Lawineslachtoffers gevonden via geofysische opsporing

Mensen die door een sneeuwlawine zijn bedolven, blijken te kunnen worden opgespoord met een vorm van radar die de grond binnendringt (ground-penetrating radar, GPR). Dat bleek bij twee niet-geplande praktijkproeven (Cold Regions Science and Technology, 5 jan).

In het eerste geval ging het om een groep Noorse onderzoekers op Spitsbergen, van wie twee leden die met snowmobiles onderweg waren niet op tijd in het onderzoekstation terugkeerden, en die een gebied moesten passeren waar veel lawines optraden. In het tweede geval ging het om een groep van vijf Noorse skiërs in de omgeving van Chamonix, die zich buiten de piste hadden gewaagd, en daar een lawine hadden veroorzaakt waardoor ze zelf bedolven werden.

Op Spitsbergen, waar geen getuigen van het ongeval waren, sneeuwde het en stond er een harde wind toen besloten werd het vermiste tweetal te gaan zoeken. Vanwege de duisternis werd het gebied waar de twee slachtoffers onder een lawine waren bedolven echter pas de volgende avond, meer dan 24 uur na het ongeluk, getraceerd: het spoor van de snowmobiles hield plotseling op bij een verse lawine en kwam daar aan de andere kant niet meer uit te voorschijn. Het GPR-onderzoek dat vervolgens plaatsvond, besloeg een oppervlakte van zo'n 150.000 m², in een pakket lawinesneeuw van gemiddeld 8 meter dik. De slechte omstandigheden en de voor dit doel niet geschikte apparatuur bemoeilijkten het onderzoek aanzienlijk. De twee slachtoffers werden niettemin gevonden, zij het 2, respectievelijk 3 dagen nadat ze bedolven waren geraakt. Ze lagen onder 3,5 m sneeuw.

Bij Chamonix hadden vier van de vijf skiërs een apparaatje bij zich waarmee hun positie kon worden bepaald. Het gebied waar ze door de lawine waren bedolven, was slechts zo'n 30.000-35.000 m² groot en werd binnen 45 minuten getraceerd; een van de personen was overleden toen hij werd gevonden, een tweede stierf een maand later alsnog aan zijn verwondingen, en twee anderen werden zonder grote verwondingen uit de sneeuw bevrijd. De vijfde persoon kon, doordat het sneeuwpakket van de lawine 10 m dik was, niet met klassieke middelen (stokken, honden) worden gevonden. Om hem alsnog op te sporen riep het Rode Kruis van Chamonix de hulp in van het GPR-onderzoeksteam dat enkele dagen eerder op Spitsbergen succesvol was geweest. Een en ander kostte weliswaar tijd, maar het team wist het (overleden) slachtoffer snel te traceren (op 4,5 m diepte), waarna het lichaam geborgen kon worden.

De onderzoekers merken op dat in geen van beide gevallen levens werden gered door het gebruik van GPR. Daarvoor kwam de inzet daarvan te laat. Bovendien was de gebruikte apparatuur niet echt geschikt: het was log, zwaar (ca. 80 kg) en moeilijk te vervoeren, zeker op besneeuwde, steile hellingen. De uitvoering van de apparatuur, die ontworpen was voor wetenschappelijk onderzoek, maakte het karwei bovendien tijdrovend.

Niettemin zijn de onderzoekers optimistisch over de mogelijkheid om GPR in de toekomst te gebruiken voor het tijdig opsporen van mensen die door een lawine bedolven zijn geraakt. Proeven met opzettelijk `ingegraven' personen op Spitsbergen en bij Chamonix tonen aan dat de techniek goed werkt. Er zal voor succesvolle toepassing in ongevalssituaties echter een versie moeten worden ontwikkeld, die gemakkelijker te hanteren is onder moeilijke terrein- en weersomstandigheden, die lichter is en die bij voorkeur op afstand kan worden bediend.