Het gaat niet om de waarden van wildplassers, zwartrijders en uitkeringsfraudeurs, het gaat om normen

Het debat over normen en waarden leidt tot niets. Bovendien is het een overbodig debat: het heeft geen zin om over waarden te discussiëren. Normen, die zijn belangrijk in het sociale verkeer. Het debat moet gaan over hoe we die handhaven.

Na het Veronica-liberalisme uit de jaren '80 is er nu de SBS6-christen-democratie. De website normenenwaardendebat.nl (,,een initiatief van het CDA'') fungeert prominent in een nationale campagne voor ethisch réveil. Bekende christen-democratische Nederlanders vertellen er over hun favoriete waarde. Men kan er elektronisch stemmen op zwerfvuil of straatroof in de `Nationale Ergernissen Top Tien'. En als uitsmijter: ,,Stuur uw belangrijkste waarde in en maak kans op een uitnodiging voor het normen-en-waardendebat met Jan Peter Balkenende.'' Moraalfilosofie op Hart-van-Nederland-niveau.

Kennelijk voelen de CDA-strategen goed aan dat er iets schort aan de manier waarop het normen-en-waardendebat wordt gevoerd. Zij willen de associatie met de spreekwoordelijke jaren '50 wegpoetsen met moderne communicatiemiddelen. Deze truc zal niet lukken. Waar het debat vooral aan lijdt, is inhoudelijke vaagheid. Om dit te verhelpen moet het normen-en-waardendebat allereerst een normendebat worden.

Het debat speelt zich nu voornamelijk af tussen dorpse moraalridders en grootstedelijke libertijnen. Aan beide zijden verlamt angst de analyse.

De dorpse moraalridders vrezen het oprukkende individualisme. Normen vervagen, zeden verloederen. Morele versplintering ondermijnt de sociale cohesie. Het gezin kwijnt weg in de stedelijke anonimiteit van magnetronmaaltijden en fastfoodketens. De afgrond dreigt. Normen en waarden staan hier voor de terugkeer naar solidariteit, geborgenheid en dampende aardappels. Vroeger was het beter.

Grootstedelijke libertijnen raken alleen al bij het aanhoren van de termen normen en waarden in staat van lichte paniek. In hun angstbeeld strijden bekrompenheid, seksuele repressie, het huisvrouwenbestaan en sociale controle om voorrang. Dat nooit meer. Vooruitgang bestaat.

Deze slingerbeweging van het ene naar het andere spookbeeld moet worden doorbroken. Dat kan ook. Maar niet zoals het debat nu wordt gevoerd. Het is niet genoeg om te zeggen: graag een beetje meer normen- en waardenbesef, ,,maar dan natuurlijk niet in een terugkeer naar de verzuilde cultuur van de jaren vijftig'' (CDA-ideoloog Anton Zijderveld).

Omgekeerd vluchtgedrag komt ook voor. Multiculturalisten steken de kop in het zand, Zij hopen dat de uiteenlopende waarden in de moderne samenleving altijd wel ergens ,,overlappen'', zodat democratie toch mogelijk blijft. Dit zijn bezweringen om de angst weg te nemen. Waardengemeenschap en waardenpluralisme kunnen elkaar niet halverwege ontmoeten.

Compromisformules helpen niet. Het samenstellen van vertederende lijstjes met waarden en normen evenmin. Wat misschien wel helpt, is het doorsnijden van de band tussen normen en waarden: normen berusten niet op waarden.

Het doorknippen van die band zal niet meevallen, want na een decennium publiek debat erover zijn normenenwaarden al bijna één woord geworden. De ene partij gelooft hardnekkig dat wij met diep nadenken over waarden gedragsnormen cadeau krijgen. De andere partij wijst elke gedragsnorm af, omdat men meent dan automatisch met bepaalde waarden te worden opgescheept. Normenenwaarden is echter een conceptueel misbaksel, de Siamese tweeling van het publiek debat. Een minimum aan analyse maakt dat snel duidelijk.

Simpel gezegd zou men onder waarden al die zaken kunnen verstaan die mensen van ultiem belang vinden in hun leven. Het zijn de doelen die richting geven aan onze voorkeuren en daarmee aan ons handelen. Geluk is een klassieke waarde. Schoonheid en waarheid zijn dat ook. Net als autonomie. Het is opmerkelijk dat CDA-prominenten deze waarden niet noemen op hun website. Men heeft het vooral over piëteit en sociale waarden, over ,,familie'', ,,religie'', ,,vriendschap'' en ,,verantwoordelijkheid''.

Wat is het onderscheid tussen waarden en normen? Het recente WRR-rapport over deze kwestie bevat – te midden van droefmakend sociologenproza – een heldere aanzet: ,,Waarden scheppen ruimte, normen brengen beperkingen aan.'' Waarden (niet normen) maken het leven de moeite waard, geven zin aan het leven. Ze zijn in beginsel niet verplichtend. Met normen is dat heel anders. Normen zijn verplichtende gedragregels. Ze geven aan dat wij, in ons individuele streven naar waarden als geluk, waarheid, religie en familie, bepaalde dingen moeten doen of juist laten, meestal met het oog op de omgang met anderen. Houd rechts is een goed voorbeeld. Doe een ander niet wat U niet wilt dat U geschiedt, is een ander voorbeeld.

Dit maakt duidelijk dat normen niet berusten op waarden. Ten eerste is het een vergissing te denken dat waarden een voldoende voorwaarde zijn voor normbevestigend gedrag. Uit naam van family values kun je je oude moeder verzorgen maar ook de verkrachter van je dochter neerschieten. Met een beroep op autonomie kan onderwijs worden genoten (`zelfontplooiing') maar ook de autoriteit van de onderwijzer worden afgewezen (`disciplinering'). Uit naam van religie zijn mensen gered, gemarteld en mishandeld. Waarden bieden geen garantie voor normen.

Ten tweede is het niet noodzakelijk iemands waarden te delen om je toch aan dezelfde omgangsnormen te houden, aan dezelfde set van regels voor sociaal verkeer. Afspraken maken met mensen die in God geloven is voor ongelovigen meestal geen probleem. (En andersom ook niet.) En bovendien: mensen met dezelfde waarden bedriegen elkaar net zo hard. Voor een normengemeenschap is geen waardengemeenschap nodig.

Van waarden hoeven we dus weinig sociaal heil te verwachten. De Siamese tweeling van de normenenwaarden moet onder het mes, om de normen te redden.

In de waarden zit het probleem niet. De Burke Stichting, onder leiding van Bart Jan Spruyt, meent niettemin dat de ,,crisis in Nederland'' te wijten is aan waardenverval. Volgens de pamfletten van deze stichting, die druipen van vettig intellectualisme, is de westerse beschaving sinds de zeventiende eeuw uitgehold door nihilisme en consumentisme. Dit cultuurpessimisme van de gereformeerde Spruyt heeft een sterk sektarisch en academisch karakter, dat geen recht doet aan het huidig maatschappelijk onbehagen. Of geloven de mensen soms niet meer in geluk, waarheid en vriendschap?

Zeker, er is meer waardenpluralisme dan voorheen. Traditionele waarden zijn minder vanzelfsprekend dan vijftig jaar geleden. Daarmee is ook minder duidelijk wat ons gelukkig maakt. Familie is voor velen van enorm belang. Maar een maatschappelijke carrière is dat ook. Religie is nog steeds voor veel mensen van waarde. Net zoals voetballen op zondag. Dus moeten er pijnlijke keuzes worden gemaakt. Die maken het leven soms moeilijker (maar ook interessanter).

Dit type waardenpluralisme, dat ons allen in de eigen ziel raakt, is veel wezenlijker dan de multiculturele pluriformiteit die – in positieve of negatieve zin – alle aandacht trekt. De immigratieproblematiek is slechts een afgeleide van de algemene beweging van modernisering. De wereld is voor iedereen veranderd. Behalve uit de Peel, de Veenkoloniën en de Randstad van de jaren '70 komen de 21ste-eeuwse stadbewoners nu ook uit Anatolië en het Atlasgebergte. Allerlei maatschappelijke problemen worden daardoor verergerd. Dat is jarenlang onderschat. Maar de bron van die problemen ligt niet in de waarden die immigranten hebben meegenomen.

Kortom, het is niet de vermeende waardenversplintering waar we ons zo druk over maken. Het specifieke probleem – zoals ook de WRR terecht constateert – zit hem in de normen. In de afgelopen decennia hebben Nederlanders het gevoel gekregen dat de regels telkens vaker aan de laars worden gelapt, van hoffelijkheid tot wettelijke normen. Men ergert zich aan wildplassers, zwartrijders en uitkeringsfraudeurs. Men voelt zich onveilig op straat en is verbolgen over ingetrapte bushokjes en alweer een gejatte fiets. Als er een crisis is, dan betreft het ons normbesef.

Een waardig normendebat voeren is moeilijk genoeg. De ,,conservatieve'' angst voor verlies van waarden wordt aardig in evenwicht gehouden door de ,,progressieve'' normvrees van de grootstedelijke elite, die de kranten leest en volschrijft. Soms vragen wij ons af – het sociale traject van een aantal eeuwig-opstandige opiniemakers in aanmerking genomen – zijn zij getraumatiseerd door het Fries/Brabantse dorp van hun ouders? Waarom zijn deze vrijgevochten dorps- en domineeskinderen zo bang teruggezogen te worden in de drek van de premoderne sociale orde? Het is alsof de mestgeur van vaders klompen nog aan hun pumps kleeft. Alsof ze als ontsnapte pubers willen bewijzen vrij te zijn (gebleven).

Wij willen deze babyboomers graag geruststellen: de vrijheid van de moderniteit kan ons niet meer worden afgenomen. Maar ze kan alleen bestaan in een orde. Vrijheid veronderstelt een orde. Wie in elke vorm van gezag fascisme in de dop ziet, slaat het debat dood met een reductio ad Hitlerum. Dat is jammer, want het gaat hier om een wezenlijk dilemma.

Orde en vrijheid: het blijft altijd schipperen. De spanning ertussen kan in zekere zin niet worden opgeheven. Niettemin zijn er verschillende manieren om met die spanning om te gaan. Het schipperen kan vruchtbaar en volwassen worden – dankzij normen. Dat lukt sommige samenlevingen heel aardig. Maar in dit domineesland ontkent men deze spanning en kiepert men hetzij de vrijheid hetzij de normen overboord. In beide gevallen is zelfgenoegzame ploerterigheid het resultaat.

Normen zijn de spelregels van de moderne samenleving. Dat is een samenleving van vrije en gelijke individuen die op basis van hun eigen waarden én belangen kiezen uit de talloze mogelijkheden voor ontmoetingen, activiteiten, aankopen of verplaatsingen. Die individuele belangen en waarden zijn vaak strijdig. Volgens velen is een dergelijke waarden- en belangenstrijd fataal. Maar in die strijd en vrijheid ligt juist de vooruitgang.

Dat inzicht is op zich niet van gisteren. Het is alleen een beetje ondergesneeuwd geraakt. In de jaren dat de Amerikaanse en Franse Revoluties de vrijheid en gelijkheid van alle burgers uitriepen, stond het Immanuel Kant nog helder voor ogen. De grote moraalfilosoof, in menig opzicht principiëler dan onze remonstrantse mannenbroeders en linkse scherpslijpers bij elkaar, wist wel hoe de hazen liepen: ,,Dank aan de natuur voor de onverdraagzaamheid, voor de jaloers wedijverende ijdelheid, voor de niet te bevredigen begeerte naar bezit of tot heersen!'' Zonder strijd, bij volkomen eendracht, tevredenheid en wederkerige liefde, zouden mensen dom blijven ,,als de schapen die ze hoeden''. (Idee zu einer allgemeinen Geschichte in weltbürgerlicher Absicht, 1784).

Zo min als orde in eendracht ligt, zo min ligt vrijheid in wetteloosheid. De maatschappelijke strijd behoeft spelregels en een scheidsrechter. Zonder regels geen spel. De spelregels zijn inhoudelijk niet onomstreden en voortdurend onderwerp van debat. Maar het normenenwaarden-debat gaat niet in de eerste plaats over de inhoud. Het draait om de naleving van regels. De dief weet best dat hij steelt. Wie zich bewust is van de overtreding, aanvaardt de regel.

Voor de handhaving van sommige spelregels is een scheidsrechter vereist, de staat. Dit type regels wordt gecodificeerd in het recht, dat moord verbiedt, snelheidslimieten voorschrijft, belastingen oplegt en verordonneert dat burgers hun huisvuil niet op straat mogen dumpen. Als de wetgever besluit deze normen te formaliseren, moeten overtredingen door de staat worden bestraft.

Te lang heeft de Nederlandse staat talloze schendingen van de regels door de vingers gezien. Men vond het overdreven autoritair (en te duur) om daartegen op te treden. Die tijd is voorbij. Nu de sociale kosten hoger blijken dan de baten, wagen weinigen zich nog aan een apologie van het gedoogbeleid. Algemeen wordt erkend dat van staatswege scherper toezien op vandalisme, belasting- en uitkeringsfraude niet per se ,,asociaal'' is. Dat is winst.

Nogmaals onze Verlichtingsdenker: ,,Ook al wenst hij als redelijk schepsel een wet die grenzen stelt aan ieders vrijheid, dan wordt hij toch door zijn zelfzuchtige, dierlijke neigingen ertoe verleid, daar waar het mogelijk is voor zichzelf een uitzondering te maken.'' Kant doelt hier op het probleem van de zwartrijders, en vervolgt: ,,Hij heeft derhalve een heer nodig, die hem de eigen wil breekt en hem dwingt te gehoorzamen aan een algemeen geldige wil, waaronder ieder vrij kan zijn.'' Stilaan is dit inzicht nu ook in de polder bereikt – enkele pockets of resistance daargelaten.

Maar er is meer. Blauw op straat is geen panacee. Wie alleen daarom roept, vergeet iets essentieels, namelijk dat er nóg een type spelregels is. Het betreft de regels die ontstaan in het spel en die door de spelers onderling worden gehandhaafd. Zonder scheidsrechter. Anders zou het spel immers worden doodgefloten. Deze zijn voor het dagelijkse verkeer tussen mensen veel belangrijker, maar ze worden in Nederland ernstig onderschat.

Goede voorbeelden zijn beleefdheids- en fatsoensnormen, de tafelmanieren van de alledaagse omgang. Ook in dit opzicht klaagt men over normverval. Die term is misschien nog te optimistisch. Beter is normgebrek. Want ook van oudsher houden wij in dit land niet zo van hoffelijkheden.

In een recente lezing constateert Peter van Walsum, voormalig ambassadeur bij de Verenigde Naties in New York: ,,Ook als wij zelf in het buitenland wonen hebben we er meestal enige tijd voor nodig om het te ontdekken, maar wij Nederlanders hebben de reputatie geen manieren te hebben.'' Vraagt men aan een buitenlander wat men van de Nederlanders vindt, dan volgt er een hoffelijk ,,direct'' of ,,eerlijk'' (lees: botteriken). Dat doet ons dan glunderen van nationale trots. Omgekeerd klagen wij steen en been over Engelse en Franse stijfheid en huichelarij, en dat liefst onverbloemd.

Ons probleem met hoffelijkheid valt te herleiden tot dezelfde kinderlijke normvrees. Men meent dat beleefdheidregels in strijd zijn met de moderne vrijheid. Hoedentikkers zijn al snel hielenlikkers. Bovendien vindt men al die deftige maniertjes omstandig en weinig efficiënt. Het kost alleen tijd.

Deze levenshouding berust op een vergissing. Beleefdheid is niet ouderwets. Juist in de habitat van de moderniteit, in het jachtige leven buiten hechte traditionele gemeenschappen (in het bijzonder de markt), moet je de kunst verstaan om relaties met onbekenden aan te knopen en te onderhouden. Wie die kunst niet verstaat, verliest zakenpartners en in de diplomatie bondgenoten. Tegen je vrienden kun je heel wat zeggen. Maar met vreemden moet je aanmerkelijk voorzichtiger met je woorden om springen.

In het buitenland wist men al langer dat normen belangrijk zijn. Het water blijkt ons nu ook naar de lippen gestegen, getuige het nationale geklaag en de hardnekkigheid waarmee het normenenwaarden-debat steeds terugkeert. We moeten eindelijk beseffen dat het geheim in de normen ligt, en niet in de waarden. Waarden-loosheid is erg. Maar de lasten daarvan (gevoel van desoriëntatie) worden individueel gedragen. Normloosheid daarentegen betekent wanorde en onvrijheid. Tegen normloosheid zijn er individuele remedies, die appelleren aan ons geweten en schaamtegevoel. Daarnaast zijn er twee soorten collectieve remedies: law and order enerzijds, sociale correctiemechanismen anderzijds. Ook deze collectieve antwoorden zijn van onszelf.

De vraag in het normdebat dient telkens te zijn: wanneer en in welke verhouding kunnen deze drie middelen het beste worden benut? Dat is een vraag waarover op basis van feiten valt te discussiëren: Werkt het? Wat kost het? Is het passend? Daarover moet het debat gaan.

Neem wildplassen. De wildplasser is een wilde plasser, en geen hond. Hij erkent de regels en overtreedt ze. Dat kan bestreden worden door de pakkans te vergroten, door ad-hoc plaspalen in uitgaansgebieden, door straatverlichting – wat ook maar het beste werkt. Een discussie over morele of culturele waarden voegt hier niets aan toe. Wildplassen is ook voor mensen zonder waardenbesef een ergernis.

Het is nu aan de grootstedelijke libertijnen om de ruis van de waarden uit het debat te filteren. Dat de dorpse moraalridders tot dusver de toon zetten vinden wij spijtig, maar snobistische lacherigheid verdienen zij niet.

De leuze ,,Geloof, Hoop en Liefde'' heeft als bron van sociale orde zijn beste tijd gehad. De verlichte en liberale lezers van deze krant moeten nu het normendebat naar zich toetrekken. Hun wapenspreuk ontbeert slechts één term: ,,Lux, Libertas et Ordo''.