Hoger maaiveld

Enige tijd geleden was ik op bezoek bij de letterenfaculteit van een van onze instellingen voor wetenschappelijk onderwijs. Het gespreksonderwerp met enkele medewerkers kwam op de kwaliteit van de opleidingen. Al vlug bleken er twee kampen te ontstaan met in het ene de Preciezen die hechtten aan het wetenschappelijke karakter van de opleiding, en in het andere de Rekkelijken.

Deze laatsten vonden dat je de eisen die je aan studenten mocht stellen diende af te stemmen op hun toekomstige werkterrein. In de praktijk kwamen de op een enkele uitzondering na allemaal vrouwelijke afgestudeerden terecht in banen als baliemedewerkster bij een reisbureau of bij de VVV, assistente bij een congresorganisatie, dat soort banen. Daar leiden we dus voor op, vonden ze, want dat is wel de realiteit. In feite hebben we dezelfde functie als die van de vroegere mms.

Het gros van de studenten zou een wetenschappelijke opleiding ook niet aankunnen, was een ander argument. Minder dan de helft van de studenten heeft vwo, de meesten havo, en soms minder. Maar Rekkelijken en Preciezen waren het op één punt geheel met elkaar eens: het was absurd van hen te vragen de kwaliteit te handhaven, terwijl dat tot gevolg zou hebben dat ze daarmee het gros van de studenten en dus ook hun baan zouden kwijtraken. Dat kon je mensen toch niet vragen. Bovendien: ze volgden alleen maar het overheidsbeleid, want dat had het mogelijk gemaakt dat studenten met een onvoldoende toerusting de universiteit binnenstroomden.

Enige tijd geleden berichtten de Fontys-hogescholen dat zij een samenwerkingsovereenkomst hadden gesloten met de Open Universiteit. Zo doende kunnen ze, meeliftend op de universitaire bagagedrager, straks de mastertitel verstrekken. Daarmee blijkt de Open Universiteit achteraf toch nog enig bestaansrecht te hebben. En wat maakt het allemaal ook uit. Hogescholen en universiteiten, het is allemaal al lang een grote soep.

Van staatssecretaris Nijs van Onderwijs, die zegt te hechten aan kwaliteit, zou je verwachten dat zij hier iets aan ging doen, maar blijkbaar heeft ze de moed daartoe opgegeven. ``In het huidige hoger onderwijs worden talentvolle studenten onvoldoende geprikkeld'', vindt ze. ``Door de studenten te selecteren op motivatie, kennis en vaardigheden is de kans groter dat ze op de juiste plek terechtkomen'', meent ze verder, en daarom stelt ze voor een toelatingstest in te voeren.

Wat Nijs niet schijnt te weten, is dat die toelatingstest al lang bestaat. Die heet VWO, wat staat voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs. Dus ga die verplichting als de donder herinvoeren, zou ik zeggen. Verder wil Nijs een topmasters waarvoor extra betaald wordt, zodat extra personeel de extra geselecteerde studenten extra kan begeleiden. Dit met het afgezaagde argument van het maaiveld en het verbod daar bovenuit te steken. Ze zou er beter aan doen ervoor te zorgen dat het maaiveld weer tot op een aanvaardbaar niveau wordt teruggebracht. Dan heeft er ook niemand moeite mee dat sommigen er bovenuitsteken. Sterker nog, dan wordt dat juist als stimulerend ervaren.

Maar ja, om dit te kunnen doen, moet je als staatssecretaris wel de moed hebben de universiteiten te trotseren, want die hebben ook altijd maar één doelstelling gehad: zo groot mogelijk te groeien. En nu de kwalitatieve verloedering een gegeven is, werpen diezelfde universiteiten zich op als instellingen die een supermasters zouden kunnen verzorgen. Als we daar al ooit toe mochten besluiten, dan zal dat moeten worden gedaan in nieuwe instellingen, los van de bestaande universiteiten. Laat die maar baliemedewerksters opleiden.

Prick@nrc.nl