Op het afscheidsfeest van het Stedelijk Museum wordt zichtbaar hoezeer de gemeente een van haar belangrijkste culturele instellingen verwaarloost

Zonder een museum voor moderne kunst wordt Amsterdam een gat, meent Maarten Huygen.

In de grote zaal van het Stedelijk Museum klinkt jazz, geen orkestje, maar een oude zwartwitfilm met geluid op een scherm aan de muur. Muziek uit de tijd dat het museum bloeide en de jonge bezoekers nog razendsnel swingden. Ouderen herinneren zich de jaren vijftig, toen er jazzfeestjes waren in die zaal. Ze waren jong en het Stedelijk was hun middelpunt. Hier groeide een van de meest geavanceerde kunstcollecties ter wereld, uniek voor een klein land. Nu komt datzelfde publiek er nog steeds in trager tempo en er is nauwelijks aanwas van jongere generaties. Dat geldt ook voor de meeste kunst die er hangt: de avant-garde van tientallen jaren geleden. De gemiddelde leeftijd van de bezoekers van de laatste avond in het Stedelijk ligt tegen de zestig.

Ondanks vrolijke muziek en gratis bier is het feest macaber, de viering van een nederlaag. Amsterdam, een Europese financierings- en handelsmetropool, heeft voorlopig geen museum meer voor moderne kunst, want op last van de brandweer is het Stedelijk definitief gesloten. Het gemeentebestuur vond het niet urgent, nam een voorbeeld aan het verarmde Rotterdam en bouwde voor 135 miljoen euro een haventerminal die al jaren leegstaat. Terwijl juist een toonaangevend museum aantrekkingskracht uitoefent op hooggeschoolde werknemers en toeristen. Amsterdam heeft een eeuwenlange traditie in beeldende kunst. Zonder zo'n museum wordt Amsterdam een gat.

Maar de voorkeur van kunstwethouder Hannah Belliot lag bij iets multicultureels – las ik ergens – waar bijvoorbeeld mensen van allerlei herkomst en kleur elkaars gerechten opeten. Een deel van het Stedelijk wou ze op een stenen vlakte nabij het hoofdkantoor van ABN Amro zetten, ergens bezuiden de Amsterdamse ringbaan. Dan zou ze meer sponsorgeld krijgen. Dat voorstel leek op een eerder verworpen plan om in het souterrain van het Stedelijk een toonzaal te bouwen voor de nieuwste modellen van het merk Audi. Plannen, geïnspireerd door ondernemers die winst wilden maken op hun donaties. En dat in de jaren negentig, toen het geld niet op kon in Amsterdam. Maar publieke voorzieningen zijn toen uit de mode geraakt.

Resultaat van de jarenlange krenterigheid is dat zelfs nu nog geen architect voor de restauratie bekend is. Tegen het huidige restauratieontwerp van de Portugees Siza zijn grote bezwaren. Ook de financiering is nog niet rond. Een deel van de collectie gaat naar een groot postkantoor naast het Amsterdamse Centraal Station. Een belangrijk nationaal toeristencentrum, het Museumplein, raakt dus leeg, want ook het Rijksmuseum is grotendeels dichtgegaan. De enthousiaste oudere vrijwilligers en donateurs, ,,de vrienden van het Stedelijk Museum'', nemen afscheid van een gebouw dat nu ook hen qua fysiek verval ruim heeft ingehaald.

Voor het laatst kan ik kijken naar de Seven Figures van de Amerikaanse kunst-celebrity Bruce Nauman, een orgie van opflitsend neondraad in de vorm van zeven koddige mensjes op een rij die gelijktijdig hun tong of roede in andermans lichaamsholtes pompen. Een copulerende zeven-cilinder-motor die al bijna een halve eeuw niet meer shockeert. Ik kan me niet voorstellen dat daar over vijftig jaar nog veel volk op af komt, zoals mogelijk op de Amsterdamse stadsgezichten van Breitner die al jaren in opslag liggen. Nieuwere sculpturen met gerangschikte hoopjes zand of murw gedraaide videoclipjes vergen meer uitleg en educatie. Hoe krijg je daar veel mensen voor op de been?

Ach, de jaren zestig, toen Amsterdam en het Stedelijk wereldberoemd en de aanwezige smaakvolle ouderen nog jong en opstandig waren. Nog eenmaal ga ik kijken naar de tentoonstelling over dat tijdperk in de benedenverdieping. In de eerste kamer vormen foto's van mooie, naakte, verstrengelde vrouwen de letters van het versleten kunstcliché Revolution in the Air. Het naakte-meisjesalfabet van Anton Beeke stamt uit de tijd dat interessante langharige kunstenaars nog alles gedaan kregen bij vrouwen. De jaren-zestig-tentoonstelling is een museum over het museum zelf. ,,In het Stedelijk werden de nieuwe ontwikkelingen op de voet gevolgd'', is de trotse begeleidende tekst. ,,Veel van wat werd geëxposeerd, werd ook verworven. Het museum bezit een grote, rijkgeschakeerde collectie uit deze periode.'' Beatles, Rolling Stones, transistorradio's, strak gestileerd roestvrijstalen bestek, ronde waterkan, waterglazen, prachtig industrieel ontwerp dat inmiddels klassiek is geworden. ,,Regard, un mange-disque'', wijst een trotse, Franse vader aan zijn jonge zoon op een rond, oranje Grundig-apparaat met een spleet waar je een kleine grammofoonplaat in kon steken. Joe, spiel die Musik von damals nach...

Als ik even verder een rij stoelen achter een touw zie staan, concludeer ik werktuiglijk dat de kunstenaar degene is die de stoelen daar naast en op elkaar heeft gezet. Maar nee, gelukkig wordt hier de Deense ontwerper van de stoelen geëerd, Arne Jacobsen. Dat is tegen de trend in, want steeds vaker geldt de arrangeur en niet de ambachtsman als kunstenaar. De mediafiguur die iets geks bedenkt dat anderen moeten uitvoeren. Museumdirecteuren staan aan de top van de charismatische artiesten.

In een keldertheatertje is op video een college te zien van de vertrokken directeur Rudi Fuchs over zijn afscheidstentoonstelling Tot zo ver op de bovenverdieping. Terwijl hij met wijdse gebaren van de rechterarm spreekt over zijn erezaal met zijn oude getrouwen Dibbets, Andre, Mangold, hangt over zijn linkerarm nog zijn jas die hij kennelijk niet had afgegeven aan de garderobe. Na de video-opname moest hij haastig verder. Toen Fuchs directeur van het Stedelijk werd, was hij al internationaal kunstenaar-arrangeur, permanent op doorreis. Te vluchtig om wortel te schieten en steun te vergaren voor de restauratie bij ondernemers en de burgerij. Het Stedelijk, dat eruitziet als een oude school, is eind 19de eeuw gebouwd als initiatief van een collectief, de Amsterdamse burgerij. Pas als die van jong tot oud meedoet, kan het Stedelijk ,,terug naar de top'', zoals het rapport van de adviescommissie-Sanders hoopt.