Nooit meer via de achterdeur

Zonder boegbeeld Arie van de Bunt (34) begint de Nederlandse waterpoloploeg eind deze maand aan het olympisch kwalificatietoernooi. Na veertien jaar en 350 interlands voelt de doelman van AZ&PC niets meer voor een rol in de marge. ,,De zwembond heeft nooit durven investeren.''

In de gang in Amersfoort liggen de bouwmaterialen opgestapeld. Eindelijk, verzucht Arie van de Bunt, heeft hij tijd om zijn woning op te knappen. ,,Het is er in al die jaren niet van gekomen. Het was waterpolo voor en waterpolo na. Vanuit mijn werk rechtstreeks naar het zwembad, en 's avonds laat uitgeput op de bank. Als je dan eens een dagje vrij hebt, dan ga je niet lopen klussen.''

Hij oogt vermoeid en dat is de 34-jarige doelman van AZ&PC dan ook. Zuchtend: ,,Wat het precies is, weet ik niet, maar feit is dat ik momenteel amper train, maar toch doodmoe ben. Het afgelopen jaar heb ik vier keer mijn bloed laten prikken. Telkens was sprake van een tekort: aan ijzer, aan foliumzuur, noem maar op. Eén ding is zeker: waterpolo heeft zijn sporen nagelaten. Mijn gezondheid begint te lijden onder de combinatie werk-topsport.''

Het was de voornaamste reden waarom de 350-voudig international, in het dagelijks leven hoofd technisch beheer bij een installatiebedrijf, twee maanden geleden besloot zijn interlandcarrière te beëindigen. Bondscoach Ron de Vogel deed nog wel pogingen de routinier op andere gedachten te brengen, maar vond geen gehoor. Van de Bunt: ,,Ik kreeg toestemming om minder te trainen, en dan nog zou ik verzekerd zijn van een basisplaats. Maar wie op internationaal niveau wil presteren, zal vrijwel elke dag in het water moeten liggen. Zo niet dan neem je je sport niet serieus en kan je beter thuisblijven. Het zou ook een verkeerd signaal zijn tegenover de rest van de ploeg. Ik wil bovendien niet afgaan. Het moment dat mensen zeggen `wat doet die gozer nog in het water?' komt steeds dichterbij en dat moment wil ik vóór zijn. Het moet niet zielig worden. Acht maanden [tot de Olympische Spelen] lijkt kort, maar geloof me: dat is verdomd lang voor een ploeg die tot die tijd elke dag opnieuw op de toppen van z'n tenen zal moeten lopen wil het in Athene geen modderfiguur slaan.''

Vraag is of de waterpoloërs `Athene' überhaupt halen. Op uitnodiging van de wereldzwembond mag de nationale ploeg eind deze maand meedoen aan het olympisch kwalificatietoernooi in Brazilië, nadat een aantal beoogde deelnemers onlangs bedankte voor de eer. Twaalf landen, aangevoerd door waterpolo-grootmachten Rusland en Kroatië, strijden om drie beschikbare `tickets'. Van een kansloze missie wil Van de Bunt niet spreken, maar: ,,Ze zullen in Rio de Janeiro verrekte goed voor de dag komen, willen ze een kans maken op die derde plaats.''

Maar, en ook dat weet Van de Bunt, narrow escapes zijn de waterpoloërs op het lijf geschreven. In 1976, het jaar waarin het nationale zevental nota bene de bronzen medaille won in Montreal, mocht de ploeg pas opdraven na de afmelding van de vertegenwoordiger uit Afrika. Vier jaar geleden had de selectie zich na de ontluisterende twaalfde en laatste plaats bij het Europees kampioenschap in Florence al verzoend met uitschakeling, toen op het allerlaatste moment alsnog een uitnodiging voor het plaatsingstoernooi in Hannover door de brievenbus gleed. Ondanks minimale trainingsarbeid dwongen de breedgeschouderde mannen kwalificatie af voor `Sydney'.

De laatste stuiptrekking van een lost generation? Van de Bunt is geen onheilsprofeet, eerder het tegendeel. Maar wat zei de sluitpost, kort nadat Nederland in Australië als elfde en voorlaatste was geëindigd? ,,Dit was de laatste keer dat wij deelnamen aan het olympisch toernooi.'' Geconfronteerd met die voorspelling verschijnt een sarcastische grijns op zijn gezicht. ,,Heb ik gezegd, ja, en het is vrees ik waar ook.''

Want eens houdt het op, de listige `achterdeur'-strategie waar de poloërs een patent op lijken te hebben. Van de Bunt neemt afscheid op een moment dat de sport zich op een kruispunt bevindt. ,,Wil Nederland internationaal overleven, dan zal minimaal voor een vorm van semi-professionalisme gekozen moeten worden. Anders is de ratrace niet vol te houden. Ik houd mijn hart vast. Als ze het nu niet halen, dan kon het wel eens voorgoed gedaan zijn met het Nederlandse waterpolo.''

Dat is de ironie: Nederland mag dan de grootste waterpolocompetitie ter wereld hebben, tegelijkertijd is Nederland het enige land waar waterpolo nog altijd als een pure amateursport wordt bedreven. Met alle gevolgen vandien, weet Van de Bunt. ,,Ik ben geen type dat snel schrikt of onder de indruk is, maar toen wij dit najaar met AZ&PC in Belgrado om de Europa Cup speelden, stond ik wel even met m'n ogen te knipperen. Op de kant stonden beesten van kerels, terwijl die jongens Kroaten waren het één voor één nog geen twintig jaar oud waren. Die gasten trainen per dag zo'n beetje wat ik per week train, en lopen elke dag aan de gewichten te trekken. Dat was ze dan ook aan te zien.''

In Nederland daarentegen regeert het verstikkende amateurisme. Van de Bunt, relativerend: ,,Dat is niet helemaal waar, want de laatste drie jaar hebben we met dank aan NOC*NSF drie dagen in de week kunnen trainen, twee keer per dag. Dat was fantastisch. Maar ja, [bondscoach] Aantjes stopt nadat we ons bij het EK niet rechtstreeks hadden geplaatst voor het kwalificatietoernooi, en wat gebeurt? De bond dient geen aanvraag in bij NOC*NSF en stelt weer een parttime-bondscoach aan. En dus zijn we weer terug bij af.''

Nee, begin hem niet over de zwembond. ,,Persoonlijk heb ik niets tegen die mensen. Iemand als [bondscoördinator] Cees van Hardeveld doet zijn best, dat is het niet. Probleem is alleen dat hij óók verantwoordelijk is voor de breedtesport. Dat schiet dus niet op. Topsport is bijzaak voor de bond, geen hoofdzaak.'' Van de Bunt signaleert dan ook een schrijnend gebrek aan durf en, in het verlengde daarvan, visie. ,,Het zijn keer op keer halve en dus geen hele keuzes die ze maken. In 1996, bij de Spelen van Atlanta (tiende plaats, red.), brachten wij niet wat er van ons verwacht werd. Okay, dan kan je in een hoekje gaan zitten treuren, maar je kan ook lef tonen en je bij NOC*NSF sterk maken voor voortzetting van het programma, voor wat toen een groep met potentie was. Dat hebben ze niet gedaan. Sterker nog: ze hebben niets gedaan! Joop Alberda (technisch directeur NOC*NSF, red.) heeft zich daar later wel eens over verbaasd. Zo van: ik hoor maar niks. Maar ja, de zwembond heeft nooit durven investeren in het waterpolo en toen dus ook niet.''

Getergd is hij ook door het feit dat de bondsbestuurders afgelopen zomer niet te rade gingen bij de spelersgroep, toen de opvolging van de opgestapte Johan Aantjes aan de orde was. Van de Bunt: ,,Ze hebben doelbewust de hiërarchie willen doorbreken door achter onze ruggen om een bondscoach aan te stellen. Dat neem ik ze kwalijk, en ik ben niet de enige. Op de achtergrond heeft dat ook een rol gespeeld in mijn beslissing te stoppen.''

Maar welk recht van spreken heeft een spelersgroep die de laatste jaren steevast de cruciale duels verloor en bovendien kort daarvoor, bij het EK in Slovenië (elfde plaats), opnieuw niet aan de verwachtingen voldeed? Een pas op de plaats zou de internationals niet misstaan. Maar Van de Bunt verwerpt die suggestie. ,,In een teamsport doet de mening van de oudere spelers er altijd toe. Wie dat niet begrijpt, begrijpt weinig van topsport. Maar de bond misbruikte een akkefietje van een paar weken eerder, toen enkele jonge jongens moeite hadden met het feit dat zes `lange-benen-plaatsen' in het vliegtuig werden opgeëist door de ouderen. De bond wilde doen geloven dat er achter de schermen sprake was van een soort machtsstrijd tussen jong en oud, en dat de beslissing dus van bovenaf moest komen.''

Of zijn kritische houding de reden is dat Van de Bunt taal noch teken van de bond vernam op het moment dat hij zijn afscheid wereldkundig maakte? Hij weet het niet. ,,Maar Alberda hing wel meteen aan de lijn, en sprak zijn waardering uit voor de bijna vijftien jaar die ik me had ingezet voor de Nederlandse ploeg. Van de bond heb ik niets gehoord. Ja, een standaardbriefje, zes weken later, meer niet. Ze schijnen nog wat voor me te willen gaan doen, heb ik begrepen. Het zal wel.''

Slechts één keer werd hij echt boos. ,,Dat was na dat volledig mislukte EK in Florence het dieptepunt uit mijn carrière waar we als twaalfde eindigden. Plotseling gingen stemmen op om de nationale ploeg maar op te heffen. Weg met die gasten, de toekomst is aan de jeugd dat was de teneur. Dat heeft een aantal jongens, en ook mij, pijn gedaan. Het voelde als een trap na. Okay, het was niet goed wat we daar presteerden. Maar om in één keer je nationale selectie bij het grof vuil te zetten, getuigt wel van heel weinig kennis en respect.''

Maar Van de Bunt weet wat incasseren is, zowel letterlijk als figuurlijk, na acht EK's, twee WK's en drie Olympische Spelen. Hoe vaak zijn hij en zijn ploeggenoten immers al niet bestempeld als het zwarte schaap van de Nederlandse topsportfamilie? Al zo vaak dat Van de Bunt niet (meer) opkijkt van een plaagstoot meer of minder. Hij zegt het zonder blikken of blozen: ,,Mijn collega's op het werk hebben meer verstand van het internationale waterpolo dan de Nederlandse sportpers.''

Maar de internationals riepen het onheil deels over zichzelf af, beseft Van de Bunt. Schuldbewust: ,,In de aanloop naar de Spelen van Atlanta hebben we de verwachtingen te hoog opgeschroefd. We wonnen in de voorbereiding een paar oefentoernooien en dachten vervolgens de hele wereld aan te kunnen. Een plaats bij de beste zes was in onze ogen een zeer realistisch doel. Achteraf bezien was dat een domme en naïeve voorstelling van zaken. Die grote mond is ons heel lang nagedragen. Hetzelfde geldt voor die zogenaamd kostenverslindende voorbereiding, waarbij NOC*NSF ons in de aanloop vier maanden `vrijkocht' bij onze werkgevers. Dat bedrag nam in de pers alsmaar toe. Ik geloof dat de teller uiteindelijk stilstond op één miljoen gulden, een mooi rond bedrag. Het exacte bedrag ken ik niet, maar het was in elk geval minder dan één miljoen.''

Over geld gesproken: rijk is Van de Bunt niet geworden van het waterpolo. ,,Sterker nog: d'r moest vaak geld bij.'' Hij klaagt niet, maar tegen de conclusie van `een carrière van gemiste kansen' verzet hij zich niet. Was de ook buiten Nederland geprezen keeper in Spanje, Italië of Hongarije geboren, dan had hij immers ,,een goede boterham'' verdiend. En had hij met gemak nog een olympisch cyclus kunnen volmaken. ,,Een frustratie? Ja, ergens wel. Als je ziet wat elders de mogelijkheden zijn, terwijl je hier constant met de beperkingen wordt geconfronteerd, ja, dan ben ik af en toe best jaloers.''

Drie keer kreeg hij een aanbieding om in het buitenland als prof aan de slag te gaan, drie keer bedankte Van de Bunt. Angst voor het avontuur? Hij schudt het hoofd. ,,Ik was 28, 29 toen de kansen zich voordeden, en dus niet de jongste meer. Op die leeftijd was ik niet meer bereid om mijn maatschappelijke zekerheid op te geven. Eén aanbieding kwam bovendien uit Kroatië. Dat is, na alle oorlog en ellende, geen land waar je fluitend naartoe gaat.''

Nog een paar maanden onder de lat bij AZ&PC, de club die hij al een kwart eeuw dient, en dan is het voorgoed voorbij. ,,Iedereen gaat er maar vanuit dat ik het trainersvak in zal rollen. Maar dat is helemaal niet gezegd. Ik wil eerst afstand nemen.'' En zijn woning opknappen.