Smurrie

Winterstop op televisie, winterstop in het hart, winterstop in het rumoer van verafgoding en gebakken luchtterrorisme. Voor we het weten is tederheid weer in de meerderheid. Niet het legioen, Dione de Graaf neemt het over, met haar vinnige oogjes, haar warme weelde, haar onderhuidse verweesdheid. De winterstop brengt stilte in de wereld. Meer stilte dan crooners van Stille Nacht, Heilige Nacht.

Het cliché van alle stiltes is Garmisch-Partenkirchen. Schansspringen. Bedenk er een theeroom, duizend in het zwart geklede staatsweduwen, een handvol sneeuwklerken en oud-kampioen Jens Weissflog bij en het is vrede op aarde. Schaamtevolle vrede, dat wel, want ook sneeuw roest.

Ik hoor alom dat heel Nederland een dag in het jaar in het schansspringen is. Tja, snobisme gaat in een stadstaat de glorie vooraf. Tenslotte is Balkenende ook zijn sprong in het ijle, zij het altijd met de parachute van de christen-democratie. `Vals plat' heet dat in het jargon van wielrenners.

Schansspringen is een sport die ze in de grachtengordel hadden kunnen bedenken. En dan vooral voor de après-schans. Lallend ten onder gaan in de gespierde armen van sneeuwhelden, daar lusten zelfs de boerinnen in Drenthe wel brood van. Zee of bergen, wat maakt het uit? Zolang de kus der elementen zijn schaduwen vooruitwerpt is het al goed.

Ik ben van andere elementen. Van modder en zand, van geploeter en gekleum, van een slijkorgie. Ik ben van het veldrijden, van Hennie Stamsnijder en Rein Groenendaal, van stervende sintels in de smurrie of op een bevroren bospad, van oorlogsjaren die in een gezicht tot rimpels bestorven zijn. Veldrijden: die schitterende gehaktmolen voor de smettelozen onder ons.

Een ongemeen harde sport.

Maar zo waanzinnig mooi. Nergens zie je de dijbenen van een man meer klapperen dan in het veldrijden. De gezichten van de renners zijn nog mooier: een vleesgeworden krot. Jukbeenderen zijn ruïnes geworden, mondhoeken zijn spelonken uit de tijd van eeuwige duisternis, ogen als hoorndragers van het vergeefse schijnsel. Nog is er die fabuleuze ruk uit de lenden en die snedige pedaalslag, maar verder is alles dood aan de veldrijder.

De Nederlandse geschiedschrijving is slordig omgesprongen met de heroïek van Hennie Stamsnijder. Veel meer dan Kuiper, Zoetemelk of Boogerd was deze scheve scherf een kroonjuweel van de natie. Hij belichaamde als geen ander de baggercultuur van een volk, de nietigheid van een provincie, de armoede van geluk. Wat heet, Hennie was zijn eigen ongeluk, maar met ongekende verve, met de doelloosheid van het bestaan als inzet. Hennie: skeletstaat van de winter.

Nu is er alleen nog Bart Wellens en Sven Nys. Richard Groenendaal fietst mee als een overjarige tuinder die door zijn derde vrouw verlaten is en die dus op zondag wat moet. Van zijn vader weet hij: loutering ontstaat uit modder, niet uit een flacon Catherine Deneuve. Voor elke cross slaat hij een kruis want God weet wel hoe slijkduivels er aan toe zijn.

Helaas, veldrijden is een nationalistisch curiosum geworden. Nederlanders, Zwitsers, Luxemburgers, een enkele Duitser, ze doen niet meer mee om de overwinning. Het gaat nog alleen tussen de Belgen Nys en Wellens, en zij verdelen de buit. Ze zijn niet eens meer in staat tot enig optische gekift. Vrienden, waren wij niet altijd vrienden? Ze schurken zich in dubbelzinnigheid en wederzijdse afspraakjes aan elkaar. Wellens en Nys zijn sociaal geworden.

Dan heeft heroïek zijn langste tijd gehad. Dan is de zwaarste aller sporten onthoofd van magie. Veldrijden was altijd een hiërarchisch sprookje: identificatie met andermans ellende, maar dan vanuit de hoogte van de winnaar. Die illusie is ons ontnomen door de een-tweetjes van Nys en Wellens, door de eenvormigheid van een WK, NK en doordeweekse crossen.

Langzaam maar zeker is een internationale sportdiscipline geprovincialiseerd. Dat een Nederlander nooit het Vierschansentoernooi zou winnen, stond twintig eeuwen geleden al vast. Maar het veldrijden hadden we, gezien de volksaard, gezien folklore en traditie, in lengte van eeuwen kunnen koloniseren met de superieure galm: Hup Holland Hup.

Het zal er niet meer van komen.

De patatgeneraties hebben elkaar opgevolgd. Een polonaise tussen scrotum en anus: olé! Maar smurrie? Dan nog liever naar de dark room.