is toestemming van de politie nodig, die enkele dagen tot een maand vergt niet afhankelijk van urgentie maar van persoonlijke connecties en steekpenningen. De Noord-Koreanen kunnen slechts één tv-zender bekijken, en die biedt alleen maar propaganda.

De mensen die langs de 1400 kilometer lange grens met China wonen zouden in theorie de betrekkelijk openhartige Chinese tven radiozenders kunnen ontvangen. Maar alle in Noord-Korea geïmporteerde toestellen worden zo ingesteld dat ze maar één kanaal kunnen ontvangen. Wie daaraan gaat sleutelen vraagt om moeilijkheden.

Bij ieder gezin, in ieder klaslokaal en op ieder kantoor hangen naast elkaar de portretten van de twee Kims aan de muur. Volgens Wu, een Chinese die in Noord-Korea heeft gewoond, behandelen de mensen ze als heilige voorwerpen: ze worden elke dag afgestoft. 'Als zo'n portret kapot gaat krijg je problemen', zegt zij. 'Hoe moet je aan de autoriteiten uitleggen dat een stevig aan de muur bevestigd portret zomaar heeft kunnen vallen?'

Nadat Kim Il Sung in 1948 door de sovjets was geïnstalleerd, hield hij de natie door een stelsel van indoctrinatie, zuiveringen en terreur in een ijzeren greep. Toen de Grote Leider in 1994 overleed, was de opvolging door zijn zoon een kwestie van goddelijk recht. Over de teruggetrokken levende Kim Jong Il, nu 61, was toen weinig meer bekend dan dat hij een rokkenjager was, een stevige drinker en een filmfan niet iemand om een door geheimhouding geobsedeerd regime te leiden. Die indruk werd nog versterkt toen de staat in 1998 Kim Il Sung, vier jaar na zijn dood, weer tevoorschijn haalde: de grondwet werd herzien om hem te installeren als 'eeuwige president'.

Koreakenner Peter Maass schreef onlangs in een profiel in het New York Times Magazine dat waarnemers Kim Jong Il lange tijd hebben onderschat. Door zijn kennis van de buitenwereld, zijn sluwheid en boosaardigheid gesteund door een geloofwaardige nucleaire dreiging is zijn regime veel taaier en gevaarlijker dan was verwacht.

Kernwapens

Het Noorden, dat sedert een halve eeuw formeel in oorlog is met het Zuiden, zou sinds eind jaren '70 een kernwapenprogramma hebben. Onder bedreiging met een preventieve aanval heeft het regime in 1994, toen het krap zat, met de regering-Clinton een 'kaderovereenkomst' gesloten, die inhield dat in ruil voor concessies het programma werd bevroren.

De spanning nam toe toen de nieuwe Amerikaanse president George Bush Noord-Korea in 2002 indeelde bij de 'As van het Kwaad'. Voor Noord-Korea betekende dat oorlog. In de herfst van dat jaar, net toen Amerika zich voorbereidde op een inval in Irak, liet Pyongyang weten dat het zijn kernwapenprogramma in de hoogste versnelling zette. Als Kim niet bluft en dat hoort bij het spel is Noord-Korea nu een land met kernwapens.

Voor Peking is het een netelige situatie. Peking wil Noord-Korea wel ontwapenen, maar echt haast heeft het daar niet mee. Als de dictatuur bezwijkt zou China een vloedgolf van vluchtelingen binnenkrijgen, en de Amerikaanse troepen die nu in Zuid-Korea liggen zouden doorstoten tot aan de Chinese oostgrens. Maar Peking heeft er wel genoeg van dat Pyongyang vlak voor de deur de ene crisis na de andere uitlokt. De laatste tijd nemen Chinese troepen nieuwe posities in langs de grens. Hoewel Peking deze manoeuvres een routinezaak noemt, komen ze op een moment dat China een bemiddelaarsrol speelt bij het opvoeren van de internationale druk op Pyongyang om te stoppen met het bewapeningsprogramma, dat dreigt te leiden tot destabilisatie in Oost-Azië, een wapenwedloop met Japan en Zuid-Korea, en een confrontatie tussen China en de Verenigde Staten.

Ongeacht de eventuele uitkomst van het huidige 'zespartijenoverleg', dat de voornaamste betrokkenen plus Rusland omvat, hebben de oorlogsvoorbereidingen al een zware wissel getrokken op de reserves van een hongerig land dat in duisternis wegkwijnt.

'Nu Amerika en Noord-Korea in oorlog zijn, zijn alle reserves naar het leger gegaan, waardoor de mensen te weinig te eten krijgen', zegt Wang, een Chinese die in een dorp bij Pyongyang woont. 'Bij ons valt avond aan avond het licht uit.'

Smokkelvissers

Aan een rustig gedeelte van de Jalu buiten Dandong halen Chinese vissers bij daglicht op hun gemak hun vangst binnen. 's Avonds komt het echte werk: smokkelen. Onder dekking van de duisternis steken tientallen boten de rivier over om Noord-Korea onmisbare zaken als rijst, sigaretten, gloeilampen en plastic zakken te brengen, die worden geruild tegen koper en andere metalen.

Xu (60) vist al zijn leven lang in de Jalu. Hij brengt mij naar de overkant voor een praatje met Noord-Koreaanse vissers. Ik vraag ze hoe de zaken ervoor staan. 'Geef ons eerst een pakje sigaretten', krijg ik ten antwoord. Gelukkig ben ik daarop voorbereid.

Drie Noord-Koreaanse vissers van tegen de veertig zeggen dat het leven tegenwoordig wat beter is. 'Vroeger aten wij grof maïsmeel, maar nu eten we witte rijst, tofoe, vis en groente', zegt een van hen. 'Gelul', zegt de Chinese visser in zijn eigen taal.

Volgens de Koreanen is hun loon gestegen tot zo'n 4.000 won per maand. Helaas wordt iedere stijging tenietgedaan door de vrije val van de valuta sinds deze in juli 2002 door de regering is losgekoppeld van de Amerikaanse dollar. Op dit moment is dat maandsalaris op de zwarte markt maar drie dollar waard. Terwijl wij zitten te praten komt er een gewapende soldaat op ons toelopen. We gaan ervandoor.

Vluchten over het ijs

De honger, de ontstellende armoede en de repressie hebben velen gedwongen te vluchten. Dat kan alleen naar China, want de grens met Zuid-Korea is de zwaarst gemilitariseerde zone ter wereld. In de eerste hongersnoodjaren kneep China een oogje toe voor de Noord-Koreanen die binnensijpelden. Uitgehongerde vluchtelingen waadden gewoon door ondiepe gedeelten van de Jalu of de Tumen, of liepen 's winters over het ijs, waarna zij in de Chinese steden aanklopten bij Koreaanse bedrijven, kerken en scholen.

Begin 2003 organiseerden activisten een aantal spectaculaire demonstraties, waarbij vluchtelingen consulaten en ambassades in China bestormden en zo Peking in verlegenheid brachten. De Chinese regering gaf opdracht om harder op te treden en dreef zo de Noord-Koreaanse vluchtelingen ondergronds. Wie gegrepen werd, werd uitgeleverd aan de gevreesde Noord-Koreaanse politie, waarvan tot een paar jaar geleden gezegd werd dat zij hen als vee, met een touw door hun neus of hun handpalm, afvoerde naar de werkkampen.

Volgens hulpverleners zouden er twee jaar geleden wel 300.000 illegale Noord-Koreanen in Noord-China hebben gewoond. Dat aantal is geslonken tot misschien niet meer dan 20.000. Zij die hen helpen, worden gerechtelijk vervolgd.

Ik bezoek een grensdorpje waar enkele gezinnen Koreaanse vrouwen in dienst zouden hebben. Om er te komen moet ik langs een controlepost van het leger, die volgens mensen uit de buurt bedoeld is om illegalen te vangen. Een dorpeling vertelt me dat de politie er die week in die regio tien heeft gevangen.

Eén vrouw wist door de controle te glippen; ik tref haar bij een vriendin, waar ze zich schuilhoudt. De vluchtelinge brengt mij naar haar eigen woning, waar ik kennismaak met haar echtgenoot, een boer van Koreaanse afkomst. De heer Li en mevrouw Huang, beiden veertig jaar, wonen met hun kind van vijf in een afgelegen armoedig huis met een rieten dak. Hun woonkamer heeft als enig meubilair de opgerolde slaapmatjes en de traditionale aarden kookpotten. Hun huid is donker, hun vingers zijn dik en ruw, en hun verweerde gezichten zijn doorgroefd. De vrouw kijkt telkens uit het raam, wetend dat zij ieder moment kan worden aangehouden.

Het leven van een arme boer in China is zonder meer slopend, maar volgens Huang waren de omstandigheden in haar dorpje aan de overkant van de rivier veel en veel slechter. Zij is hier tien jaar geleden voor het eerst gekomen, en is toen met Li getrouwd. Sindsdien is zij driemaal gedeporteerd naar Noord-Korea, waarbij zij telkens tot een langer verblijf in een werkkamp werd veroordeeld. De laatste keer werd zij een halfjaar lang in een verschrikkelijke slaapruimte opgesloten; ze moest werken tot ze erbij neerviel en kreeg meedogenloze hersenspoelsessies te verduren. Als zij nog eens gegrepen wordt, overleeft ze het niet, denkt ze.

Koreaans restaurant

Een andere Noord-Koreaanse vluchtelinge, Piao, heeft meer geluk gehad. Zij werkt zeven dagen per week in de benauwde keuken van een Koreaans restaurant in Yanji. Deze voorheen arme, verwaarloosde militaire grensregio is de laatste tien jaar dankzij de Zuid-Koreaanse toeristen en concerns opgebloeid.

Ik word opgehaald door haar werkgeefster, een Koreaanse van in de dertig, die mij naar een geheime plaats buiten de stad brengt. Daar zit Piao, een kleine, mollige vrouw met een rond gezicht, geknield op de rotanvloer naast een lage tafel, met haar handen sierlijk op haar dijen. Bij het middageten met bier doet zij haar verhaal.

Twee jaar geleden is zij samen met twee vriendinnen in een heldere nacht door het besneeuwde landschap naar de Chinese grens gegaan om rijst te kopen. Zij was niet van plan geweest om te vluchten, maar toen ze over de bevroren rivier keek, kon ze geen weerstand bieden aan de gedachte. Piao, toen 35 jaar, haalde de anderen over om mee te gaan. Ze lieten zich van de oever glijden en belandden met een dreun op het ijs. Een paar stappen en ze waren in China. Daar liepen zij naar een boerderij, waar een oude vrouw hen binnenliet. Ze hadden geluk gehad, zegt ze, want de vrouw was een Koreaanse christen. De volgende dag nam zij hen mee naar de kerk, waar zij in contact waren gebracht met mensen die hen aan werk en onderdak hielpen.

Thuis, in een dorpje bij de oostelijke kustplaats Rajin, worden haar zoontjes van zeven en veertien verzorgd door hun grootmoeder. Piao maakt zich er niet al te veel zorgen over dat zij door haar vlucht hun toekomst in gevaar kan hebben gebracht: 'Wij hadden daar amper te eten, wij hebben te veel honger om ons druk te maken over politiek.'

Piao herinnert zich nog hoe ze wilde planten aten gemengd met grof maïsmeel en grove rijst, waarvan haar kinderen vaak diarree kregen. Eén keer in het jaar trakteerde zij haar gezin op varkensvlees voor ieder een stukje ter grootte van een duim. Op school waren zowel de leerkrachten als de leerlingen te zwak voor de les. Sommigen stierven van de honger.

Een Zuid-Koreaanse hulpverlener die heel Noord-Korea heeft bereisd vertelt dat behalve in Pyongyang het onderwijs in het hele land slecht functioneert. De kinderen kunnen in principe redelijk lezen en schrijven, maar zijn te uitgeput om te leren. In het dorp van Piao lijdt zelfs het leger honger. Militairen dringen soms 's nachts boerderijen binnen om varkens en pluimvee te stelen. De arbeiders lijden kou, zijn gedemoraliseerd en kunnen wegens gebrekkige apparatuur hun werk niet doen.

Piao zegt dat zij wel eerder had kunnen ontsnappen maar dat zij er nooit reden toe had gezien. De staatstelevisie laat altijd weer zien wat een geweldig land Noord-Korea is, en het is dan wel arm, maar de rest van de wereld heeft het niet beter. Aartsrivaal Zuid-Korea wordt afgeschilderd als een broeinest van misdaad, uitbuiting en bedelarij. 'Ik dacht altijd dat Zuid-Korea armer was dan wij', zegt ze en ze lacht achter haar hand.

Piao verdient nu 500 yuan per maand, wat voor China niet gek is. Als het haar zou lukken om één maandsalaris naar huis te sturen, zouden haar zoons en haar ouders meteen voor zes maanden te eten hebben. Maar ze weet nog niet hoe.

Als wij na het eten aanstalten maken om weer op te stappen, pakt Piao het overgebleven eten in. 'Door al die verspilling hier moet ik aan mijn kinderen denken', zegt ze. Nadat wij Piao in de stad hebben afgezet, vertelt haar werkgeefster me dat de vluchtelinge haar belevenissen in China te rooskleurig heeft voorgesteld. 'Zij is verkocht aan een man die haar slecht behandelde', zegt ze. 'Dat weet ik, want ik ken die man.'

Mensensmokkel

De diepe economische kloof tussen de twee oevers van de rivier heeft een bloeiende mensensmokkel in het leven geroepen. Net als op tal van andere geteisterde plekken in de wereld worden ook hier vrouwen werk en een slaapplaats voorgespiegeld, waarna zij maar al te vaak ineens iemands echtgenote of concubine of prostituée blijken te zijn. Een ruime meerderheid van de Koreaanse vluchtelingen in China zijn vrouwen; vaak hebben tussenpersonen hun al geld uit de zak geklopt voordat zij de grens overgingen.

In Yanji houd ik een taxi aan. Onderweg vraag ik de chauffeur of hij Noord-Koreanen kent, omdat ik voor dit artikel met zo iemand wil praten. 'Zou u niet liever een Noord-Koreaanse willen kopen dan er een interviewen?' vraagt hij met een sluwe blik opzij. Het is bijna middernacht. De chauffeur zet de wagen aan de kant van de weg. Hij laat de motor lopen om de auto warm te houden. 'Weet u,' zegt hij, terwijl hij een sigaret opsteekt, 'ik kan u iedere vrouw bezorgen die u maar wilt. Zeg maar hoe lang en hoe oud ze moet zijn, en wat voor figuur ze moet hebben, en ik lever haar aan de deur af. U betaalt bij aflevering.'

De Noord-Koreaanse vrouwen staan bekend om hun volgzaamheid. De chauffeur noemt als gangbaar tarief voor een 'mooie, jonge' vrouw 7000 yuan (700 euro); een 'lelijke' kost de helft. Hij zegt dat hij de bestelling over de grens opgeeft aan zijn 'speurders'. Dan wordt de vrouw per auto, vrachtauto, of te voet de grens over gebracht, waarbij de grensbewakers vaak in het complot zitten. 'Ze verrekken daar van de honger. Geef haar wat te eten, een warm onderkomen en wat kleren en ze doet alles voor je. Als je seks wilt krijg je seks, als je wilt dat ze een kind baart, baart ze een kind, en als je wilt dat ze gaat werken, dan gaat ze werken.'

De taxichauffeur, een dertiger, beweert dat hij voornamelijk verkoopt aan Chinese boeren op het platteland, waar een tekort aan vrouwen heerst doordat er zoveel naar de stad zijn getrokken. Maar hij heeft ook Chinese en Zuid-Koreaanse zakenlui als klanten. 'Je huurt een flat, gaat een halfjaar je gang met haar en dan doe je haar van de hand. Geen haan die ernaar kraait', belooft hij. Hij wacht even, voelt dat ik niet enthousiast ben en zegt: 'Je haalt je geld er weer uit. Je brengt haar gewoon naar een dorp en verkoopt haar.' Sommige vrouwen worden wel drie of vier keer verkocht.

Volgens een rapport van de Amerikaanse mensenrechtenactivist David Hawk wordt iedere Noord-Koreaanse vrouw die in China zwanger raakt, bij terugkeer in Noord-Korea onder dwang geaborteerd. Als de zwangerschap daarvoor te ver is voortgeschreden, laat men de vrouwen de kinderen baren, die vervolgens meteen worden gedood.

Propaganda

Is er een toekomst voor Noord-Korea? 'De vijand is overal. Zelfs op lokaal bestuursniveau verlangen de functionarissen naar een open

samenleving', zegt de Zuid-Koreaanse hulpverlener in Yanji tegen me. Maar deze hulpverlener, die het noorden geregeld bezoekt, moet toegeven dat het verlangen naar verandering lang niet opweegt tegen de angst. De mensen zijn te hongerig en te verzwakt om in opstand te komen. Tientallen jaren van systematische indoctrinatie hebben hen geestelijk gebroken. 'Vanaf het moment dat een kind het levenslicht ziet is alles propaganda. In de crèche, op school en in de fabriek zweert iedereen iedere morgen de eed van trouw aan Kim Jong Il', zei hij. 'Zij schreeuwen: 'Wij zijn hier dankzij Kim Jong Il, wij leven voor u, Kim Jong Il, wij zullen ons leven als een kogel opofferen voor u, Kim Jong Il.'

Bovendien wordt het geringste verzet onmiddellijk de kop ingedrukt door de heersende klasse, wier privileges en levens afhangen van het voortbestaan van het regime.

In Dandong lunchte ik een keer met een Noord-Koreaanse wetenschapper. Met zijn opbollende kapsel, zijn gouden bril en zijn stevige figuur doet dr. Cui opvallend denken aan de Geliefde Leider. Als lid van de partij-elite wordt hij bedolven onder de extraatjes, zoals een huis van 240 vierkante meter in Pyongyang en een vijfjarig verblijf in China. Ik vroeg deze 52-jarige hoe het is om in Noord-Korea te leven. 'In de hele wereld is geen tweede land te vinden waar het leven zo goed is en de levensstandaard zo hoog. De samenleving is stabiel, en milieuvervuiling en werkloosheid zijn er onbekend. Lang leve Kim Jong Il.'

Vertaling: Jaap Engelsman

Justin Jin is een Brits-Chinese fotojournalist die geregeld in M schrijft. Zijn website is www.justinjin.com.

[streamer]

'Weet u, ik kan u iedere vrouw bezorgen die u maar wilt. Zeg maar hoe lang en oud ze moet zijn, en wat voor figuur ze moet hebben.'