Schaken zilver, zwijgen goud

Behalve het Internationaal Jaar van de Rijst is 2004 ook het Europees Jaar van de Opvoeding door Sport. Reden voor Pieter Steinz om het eerste deel van een cursus thematisch lezen te wijden aan sport in het algemeen en Stefan Zweigs `Schaaknovelle' in het bijzonder.

Toegankelijk zijn ze, geschreven door auteurs van naam, en bovenal dun: de romans en novellen die hun faam danken aan hun populariteit bij scholieren. Hemingway's The Old Man and the Sea is er één van, Camus' L'étranger ook. Maar het mooiste voorbeeld is Schachnovelle van Stefan Zweig. Je zou kunnen zeggen dat dit verhaal uit 1941 de auteur heeft behoed voor de vergetelheid. Althans in Nederland, want in zijn geboorteland Oostenrijk – en in de rest van het Duitse taalgebied – is Zweig nog steeds een hooggeacht schrijver. Zowel zijn roman Ungeduld des Herzens als de postuum verschenen autobiografie Die Welt von gestern behoort tot de klassieken, terwijl ook zijn biografieën van Grote Europeanen nog steeds worden gelezen.

Als biograaf en schrijver was Stefan Zweig (1881-1942) vooral beïnvloed door de theorieën van zijn land- en tijdgenoot Sigmund Freud. Schachnovelle is dan ook te lezen als een psychiatrische casus: het verhaal van een man die in totale afzondering een gespleten persoonlijkheid ontwikkelt om met zichzelf te kunnen schaken. Tegelijkertijd doet het verslag van een obsessie, van wat de hoofdpersoon een `schaakvergiftiging' noemt: `De speelvreugde was tot een speeldrift geworden, de speeldrift tot een speeldwang, een manie, een bezeten woede die niet alleen de uren dat ik wakker was, maar langzaam maar zeker ook mijn slaap doordrong.'

Het bovenstaande citaat komt van Dr.B., een Oostenrijkse jurist die perfect heeft leren schaken in de hotelkamer waar hij door de nazi's gevangen is gehouden – met als enig gezelschap een schaakboekje dat hij tijdens een verhoor gestolen heeft. Vrijgekomen na een zenuwinstorting raakt hij op een boot naar Zuid-Amerika bij toeval verzeild in een tweekamp met de wereldkampioen schaken, het voormalige wonderkind Mirko Czentovic. Eén partij wint hij, tot grote woede van de arrogante, door Zweig als ongelikte beer afgeschilderde, Czentovic; de tweede zou hem fataal zijn geworden, als hij niet gered was door de verteller van Schachnovelle, een Oostenrijker die naar eigen zeggen gefascineerd is door monomane mensen.

Schachnovelle is een boek dat naar het einde toe gaat zinderen van de spanning – Zweig slaagt erin om zijn lezers deelgenoot te maken van de koortsachtige stemming aan boord en het fanatisme van zijn hoofdrolspelers. Je wilt dat Dr. B. de partij wint, zoals je ook in andere sportromans graag ziet dat de coureur triomfeert (Tim Krabbé: De renner), de roeiers steeds sneller gaan (H.M. van den Brink: Over het water), of de jonge voetballers in de laatste minuut van de wedstrijd een doelpunt maken (J.B. Schuyl: De AFC'ers). Bovendien schetst Zweigs novelle in de figuur van Czentovic een prachtig beeld van het fanatisme en de onaangepastheid van de volksjongen die het dankzij zijn sporttalent tot superster schopt. De parallellen met Mike Tyson of Diego Maradona liggen voor het oprapen.

`Zoals bekend oefent niets ter wereld zo'n druk uit op de menselijke ziel als het Niets,' zegt Dr. B. wanneer hij vertelt over de martelmethodes van de Gestapo. Het is de moraal van Schachnovelle, de kern van het oeuvre van Stefan Zweig, en misschien ook wel de sleutel tot de persoonlijkheid van de auteur, die zichzelf in het geïsoleerde Brazilië – op de vlucht voor de nazi's en ver van het Europa dat hij zo lief had – het leven benam.

Stefan Zweig: Schaaknovelle (Vert. Willem van Toorn, uitg. Athenaeum, Polak & Van Gennep). Volgende week: toerisme en vakantie. Besproken boek: Henry James: Daisy Miller). Reacties: steinz@nrc.nl