Nieuwjaarsgewetensonderzoek

Ik geef drukke collega's vaak het advies om in hun borstzakje vijf kaartjes te steken, vier met nee, één met ja. Elke keer dat ze gevraagd worden voor een commissie, een bijdrage, of een lezing, moeten ze overwegen het ja-kaartje uit te geven, waarmee ze hun kans verspelen op vier volgende uitnodigingen in te gaan. ``Je moet je ja-kaartje alleen geven als je denkt dat jij de beste bent die dit kan doen, of als je de klus echt heel leuk vindt, of als je geen nee kunt zeggen zonder jezelf te schaden'', zeg ik met een bezorgd gezicht.

Ik zou wel willen dat ik mezelf wat meer aan mijn wijze raad zou houden. Maar het nieuwe jaar is nog geen drie dagen oud of ik heb al toegezegd aan een nieuw boek én een nieuw project mee te werken. Misschien moet ik de hond maar wegdoen, dat scheelt een kwartiertje lopen per dag, dat ik dan kan besteden aan de nieuwe plannen.

Intussen zou ik één voorstel uitbundig omarmen als het ooit gerealiseerd kon worden. Dat is het voorstel om een ideale universiteit op te richten. Ik heb er vroeger wel eens over gedebatteerd met een bevriende hoogleraar die inmiddels overspannen is geraakt door zijn gevecht tegen de bestuurlijke molochs. Hoe zou de academie van onze dromen eruit zien? Over één ding waren we het al snel eens: er zou niet vergaderd worden en er zouden geen commissies zijn. Alles wat niet direct met onderzoek en onderwijs te maken had, zou door apart aangesteld personeel afgehandeld worden, dat we blind konden vertrouwen. We zouden niet eens weten hoe het kopieerapparaat werkt.

Ik heb de neiging mijn keuzes in het leven af en toe aan een gewetensonderzoek te onderwerpen. Zo vroeg ik me rond nieuwjaar af, wat ik zou doen als ik de loterij waar ik niet aan meedoe zou winnen, of als ik die rijke weduwnaar die ik niet ken tegen zou komen. Wat zou ik besluiten als ik niet meer voor het inkomen zou hoeven te werken? Ik zou het wel weten. Ophouden met werken om beter te kunnen werken. Het klinkt als een Mulisch-paradox en dat is het ook. Te veel kostbare tijd aan de universiteiten gaat verloren aan geregel, commissies, kleinschalig onderzoek, aanvragen van projecten voor anderen, aan artikeltjes en lezingen in plaats van boeken, aan losse colleges in plaats van werkgroepen.

Maar mevrouw, werpt u me toe, u schrijft toch uit vrije wil zulke kleine artikeltjes als uw onderhavig stuk en die kosten toch ook tijd? Jazeker, lieve lezer, ik schrijf de stukken voor de krant uit vrije wil met een vrouwelijke regelmaat van eens per maand in de woensdagnacht, toevallig heb ik dan niets beters te doen. Maar nog liever dan ophouden met werken aan de universiteit om meer te kunnen werken aan mijn vak, zou ik een nieuwe universiteit oprichten. Mijn overspannen collega zal stante pede opknappen als hij ervan hoort.

Om te beginnen gaan we die nieuw bouwen ergens in een mooi landschap. Een waddeneiland zou kunnen, of Drenthe, of in de buurt van Deventer aan de IJssel. Limburg is beeldschoon maar te vol. Het gebouw eist het uiterste van een architect. In de bibliotheek moeten namelijk de collegezalen geïntegreerd worden, maar zo dat er tegelijk college gegeven kan worden aan verschillende groepen én gestudeerd kan worden. Overal moeten discussiehoeken zijn. Natuurlijk is er een voortreffelijke mensa met veel salades en knapperig bruinbrood en cappuccino's, niet uit een capsule maar met vers opgeschuimde melk. Er is ook een restaurant waar je zonder je te schamen Vlaamse collega's op een warme lunch kunt uitnodigen. Plastic bekertjes kent men er nergens. Het gebouw is dag en nacht open. Ja, de hele nacht, want de wetenschap houdt zich niet aan het dag- en nachtritme.

Naast de collegeruimten in de bibliotheek zijn er een paar grote zalen voor lezingen van gasten. Een schelpvormige oplopende zaal is het best voor grote colleges, heb ik bemerkt in het gebouw waar ik nu werk. Doordat de rijen zich in de breedte met een lichte ovaalvormige ronding naar de sprekersplaats neigen, ontstaat er een intiem contact met alle toehoorders. Die zalen wil ik ook in de nieuwe universiteit. De medewerkers hebben per afdeling een soort Romeinse villa met een patio, die weer in directe verbinding met de bibliotheek staat. Alle werkkamers liggen aan een glazen gang die om de binnenplaats cirkelt. De kamers hebben glazen schuifdeuren die gewoonlijk openstaan, maar voor besprekingen gesloten kunnen worden. Tentamens zijn er niet, alleen gesprekken en verslagen. De binnenplaats is groot genoeg om er in de zomer onder een parasol te werken. Er is ook plaats voor een appelboom en een sering.

Wie we aannemen als docenten op deze universiteit? Iedereen die passie voor een vak heeft. Ik zal collega Icke vragen of hij een instrument kan ontwerpen om dat te meten. Wie we als student toelaten? Wie wil is welkom. Als een student na enige tijd niet bezeten raakt, is het onze fout en moeten we ons systeem heroverwegen.

De bibliotheek heeft van buiten de allure van een kathedraal, omdat die de centrale plek, de kern van de wetenschap is. Maar van binnen zijn er kleine cellen gegroepeerd om onderwerpen. Ik stel me voor dat de collegezaal voor Nederlandse literatuur aan de wand de literatuurgeschiedenissen heeft staan, de lexica, de encyclopedieën, de stijlleren, de woordenboeken, internettoegangen, alles wat nodig is voor een eerste oriëntatie. In de directe nabijheid staan de tijdschriften, vanaf de eerste jaargang tot het jongste nummer. En dan de literatuur zelf. Alles op de planken, klaar om te grijpen, geordend in doorzichtige systemen. Het moet er zijn zoals in een goede keuken. Ingrediënten, kruiden, specerijen, gereedschap, snijplanken, pannen, alles staat klaar en de meesterkok hoeft maar te beginnen.

We zetten het oude onderwijs geheel op de helling. De professor heeft geen collegerooster, maar is elke dag ten minste vijf uur in het lokaal. De studenten zijn er ook, vanzelfsprekend, zonder uitzondering. Niet te veel ineens, twaalf is een goed getal voor leerlingen, dat had Christus al begrepen.

Ik zie het voor me. Er ligt een literaire tekst op tafel. Bilderdijk, bijvoorbeeld, de eerste druk van het treurspel Floris de Vijfde. Ik laat het boekje zien. Kijk, het heeft geen mooie boekband, want die hadden ze nog niet in die tijd. Kijk eens naar het papier uit 1808. Het is vlekkeloos, brandschoon. Hoe kan dit, hoe werd papier gemaakt? Wanneer ontstonden de eerste uniforme boekbanden?

Voor in het boekje staat een lijst van intekenaren. Dat is interessant: we kennen de namen van de lezers. Wie was A. Bakhuizen uit Den Haag, wie P. van Limburg Brouwer in Luik, wie Prof. Van Eck te Deventer? Zou het exemplaar dat op tafel ligt van een intekenaar zijn geweest? De eerste vragen zijn gesteld en moeten opgelost worden. We gebruiken encyclopedieën, oude biografische woordenboeken, internet, lijsten van boekhandelaren. Niet alle intekenaren kunnen we identificeren. We schrijven op wat we weten en inventariseren wat we elders moeten uitzoeken in archieven.

Het treurspel zelf is de volgende stap. `Werd Utrecht dan een deel van Hollands Heerschappy?' is de beginzin en die geeft al een veelvoud aan raadsels. Hoe zit dat met Utrecht en Holland, wie overheerst, in welke tijd speelt dit stuk? We duiken de geschiedenis in, bezoeken de naburige collegezaal van de collega middeleeuwse geschiedenis, we grijpen naar het grote woordenboek van de Nederlandse taal, we zijn enkele dagen bezig om de achtergronden van het treurspel te achterhalen. Soms zit er geen student in het lokaal, soms is iedereen tegelijk aanwezig.

Als de historische achtergrond duidelijk is, ga ik de volgende confrontatie aan. Waarom wilde Bilderdijk in 1808 een toneelstuk schrijven over dít onderwerp? Wilde hij op een historische overeenkomst wijzen? Opnieuw waaieren de studenten uit. Na enige maanden hebben ze literatuurgeschiedenis, taalkunde, stijlleer, geschiedenis, boekwetenschap en tekstanalyse beoefend, en kunnen ze de laatste stap maken. Waarom zouden wij in 2004 Floris de Vijfde willen lezen?

Ik zal wel drie loterijen moeten winnen om zo'n universiteit te kunnen realiseren. Eén ding is zeker: de hond zou ik daar wel aan kunnen houden.