Speren in het ijs

Binnen de poolcirkel zijn resten van menselijke aanwezigheid gevonden, 30.000 jaar oud. Speeronderdelen lijken op die uit de veel jongere Clovis-cultuur in Amerika.

OP 71° NOORDERBREEDTE, dus ruim binnen de poolcirkel, hebben Russische archeologen bewijzen gevonden voor menselijke activiteit van 30.000 jaar geleden. In totaal werden tijdens twee expedities in 2001 en 2002 langs de oever van de Yana-rivier 383 bewerkte stenen gevonden, twee ivoren onderdelen van een speer, een benen priem, kleine stukjes rode oker en ongeveer 800 dierenbotten en botresten (onder meer van mammoet, langharige neushoorn, bizon, rendier en paard). Alle grote botten vertoonden kras- of schraapsporen. De steenbewerking is geavanceerd, van een laat-Paleolitisch type en dus vermoedelijk afkomstig van Homo sapiens, en niet van Neanderthalers die in deze periode trouwens toch al bijna zijn uitgestorven (Science, 2 jan).

Dat mensen midden in de laatste IJstijd zo hoog noordelijk konden overleven is opmerkelijk. De datering op 30.000 jaar geleden valt overigens wel in een tijdelijk iets warmer tijdvak, waarin dit Noord-Siberische gebied even niet met ijs bedekt was, maar juist bestond uit een toendra waarin allerlei kuddes van planteneters leefden. Die planteneters, waarvan de botten dan ook in ruime mate werden aangetroffen bij de opgraving, vormden een aantrekkelijke prooi voor mensen in de prehistorie. Later rukte het ijs weer op, het hoogtepunt van de laatste IJstijd ligt ongeveer 20.000 jaar geleden (maar 10.000 jaar geleden was het afgelopen).

Een vreemd detail is dat het onderzoeksteam, onder leiding van de Petersburger archeoloog Vladimir Pitulko, zijn opzienbarende vondst in Science expliciet presenteert als de oudst bekende prehistorische bewoning binnen de poolcirkel (die ligt op 66°30'NB). Terwijl toch al ruim twee jaar geleden de Rus Pavel Pavlov met anderen in Nature (6 september 2001) de resultaten publiceerde van een opgraving in het noorden van de Oeral, nét binnen de poolcirkel (op 66°34'NB), die erop wezen dat mensen al veel eerder, 40.000 jaar geleden, zo hoog noordelijk konden leven. Pavlov vond een bekraste mammoetslagtand (die met de C14-methode gedateerd kon worden) en een zevental bewerkte stenen. De gebruikte bewerkingstechniek (Mousterien) is bekend van zowel Neanderthalers als moderne mensen.

Omissie

Zeer tegen de wetenschappelijke gewoontes in wordt in het nieuwe Science-stuk van Pitulko en zijn collega's totaal niet verwezen naar dit Nature-artikel, terwijl allerlei andere noordelijke vondsten uit de IJstijd, met even oude maar omstreden dateringen of uit recentere periodes (ca. 15.000 jaar) wel door Pitulko c.s. worden besproken. Om opheldering gevraagd over deze omissie meldt Pitulko telefonisch vanuit zijn Instituut voor de Geschiedenis van Materiële Cultuur in Petersburg dat Pavlov ``een goede vriend'' van hem is. ``Maar er zijn een aantal redenen om die studie niet te noemen'', aldus Pitulko.

Pitulko: ``Ten eerste is het eigenlijk nauwelijks binnen de poolcirkel en ten tweede is die datering in mijn ogen nooit goed bewezen. Alles draait om die slagtand. Maar even goed kan die slagtand pas duizenden jaren later zijn bekrast. En het verband tussen de tand en de bewerkte stenen is ook niet duidelijk.'' De Noorse onderzoeker John Inge Svendsen, co-auteur van Pavlov, toont zich per email verrast. ``Peculiar. Pitulko zou beter moeten weten. We hebben onze vondsten onlangs opnieuw gedateerd en het lijkt er zelfs op dat ze eerder ouder zijn dan jonger.'' Svendsen is wel opgetogen over Pitulko's vondsten, ``al vind ik de stratigrafische context ervan moeilijk te beoordelen''. In het begeleidende nieuwsbericht in Science van gisteren wordt behoedzaam gesproken over Pitulko's vondst als de oudst bekende in het Aziatische poolgebied. Het onderzoek van Pavlov en Svendsen wordt daarin wel (kort) genoemd.

Maar ook los van de vraag of de vondsten in Yana nu wel of niet de oudst bekende zijn, ze zijn in ieder geval veel uitvoeriger dan die in de Oeral door Pavlov en ook een stuk noordelijker. Pitulko kwam deze uitzonderlijke vindplaats op het spoor doordat de geoloog Mikhael Dashtzeren er al in 1993 een bekrast speervoorstuk vond, dat gemaakt was van de hoorn van een langharige neushoorn. Een speervoorstuk (`foreshaft') is een kort stokje waaraan de speerpunt wordt bevestigd. Het geheel wordt in de eigenlijke speer gestoken. Door deze constructie kan de speer snel losgetrokken worden uit de prooi en snel worden voorzien van een nieuwe punt.

Clovis

Het voorstuk trok de aandacht omdat het erg lijkt op de voorstukken die in Amerika zijn gevonden in de context van de Clovis-cultuur: de oudste Indiaanse inwoners vanaf ca. 13.000 jaar geleden. Uit de nu verrichte C14-datering van het Yama-voorstuk blijkt echter dat deze meer dan twee keer zo oud is als de Clovis-cultuur. De datering komt overeen met de zorgvuldige dateringen van de overige, recente vondsten ter plaatse. Dat verschil in leeftijd is wel erg groot, maar zoals Pitulko schrijft: de overeenkomsten blijven opvallend. De vondst van oude bewoning zo hoog noordelijk en zo oud geeft wel nieuwe voeding aan de gedachte dat Oost-Aziaten al veel eerder dan ca. 15.000 jaar geleden de al ca. 50.000 jaar geleden drooggevallen Beringstraat zijn overgestoken naar Amerika. ``De Yana-opgraving maakt het eindelijk aannemelijk dat de eerste mensen in Amerika verschenen vóór het laatste glaciale maximum (= 20.000 jaar geleden)'', zo zegt Daniel Mann van de Universiteit van Alaska in het nieuwsbericht in Science.

Al jaren wordt onder Amerikaanse archeologen en antropologen een harde strijd geleverd over de eerste kolonisering van de Amerika's, vooral sinds dateringen van menselijk bewoning in Zuid-Amerika (Monte Verde, Chili) op 15.000 jaar oud, pré-Clovis dus, steeds meer steun lijken te krijgen. Dertigduizend jaar oude vondsten in Siberië worden in de VS dan ook onmiddellijk in het licht van deze strijd gezien.