Rookslierten uit de vulkaan

Deze zomer veroordeelde een Indonesische rechtbank de terrorist Amrozi bin Nurhasyim ter dood. Hij is verantwoordelijk voor de bomaanslagen in twee discotheken, waarbij 202 mensen het leven lieten. Bij het voorlezen van het vonnis balde hij lachend zijn vuist. Is dit het nieuwe beeld van Indonesië, het grootste moslimland ter wereld?

Correspondent Dirk Vlasblom over dorpse traditionalisten, stedelijke modernisten en het radicale moslimnetwerk Jema'ah Islamiyah. 'De vermeende islamisering is goeddeels gezichtsbedrog.'

'Astaghfirullah!' Ahmad, mijn buurman, een vrome Indonesische moslim, staart gebiologeerd naar het tv-scherm. Het is 11 september 2001. Een plaatselijke zender straalt de cnn-beelden uit van het Armageddon in Manhattan. Als de tweede toren van het World Trade Center in slow motion ineenzakt en verdwijnt in een reusachtige grijze wolk, slaat hij de handen voor zijn gezicht en welt dit ene Arabische woord op uit zijn gemoed. Wat het uitdrukt? Schrik, verbijstering: 'God beware! Nee maar, verschrikkelijk!'

Bijna twee jaar later, op 7 augustus 2003, leest de voorzitter van de rechtbank in Denpasar, Bali, het doodvonnis voor tegen Amrozi bin Nurhasyim. Hij is een van de terroristen die op 12 oktober 2002 in het Balinese vakantieoord Kuta twee disco's opbliezen en 202 mensen de dood injoegen. 'Kapok!' (net goed), zegt de buurtwacht, een moslim, die juist zijn maandelijkse bijdrage komt ophalen als het journaal aanstaat. 'Bloeddorstige gekken als hij bezoedelen de islam.'

Deze desa bezuiden Jakarta wordt bevolkt door Betawi, Maleise moslims. Totdat de metropool Jakarta in de jaren '70 begon te expanderen, bezaten zij in het oude Batavia de meeste grond. Rijke Chinezen kochten hen uit, het geld ging op aan bruidsprijzen en dagenlange trouwpartijen, hun grondbezit slonk en ze trokken geleidelijk naar de randen van Jakarta. De Betawi zijn vriendelijk, godvrezend, maar weinig ondernemend. Zij moeten het hebben van hun kindertal. Elke vrijdag gaan de mannen, de hoofden vroom bedekt, de heupen gehuld in kleurige sarongs, in optocht naar de moskee.

Tegenwoordig spits ik de oren als het vrijdaggebed, elektronisch versterkt, over de buurt wordt uitgestort. Steeds vaker hoor ik de imam uitvaren tegen 'Boesj' en hoor ik hem bidden om kracht voor de door 'ongelovigen' overweldigde geloofsgenoten in Irak. De toon van de vrijdagpreken wordt bitterder. Toch voel ik me niet onveiliger, al maken kennissen op afstand zich zorgen. Zij gaan af op andere indrukken.

Toen Amrozi bin Nurhasyim een wit kalotje op het hoofd en met een in de cel uitgegroeide sik bij voorlezing van zijn doodvonnis breeduit lachte en de handen hief in triomf, zette dit beeld zich wereldwijd vast. Deze Indonesiër kenden we dat volk niet als vriendelijk en vreedzaam? ging er prat op dat hij honderden bule (blanken) had vermoord en beleed zijn overtuiging dat deze gruweldaad hem als syahid (getuige Gods) de toegang tot het paradijs verzekerde. Hij beriep zich daarbij op zijn islamitische geloof.

Dat riep vragen op. De man is moslim en is Indonesië niet het grootste moslimland ter wereld? De gebalde vuisten van Amrozi hebben oude beelden uitgewist: de boer en zijn karbouw die traag door het rijstveld zwoegen, met op de achtergrond een slapende vulkaan. Staat de berg op uitbarsten?

Bloemblaadjes

Eind oktober, een paar dagen voor het begin van de ramadan, bezochten we het graf van mijn Javaanse schoonvader. Het was druk op de begraafplaats. Links en rechts knielden familieleden naast de zerken en simpele grafheuveltjes. Zij veegden dorre bladeren uit het gras, poetsten de stenen en strooiden er bloemblaadjes over. Vaders en oudere broers, een zwartfluwelen kalot op het hoofd, lazen verzen uit de koran. Tijdens een ziarah (grafbezoek) voelen Javanen zich dichter bij de geest van de gestorvene, die, menen ze, door deze attenties mild wordt gestemd. De attributen hoofddoeken, kalotjes en gebedenboeken zijn islamitisch, maar het gebruik is veel ouder.

Javaanse moslims het moeten er zo'n 70 miljoen zijn bezoeken de graven van familieleden, leraren en heilige mannen, soms in maanverlichte nachten. Dan vragen zij de doden om kracht voor moeilijke momenten in het leven. Voor puriteinen, geloofszuiveraars, is ziarah een gruwel, want de ziel van de ontslapene zetelt allang naast God en wat er rest van zijn stoffelijke omhulsel zijn botten die geen voorwerp mogen zijn van verering of gebed. Geloof in geesten, zeggen de puriteinen, grenst aan syirk 'het toekennen van gezellen aan God' de doodzonde der veelgoderij.

Indonesië is in religieus opzicht een meerdere malen overgeverfde deur. Je hoeft maar een beetje te krabben en er wordt een oudere verflaag zichtbaar. De oudste laag is animisme, verering van natuurkrachten, en daaroverheen liggen hindoeïsme, boeddhisme, islam en bij een kleine minderheid christendom. De islam is een laatkomer in de Indonesische archipel. De islamisering voltrok zich tussen 13de en de 16de eeuw, zo'n 600 tot 900 jaar na het optreden van Mohammed. Nog maar vijfhonderd jaar geleden oogde Java zoals Bali nu: hindoetempels en rijstvelden.

De islamisering ging niet gepaard met verovering, maar voltrok zich via handelscontacten met Gujarat (India) en Perzië. Volgens de legendes is de islam in de loop der eeuwen naar Java gebracht door de Walisongo, de 'negen heiligen'. Hun over de noordkust van Java verspreide graven zijn nog steeds drukbezochte bedevaartsplaatsen.

Java's noordkust was ooit een gewichtige schakel in de wereldhandel. Het hindoekoninkrijk Majapahit de hoofdstad lag in Oost-Java beheerste in de 14de eeuw een groot deel van de Indonesische archipel en dreef met machtige armada's handel over zee op China, Malakka en India. Via de havensteden aan de Javazee brachten kooplieden, zeevarenden en heilige mannen uit landstreken 'boven de wind' (het noorden en westen) de islam naar Java. Havenmeesters en regenten, die deze steden bestuurden namens de vorst, omhelsden de nieuwe religie en maakten zich geleidelijk los van hun 'heidense' heren.

Rond 1500 stortte Majapahit ineen. Het centrale gezag was ondermijnd vanuit Demak, het eerste islamitische machtscentrum, ten oosten van Semarang. In de zestiende eeuw was dit een bloeiende havenstad, nu is de toegang tot zee dichtgeslibd en ligt het ingeslapen stadje kilometers van het strand. De oude hoofdstad van Majapahit werd in 1527 onder de voet gelopen door troepen uit Demak. De overlevenden van de oude orde namen hun toevlucht op Bali, waar de islam nooit wortel heeft geschoten.

In Demak staat de oudste moskee van Java, de Mesjid Agung, gebouwd in 1479. De bouwstijl verraadt dat de islam het hindoeïsme niet volledig had verdrongen. De Grote Moskee heeft een stapeldak zoals bij een pagode: de etages zijn de treden waarlangs de goden kunnen afdalen naar de aarde. Die stijl is elders in Java nagevolgd en deze gebedshuizen zijn veel mooier dan de moderne, op voorbeelden uit het Midden-Oosten geïnspireerde moskeeën, met hun uivormige, vaak in kitscherig zilver gespoten spitsen. De Mesjid Agung is zó heilig dat zeven pelgrimages naar Demak gelijkstaan aan een bedevaart naar Mekka.

De bekeringsgolf bereikte zijn hoogtepunt toen de eerste voc-schepen aan de horizon verschenen. Nog in 1940 vroeg professor W.J.A. Kernkamp, de latere antirevolutionaire minister van Overzeese Rijksdelen, zich af waarom de Nederlanders toen niet meteen korte metten hebben gemaakt met de nieuwe godsdienst. 'Daarmee', verzuchtte hij, 'ware heel wat moeite, ook bestuursmoeite, vermeden geweest en de associatie met een althans in godsdienst verwant volk in ons overzeese gebied ware vermoedelijk heel wat makkelijker in haar werk gegaan.'

Zo ging het niet en in 1930 waren 54 miljoen van de 60 miljoen inwoners van Nederlands-Indië belijdende moslims. Met deze meerderheid moest de overheid zich verstaan. Sleutelfiguur van de koloniale islampolitiek was de Leidse arabist en islamkenner Christiaan Snouck Hurgronje, ambtenaar bij de Dienst Inheemse Zaken. Prof. Kernkamp in 1940: 'De islampolitiek van Snouck Hurgronje berust in hoofdzaak op een verticale splitsing van de islam in twee delen. Het ene deel bestaat uit godsdienst in Westerse zin. Dat blijft dus vrij, overeenkomstig ons grondwettige systeem. Aan de godsdienstvrijheid, zegt Snouck, mag men niet tornen. Nu is de islam echter meer dan een godsdienst volgens Westerse opvatting. Het is een stelsel geworden, dat niet alleen de verhouding van de mens tot het Opperwezen regelt, maar ook alle maatschappelijke verhoudingen van zijn belijders. In dat andere deel, dat naar onze Westerse mening niet meer van godsdienstige aard is, geldt de onbeperkte vrijheid dus niet per se en zij mág daar zelfs niet gelden als naar het oordeel der regering hogere, althans meer algemene, belangen, met name de bescherming van de Inlander en van ons Staatsgezag, tot ingrijpen nopen.'

Religieuze uitingen in engere zin, zoals verplicht bidden, moskeebezoek, vasten en bedevaart, werden ongemoeid gelaten. Politieke uitingen, zoals pan-islamisme, gebeden voor de sultan van Turkije die de titel van kalief (opvolger van de profeet) voerde en islamitische heilsbewegingen werden verboden en in voorkomende gevallen met de wapenen onderdrukt. Ook wees Snouck schriftelijke vastlegging van de overgeleverde islamitische wet resoluut van de hand.

Het contact met de bakermat, het Midden-Oosten, verliep via Arabische kooplieden die zich in de archipel vestigden en, niet in de laatste plaats, via de jaarlijkse bedevaart naar Mekka, de hadj. De koloniale autoriteiten beschouwden de hadj als een bron van mogelijk subversieve religiositeit. Wie de gang naar Mekka had volbracht, werd door eenvoudige Javanen beschouwd als iemand met bovennatuurlijke krachten en door het gezag gewantrouwd als een potentiële pan-islamitische stokebrand. Organisatie van de bedevaart was een monopolie van de koloniale staat, die zo toezicht hield op dit religieuze langeafstandsverkeer. Aan de hadj werd bovendien goed verdiend. Batavia gunde verscheping van de toenemende stroom Mekkagangers aan Nederlandse rederijen.

Wonderdokters

Aan het begin van de twintigste eeuw vertakte de hoofdstroom van de Indonesische islam zich in twee nog steeds brede rivieren: 'tradionalisten' en 'modernisten'. De eersten behielden vaste voet op het dichtbevolkte platteland van Java. Hun geloofsbeleving is doordrongen van mystiek en van een fascinatie met het wonderbaarlijke. Javaanse moslims hebben het licht gezien, maar zijn nog steeds bang voor het donker. Zij belijden een monotheïstisch credo, maar denken ook dat de levenden kunnen communiceren met de zielen der overledenen. Door middel van selamatan, rituele maaltijden, worden boze geesten verdreven uit pas gebouwde huizen of uit de buurt van jonggeborenen. Traditionalistische moslims bezoeken regelmatig de graven van geliefde en vereerde doden en doen in nood wel eens een beroep op dukun (wonderdokters).

Toch ontbreekt het in dit milieu niet aan godgeleerdheid of wetskennis. De kiai, schriftgeleerden met eigen religieuze internaten (pesantren), zijn in de dorpen van Java de notabelen bij uitstek, die hun gezag ontlenen aan hun afstamming en geleerdheid. Menige oudere kiai heeft jaren doorgebracht in Mekka. Het wijdvertakte netwerk van pesantren neemt op het platteland een groot deel van het onderwijs voor zijn rekening.

Moslims uit welgestelde, stedelijke koopliedenfamilies, die Nederlands onderwijs hadden genoten, richtten in 1912 een beweging op tot vernieuwing van de islam: de Muhammadiyah. Zij stichtten scholen waar behalve koranstudie en Arabisch ook wiskunde en aardrijkskunde werden onderwezen. Deze 'modernisten' vinden dat de koran en de hadith (overlevering over het optreden van Mohammed) de enige bronnen zijn van religieuze kennis. Gelovigen zijn volgens hen heel goed in staat die teksten zelf te interpreteren, zonder tussenkomst van kiai en andere schriftgeleerden. De modernisten zijn wars van wat zij zien als heidendom, zoals het bezoeken van graven, het geloof in geesten en het raadplegen van dukun. Zij hebben een puriteinse inslag en neigen naar een letterlijke uitleg van de koran.

Als reactie op deze nieuwlichterij en deze aanslag op hun gezag richtten enkele vooraanstaande kiai in 1926 de Nahdlatul Ulama (Het Ontwaken der Schriftgeleerden, nu) op, nu verreweg de grootste moslimbeweging ter wereld. Zo reactionair is de nu overigens niet. De traditionalistische islam is heterodox en tolerant tegenover andersdenkenden, terwijl het orthodoxe modernisme soms neigt naar onverdraagzaamheid. Bovendien hebben kiai van de nu bij hun wetsuitleg in de loop der jaren een grote flexibiliteit aan de dag gelegd tegenover nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen. Zo experimenteerde de nu al in de jaren '30 met onderwijs aan jongens en meisjes tezamen, besloot ze zonder veel moeite vrouwelijke rechters te accepteren wat volgens de conventionele leer van de islam ontoelaatbaar is en onder het Soeharto-bewind gaven de kiai hun zegen aan geboorteregeling.

Moslimstaat

De dorpse traditionalisten en de stedelijke modernisten vormen samen de hoofdstroom van de Indonesische islam; hun gezamenlijke aanhang telt zeker 100 miljoen zielen. Beide typen moslims zijn vóór scheiding van staat en godsdienst en ze wensen geen van beide dat de islamitische wet van staatswege wordt ingevoerd.

Naast deze hoofdstroom kende 'Indië' al vóór de oorlog een onderstroom die antikoloniale denkbeelden paarde aan pleidooien voor een moslimstaat. Het koloniale gezag had weinig op met deze radicalen van het eerste uur, sloeg hard toe en wakkerde zo het antikoloniale vuur aan.

De Republiek Indonesië werd, in weerwil van minderheidspleidooien voor invoering van de sharia, het islamitisch recht, een seculiere staat die de voorwaarden schept voor een actieve geloofsbeleving voor alle vijf erkende godsdiensten. In de jaren '50 rekende het leger af met de Darul Islam, een guerrillabeweging die in Atjeh, in West-Java en in Zuid-Sulawesi vocht voor een islamitische staat. In 1959 verbood president Soekarno de Masjumi, de grootste islamitische partij.

De autoritaire Nieuwe Orde van generaal Soeharto nam het koloniale tweesporenbeleid over. De volledige werken van Snouck Hurgronje werden in het Indonesisch vertaald en zijn intussen lesstof aan de staatshogescholen voor islamstudie (iain). De bedevaart bleef een staatsmonopolie, en werd een geweldige bron van corruptie. Vrijdagpreken werden gevolgd door de veiligheidsdienst. Pleidooien voor invoering van de sharia werden verboden. In de jaren '70 ging de radicale islam ondergronds of week uit naar het buitenland, vooral naar het buurland Maleisië. In die ballingengemeenschap ontstond het radicale netwerk Jema'ah Islamiyah (ji).

Aan het thuisfront voltrok zich intussen een godsdienstig réveil. Begin jaren '90 poogde Soeharto zijn machtsbasis leger en bureaucratie te verbreden. Hij realiseerde zich dat de moslims in de meerderheid waren en poogde de leiders van de hoofdstroom aan zich te binden. In 1990 ging Soeharto voor het eerst op bedevaart naar Mekka. Zijn protégé B.J. Habibie werd voorzitter van het nieuwe Verbond van Moslimintellectuelen (icmi), dat was bedoeld als de transmissieriem tussen de staat en de geloofsgemeenschap. Gold voor ambtenaren tot 1990 een verbod om zich als moslim te profileren, voortaan werd er voor vergaderingen gebeden, werden officiële toespraken ingeleid met de Arabische begroeting Wassalamu'alaikum warrahmatullahi wabarakatu (vrede, de barmhartigheid en zegen Gods zijn met u) en kreeg het uniform voor openbare scholen een islamitische variant, met lange rokken, dito mouwen en hoofddoekjes.

Zo kroop de umma (islamitische geloofsgemeenschap) in de loop van de jaren '90 uit haar schulp. Steeds meer moslims zij het nog steeds een minderheid lieten zich kennen door openlijk gebruik van geloofsattributen als hoofddoekjes. Bezoekers aan Indonesië merkten dit op en repten van 'islamisering'. Betekende dit nu dat de umma opschoof naar een radicalere geloofsbeleving en dat meer burgers zich bij hun politieke keuze lieten leiden door het geloof? De cijfers wijzen dit niet uit.

In 1999, een jaar na de val van Soeharto, werden in Indonesië voor het eerst sinds 1955 weer vrije verkiezingen gehouden. In 1955 stemde ongeveer de helft van de kiezers op partijen met een islamitisch profiel, in 1999 nog maar 30 procent. Die verschuiving wijst op secularisering. De vermeende islamisering is goeddeels gezichtsbedrog. De moslims zijn in de meerderheid en dat die meerderheid zichtbaar is geworden, hoort bij democratisering. Daarmee is overigens niet alles gezegd, want niet alleen de hoofdstroom kwam in beeld.

Reformasi

In de reformasi-euforie na de val van Soeharto werden politieke gevangenen ook moslims vrijgelaten en keerden radicale ballingen naar huis terug. De gedoodverfde geestelijke leider van Jema'ah Islamiyah (ji), ustadz (meester) Abu Bakar Ba'asyir, mocht van president Abdurrahman Wahid, boegbeeld van de gematigde islam, terugkeren uit zijn ballingsoord Maleisië. Enkele honderden emigranten hadden ervaring opgedaan in Afghanistan, de stormbaan van moslimradicalen uit de hele wereld. Afghanistanveteranen, Indonesiërs van Arabische afkomst en jongeren die hadden gestudeerd in Saoedi-Arabië en Pakistan zetten de deur van Insulinde open voor importfundamentalisme.

De Indonesische fundi's zijn relatief gering in aantal en versplinterd. Hun opvattingen over staat en democratie en hun invulling van het omstreden begrip jihad ('ijveren op Gods weg') lopen sterk uiteen. Politiek geweld als middel wordt binnen deze marge van de umma slechts door een minderheid omhelsd. Een groep die zich Tarbiyah (onderwijs) noemt, oriënteert zich op lessen van de Egyptenaar Hassan al-Banna (1906-1949). Zij hoopt, net als religieus rechts in Nederland, het volk met democratische middelen te winnen voor de ware weg. Deze fundamentalisten beschouwen democratie als oer-islamitisch, met de gemeente van Mohammed, en niet de Griekse volksvergadering, als bakermat. Zij richtten de Partij voor Gerechtigheid en Welzijn (pks) op. Sinds 1999 bezet die 7 van de 500 zetels in het parlement.

Andere splinters, zoals de op Saoedi-Arabië georiënteerde salafy-beweging, geleid door Jaf'ar Umar Thalib, een leraar van Arabische afkomst, vinden democratie een onding en erkennen geen wet dan die van God. De door het salafy-ideeëngoed geïnspireerde Laskar Jihad bonden in 2000, op last van een Jemenitische schriftgeleerde, de strijd aan met Molukse christenen, nadat die in 1999 alle moslimimmigranten hadden verdreven van het eiland Ambon.

Jema'ah Islamiyah, het radicale netwerk waarin ooit naar Maleisië geëmigreerde Indonesiërs de dienst uitmaken, bedrijft terreur, dat staat wel vast. Amrozi bin Nurhasyim, een berooide automonteur uit Oost-Java, is één van hen.

De regeringen na Soeharto schrokken van de eerste bommen, schreven die toe aan 'buitenlanders' en weigerden toe te geven dat het fundamentalisme ook in het gematigde Indonesië had wortel geschoten. De Balibommen schudden hen wakker en de staat sloeg terug. De hoofdstroom van de Indonesische islam moet niets hebben van fundamentalisme en al helemaal niet van terreur, maar is bang dat dit offensief de islam in het algemeen naar het verdomhoekje verbant. Jema'ah Islamiyah betekent niets anders dan 'islamitische gemeente' en telkens als deze Arabische woorden worden gebezigd in suggestief-subversief verband, doet dat Indonesische moslims pijn.

Het moslimfundamentalisme in Indonesië verheft zijn stem, maar heeft nog niet het oor van de gemeente. Javanen, verreweg de grootste etnische groep, zijn geen volk dat graag dag in dag uit met extreme waarden leeft. Hun heterodoxe

geloofsbeleving veronderstelt tolerantie. Verder hechten veel moslims aan de vrijheid om hun persoonlijke en familieleven naar eigen inzicht vorm te geven zonder bemoeienis van de overheid.

De radicalen vinden bovendien het nog steeds machtige leger tegenover zich. Dat beschouwt zichzelf als behoeder van de nationale eenheid en ziet fundamentalisten als splijtzwammen. Het hoofd van de staatsveiligheidsdienst, generaal b.d. Hendropriyono, geldt als de Grote Wreker der radicalen.

De seculiere staat heeft echter boter op het hoofd. Onder Soeharto's Nieuwe Orde stonden stabiliteit en ontwikkeling bovenaan de agenda en dat ging ten koste van de rechten van de mens. Tot de vervolgingsslachtoffers van die jaren behoren radicale moslims. Gevangenisstraf en verbanning hebben hen niet milder gestemd.

Corruptie

De seculiere staat heeft zich ook na de val van Soeharto niet van zijn beste kant laten zien. De corruptie tiert welig en het gegraai van politici en topambtenaren staat in schril contrast tot de armoede in de grote steden en op het platteland. Na de monetaire crisis van 1997 gingen er miljarden naar sanering van het bankwezen en slechts grijpstuivers naar armoedebestrijding.

Het recept van de radicalen is revolutionair in zijn eenvoud: hellevuur voor wie corrupt is en welstand voor de rechtvaardige. Het is ontleend aan de derde soera, vers 104, van de koran: 'En er kome uit u voort een gemeente van lieden, welke oproepen tot het goede, aansporen tot het behoorlijke en afweren van het verwerpelijke. En diegenen zijn de wél-varenden.' Dit credo van de radicalen biedt houvast aan berooide, laag opgeleide jongeren die denken dat ze alleen kans hebben in een ideale islamitische samenleving. De hoofdstroom legt deze tekst uit als aansporing tot een rechtvaardige levenswandel, niet tot moord en doodslag onder rijken en machtigen.

Een complicerende, ronduit storende factor bij de afbakening van posities binnen de Indonesische umma is de Amerikaanse buitenlandse politiek. Ook de hoofdstroom moet niets hebben van Bush' avontuur in Irak en worstelt met het probleem hoe haar verzet daartegen te onderscheiden van radicale terreuracties tegen hetzelfde doelwit. In oktober kregen zij een kans. Tijdens een korte visite van Bush aan Bali lazen geleerden van zowel nu als Muhammadiyah hem een uur lang de les.

Een uitbarsting is nog niet ophanden, maar er stijgt rook op uit de vulkaan. Soms droom ik dat de vuurberg overkookt en dat Betawi-buren met kapmessen te hoop lopen voor mijn deur. Niet om die in te trappen, maar om bloeddronken radicalen de toegang te versperren. 'Dit is ónze bule', hoor ik hen zeggen, 'naar de hel met jullie!'

Dirk Vlasblom is correspondent van NRC Handelsblad in Indonesië.

[streamers]

Steeds meer moslims lieten zich kennen door openlijk gebruik van geloofsattributen als hoofddoekjes. Bezoekers aan Indonesië merkten dit op en repten van 'islamisering'.

De seculiere staat heeft zich ook na Soeharto niet van zijn beste kant laten zien.