Het bruidspaar en de moordenaar

Na de onopgeloste moord op Marianne Vaatstra waren vreemdelingen in de noordelijke Friese Wouden niet langer welkom. Het asielzoekerscentrum in Kollum ging dicht. Maar tot opluchting van de autoriteiten blijkt er nu sympathie te bestaan voor een Zwaagwesteinder boer die met een illegale Nigeriaanse wil trouwen. Ze hebben twee kinderen, toch moet Esther Uhunamure het land verlaten. Een Hollandse zedenschets.

Abumwenre is een arm en afgelegen dorpje in het zuidoosten van Nigeria. Er wonen voornamelijk christelijke boeren die op de vruchtbare velden rondom het dorp casave verbouwen. Benin City is de dichtstbijzijnde stad. Meneer Uhunamure Aghama, een vooraanstaand aannemer in het dorp, reisde er vaak heen en als hij terugkeerde vertelde hij de dorpelingen wat hij gezien en gehoord had. In 1985 stierf hij plotseling aan een maagontsteking. Hij liet drie vrouwen en achttien kinderen achter. Zijn tweede vrouw, bij wie Uhunamure Aghama zeven kinderen verwekte, kon het verdriet niet te boven komen. Twee jaar na de dood van haar vader liftte dochter Esther Uhunamure, met 17 jaar de oudste van het gezin, naar Lagos waar ze werk hoopte te vinden.

Het leven in de drukke en stinkende metropool viel haar zwaar. Ze woonde bij een vriendin in een gammel huisje. Overdag verkocht ze geroosterde maïskolven. Later vond ze een baantje bij een bedrijfje dat makreel importeerde. Zodra ze betaald kreeg, kocht ze een pak poedermelk van het merk Coberco. 'Friesland, Leeuwarden', stond er met gouden letters op. Verse melk was in Lagos nauwelijks te krijgen maar deze poedermelk van Coberco smaakte zalig. Ze bekeek de kaart van Europa en ontdekte dat Leeuwarden een plaats was in Nederland. Ze maakte zich rooskleurige voorstellingen van die stad en dat land.

In 1997 vertrok ze vanuit Lagos met een bescheiden spaartegoed per trein richting buurland Benin. In het diepst van de nacht sloop ze met hulp van een smokkelaar de grens over. Verder ging het. Via Togo, Ghana en Burkina naar Mali. Ze sliep achterin vrachtwagens, verschool zich bij het passeren van grensposten onder jutezakken en kartonnen dozen. In Mali werd ze vlak voor de Senegalese grens in de trein gesnapt door een conducteur. Ze wendde waanzinnigheid voor, geschrokken liet men haar gaan. In Dakar reisde ze per bus noordwaarts door de Westelijke Sahara naar Marokko. Vanuit Tanger waagde ze de gevaarlijke oversteek door de straat van Gibraltar. Via Lissabon ging ze met een bus rechtstreeks naar Amsterdam. Zes maanden na haar vertrek uit Lagos stond ze op het Damrak. Aan iemand met een donkere huidskleur vroeg ze waar ze het beste heen zou kunnen gaan.

In de Bijlmer ontmoette ze Nigerianen van haar eigen stam die haar onderdak verschaften. Ze moest zich beslist niet aanmelden voor de asielprocedure, zeiden ze. Nigeria gold als een veilig land, onherroepelijk zouden ze haar terugsturen. Als ze in een asielzoekerscentrum terecht zou komen, was dat helemaal verschrikkelijk. Met een vrouw uit Ghana die een paar Nigerianen in Leeuwarden kende, spoorde ze op een stralende voorjaarsdag in 1998 naar Friesland. In de weilanden zag ze de zwartwitte koeien van de melkpoederverpakking. Een van de Nigeriaansen bleek getrouwd met een Friese man. Dit koppel organiseerde in hun Leeuwardense huiskamer soms een Afrikaans feest. Esther, die tijdelijk bij de Nigeriaanse in Leeuwarden verbleef, gaf aan ook een Friese man te willen ontmoeten.

Wytze van der Zwaag woonde zijn leven lang al in Kollumerzwaag. Hij had elf broers en zussen die net als hij naar de school met de bijbel werden gestuurd, in de gereformeerde kerk de predikant aanhoorden en dagelijks Het Friesch Dagblad van de mat raapten. Vader Pieter van der Zwaag was een eenvoudige varkensboer, maar met de verkoop van land had hij zich weten op te werken tot één van de rijkste en invloedrijkste personen van de noordelijke Friese Wouden, zoals de dunbevolkte zandgronden rond Kollumerzwaag, Zwaagwesteinde en Kollum genoemd worden. Met zijn vrouw, kunstenaresse met een voorkeur voor de afbeelding van bijbelse taferelen, betrok hij een monumentaal landhuis in het aan Kollumerzwaag vastgegroeide Veenklooster. Elke rechtgeaarde Wâldpyk neemt voor de oude Van der Zwaag z'n pet af.

Terwijl veel van zijn broers het agrarische bestaan vaarwel zegden, bleef Wytze met twee zusters achter op de ouderlijke boerderij aan de Achterwei in Kollumerzwaag. De zusters zorgden voor hem. Vanwege aangescherpte milieuvoorschriften waren de varkens intussen verruild voor twintig koeien die Wytze elke ochtend in zijn eentje voerde en aan het eind van de middag molk. Drie keer per week kwam een tankwagen van Coberco voorrijden om het bescheiden aantal liters op te slurpen. Er bleef weinig tijd over voor sociale contacten. En hoewel hij wel eens een glaasje ging drinken in een lokale uitspanning, had Wytze zijn leven lang geen geschikte vrouw ontmoet.

Hij was 44 toen hij van een vriend, ook een Wâldpyk, vernam dat deze een Nigeriaanse aan de haak had geslagen. Ze woonden in Leeuwarden, naar beider tevredenheid. In het voorjaar van 1998 vertelde de vriend dat er een nieuwe Nigeriaanse was aangekomen. Was dat niet iets voor hem? Ze gaven binnenkort een Afrikaans feest. Die avond trok Wytze zijn beste kleren aan en trad vol verwachting de Leeuwardense huiskamer binnen. Daar zag hij de elegant geklede Esther Uhunamure in een stoel zitten. Ze keken elkaar enkele malen taxerend aan.

Op camping de Poelpleats, even buiten Kollum, werd begin jaren negentig een asielzoekerscentrum geopend. De Wâldpyken bezagen de intocht van de vierhonderd vreemdelingen met achterdocht. 'Het heeft te maken met angst en onwetendheid', zegt mevrouw Stavenga, tot voor kort dominee in de Friese Wouden. Ze gaf lange tijd Nederlandse les op het inmiddels gesloten complex. 'Er heerst hier op de zandgronden een sterke emotionaliteit en een neiging tot fundamentalisme.' Wantrouwen jegens de buitenwereld ligt volgens Stavenga in de volksaard van de Wâldpyken besloten. 'Tot in deze tijd is er in De Wouden nauwelijks import', zegt Stavenga. 'Al generaties lang wonen hier families die nog nooit het gebied zijn uitgeweest. Regelmatig ontmoet ik mensen die niet eens in Leeuwarden zijn geweest.' Toen Stavenga een keer voor de diakonie met een groep jongeren naar Amsterdam moest, waren die nog dagenlang van slag.

Op het stadhuis van de gemeente Kollumerland in Kollum vertelt cda-burgemeester Bearn Bilker een soortgelijk verhaal. 'Niet zo lang geleden moest ik met een mevrouw uit het even verderop gelegen Oudwoude naar het oosten des lands. Op de snelweg kwamen we vast te staan in een file. Een file, dat had ze nog nooit gezien.' Met die groep oorspronkelijke bewoners heeft de burgervader de afgelopen jaren heel wat te stellen gehad. 'Je ontmoet heftige emoties bij die mensen. Ze zijn doldriest, hebben moeite met het accepteren van gezag. Dat zien we bij elke openbare feestgelegenheid weer, dan gaat de vlam in de pan.' Burgemeester Bilker vindt het verschrikkelijk dat het asielzoekerscentrum voorgoed gesloten is. 'Hoewel het meer rust met zich meebrengt, is het doodzonde dat men hier niet meer met andere culturen kennis kan maken.'

Klaas Dijkstra van Vluchtelingenwerk Kollumerland is het daar van harte mee eens. Toen het centrum de deuren opende, toonde hij als één van de weinige rasechte Wâldpyken belangstelling voor de kleurrijke groep. 'Ik zat in de diakonie van de gereformeerde kerk. We besloten excursies voor ze te organiseren. We lieten het Gasuniegebouw in Groningen zien of namen ze mee naar een tewaterlating.' Een paar keer per week ging Dijkstra op het terrein een paar stacaravans af. 'Ze kookten heerlijke rijst met saffraan voor ons. Het beetje wat ze hadden deelden ze. Eeuwig jammer dat ze vertrokken zijn. Ik mis het gescharrel in de winkelstraat, van die Afrikaanse vrouwen in prachtige jurken.'

Met zijn belangstelling voor nieuwkomers was Dijkstra een uitzondering. 'Anders dan de meeste mensen hier heb ik mij altijd geïnteresseerd voor andere culturen en leefgewoonten', zegt hij. 'We zijn met ons allen op deze bol, we moeten het met elkaar doen. Zo zie ik het. In Irak werd al gebouwd, toen wij nog in berenvellen liepen. Als je je niet openstelt, is alles bedreigend en eng. Wat als je niet meer om zes uur je bloemkool kunt prakken?' Met de sluiting van het asielzoekerscentrum is alles in de Friese Wouden weer bij het oude, meent de meubelstoffeerder. 'De kortzichtigen hebben hun zin gekregen. Om vijf voor zes is het hier weer stil op straat. Geen buitenlander te zien, de regio voorgoed geïsoleerd.'

Vluchtelingenwerk Kollumerland kan elk moment ontbonden worden. Tot die tijd worden de laatste zeven vluchtelingen van de regio begeleid. Eén van hen is Bahram (32) uit Iran, die in Kollum met zijn vrouw in een seniorenflat woont en bij een installatiebedrijf in Leek werkt. In 1998 kreeg hij een verblijfsstatus en verruilde hij de stacaravan op de camping voor een huis in het dorp. 'De mensen zijn hier vol argwaan', zegt hij. 'Bij de Blokker bekeek ik eens een set pannen. Direct kwam er een verkoopster die zei dat ik de doos niet open mocht maken. Ik zei: ”Die was al open”. Zij zei: ”Jij mag daar helemaal niet aankomen”.'

Bahram, die elke zondag een rondje hardloopt om het verlaten asielzoekerscentrum, heeft zich ingeschreven voor een huis in Groningen. 'Ik kan niet wachten tot ik hier weg ben.'

Aan het begin van de negentiende eeuw verzuchtte dominee-schrijver Joost Hiddes Halbertsma dat het heidevolk van de noordelijke Friese Wouden 'het slechtste volk van Friesland' was. In zijn Lexicon Frisicum schreef hij: 'Zij hadden altijd een goed deel aan de bevolking van het tuchthuis en men geeft hen na, dat hij, die de meeste gezels en brandmerken had genoten, de plaats der eere in het hoekje van de haard kreeg.' De Friese historicus K. Sikkema schreef in zijn in 1954 verschenen boek Zwaagwesteinde, het ventersdorp op de Friese heide, dat 'in de tweede helft van de achttiende eeuw inderdaad het uitschot van de maatschappij zich in sinistere plaggenhutten op de Zwaagwesteinder heide had genesteld'. Deze 'onmaatschappelijken' waren meestal vanwege uiteenlopende vergrijpen van de het zuiden verbannen. De schelmen onder hen groepeerden zich in bendes en schuimden al stelend en plunderend omliggende gebieden af.

Hoewel de omstandigheden nauwelijks aantrekkingskracht op buitenstaanders uitoefenden, vestigde zich aan het einde van de achttiende eeuw in Zwaagwesteinde een in Hessenland geboren jood, Salomon Lévy. Hij verwekte nakomelingen bij verschillende vrouwen die vanwege hun iets donkere huidskleur nog altijd voorkomende achternamen als 'De Bruin' of 'Bruinsma' meekregen. Lévy voerde in februari 1797 een groep woeste Zwaagwesteinders aan die in Kollum een in hechtenis genomen boerenknecht uit hun dorp kwamen ontzetten. Deze had het gewaagd om onder Franse bezetting een aantal malen 'Oranje boven' te roepen en was in de kraag gevat. Het volk verbrijzelde de deuren van het rechtshuis te Kollum en hielp de dorpsgenoot te ontsnappen. Na de bevrijdingsactie, die de geschiedenis inging als Het Kollumer Oproer, duurde het lange tijd voordat de patriotten de rust en orde in het gebied hadden hersteld. Hoewel zij enkele oproerkraaiers, onder wie Salomon Lévy, in de kraag wisten te grijpen en opknoopten, bleven de meeste muiters voorgoed voortvluchtig.

In september 1998 trok Esther Uhunamure in bij Wytze van der Zwaag. De twee zusters waren het huis uitgegaan. Hoewel de verliefden elkaar nauwelijks konden verstaan, begreep Esther wat er van haar verwacht werd. De eerste ochtend stond zij om zes uur met Wytze op en hielp mee met het voederen van de koeien. 'Even was ik bang dat het hier in de omgeving tot praat zou leiden', zegt Wytze van der Zwaag op een donderdagmiddag in de woonkamer van zijn boerderij. Hij stelde Esther meteen aan zijn ouders voor. 'Voor mensen uit Afrika is het ook belangrijk dat het klikt met de schoonmoeder. Wat 'us Mem en us Heit' betrof was het goed. Ze waren blij dat ik een vrouw gevonden had.'

Esther doet de afwas in de keuken. Ze heeft Margriet, de baby van zes maanden, met een doek op haar rug gebonden. Dochter Vera (3) vermaakt zich te midden van een berg speelgoed. 'De gemeenschap accepteerde Esther, omdat ze naar de kerk ging en meehielp op de boerderij', zegt Wytze. 'Als er een activiteit is in het dorp, is ze erbij. Vooral brassband Juliana vindt ze machtig.' Esther leerde fietsen en Nederlands en Fries spreken. Wytze: 'Ik heb nooit iemand gehoord die zei: wat doe je met een zwarte vrouw? Het scheelt dat ik hier altijd heb gewoond. Als hier een Afrikaan op zichzelf kwam wonen, was het anders.' Wat volgens Wytze ook verschil maakt is dat Esther 'geen asielzoeker' is maar 'een illegaal'.

Een vrijdagavond. In Twijzelerheide, dat aan Zwaagwesteinde vastligt, woont Aafje Kloosterman (22). Ze werkt in Leeuwarden in de verpleging. Beneden in de huiskamer kijkt haar moeder naar de televisie, vader laat een frikandel in de friteuse zakken. Boven op haar kamertje is een 'speciaal Marianne-hoekje' ingericht. Aafje kende Marianne Vaatstra van jongs af aan. Ze zwommen samen met de jongens in het kanaal of hingen 's avonds rond op het pleintje rond de supermarkt in Zwaagwesteinde. Zij ging naar de openbare mavo in Kollum, Marianne naar de christelijke in Damwoude. In het weekeinde gingen ze uit met een groepje, maar niemand kwam echt tussen hen. 'We waren hecht zoals meisjes zelden zijn', zegt Aafje. In discotheek Ringo te Veenklooster kwam ook vaak een groepje jongens uit het even verderop gelegen asielzoekerscentrum van Kollum dansen. 'Met onbekenden heeft het hier nooit geklikt', zegt Aafje. 'Je had er een afkeer van.' Hoewel het genoegzaam bekend is dat veel meisjes, tot afschuw van veel boerenzonen, op het asielzoekerscentrum met de knappe, donkere jongens kwamen flirten, bezweert Aafje dat Marianne 'niets van ze moest hebben'.

In de nacht van 30 april op 1 mei 1999 kwam Marianne Vaatstra niet thuis. De volgende ochtend belde Mariannes moeder met de moeder van Aafje. Of Marianne daar had geslapen, zoals dat wel vaker gebeurde. Dat was niet zo. Aafje greep haar fiets. Met haar toenmalige vriendje Hans Veenstra, vader Bouke Vaatstra en Mariannes broer Johan reed ze richting Kollum, waar Marianne de avond ervoor in dancing Paradiso uit was geweest. In een weiland nabij Veenklooster zagen ze Mariannes fiets liggen. Hans Veenstra liep het weiland in en vond het onteerde lichaam met doorgesneden keel.

Het onderzoek richtte zich in eerste instantie niet op het asielzoekerscentrum, hemelsbreed nog geen kilometer van de vindplaats verwijderd. Wel moesten mannelijke Wâldpyken want in die richting wees het daderprofiel tot ver in de omtrek zich melden om dna-materiaal af te staan. Een aantal weigeraars ('Op het azc moeten ze wezen') werd gearresteerd en weer vrijgelaten.

Op 14 mei 1999 schreef de Kollumer Courant dat er geruchten circuleerden dat bewoners van het asielzoekerscentrum betrokken zouden zijn bij de lustmoord. Toenmalig burgemeester Visser van Kollumerland riep de burgers op de 'stemmingmakerij' te staken. Jongeren uit Zwaagwesteinde waren aan de poort al verhaal komen halen. Kinderen van asielzoekers werden op de Trekweg afgesneden door automobilisten of in het dorp bespuwd. Iemand die stage liep op het centrum werd in elkaar geslagen. Nieuwkomers die buiten het centrum woonden, zoals Bahram uit Iran, kregen een brief dat ze zich 'voorlopig' beter niet op 'openbare plekken' konden begeven. Mobiele eenheid stelde zich op rond het centrum. Een paar maanden later bleek dat het onderzoek zich in het begin wel degelijk op een aantal bewoners van het centrum had geconcentreerd, op het groepje van vier dat regelmatig in de Ringo danste. Eén van hen zou in de richting van Marianne een snijdende beweging hebben gemaakt. Een Irakees, die al spoedig onschuldig bleek, werd een tijdje als hoofdverdachte aangemerkt. De dader was en bleef spoorloos. In de Kollumer Courant verschenen aan de lopende band ophitsende brieven van Wâldpyken die zeker wisten dat het een 'moslimmoord' betrof.

Op donderdag 7 oktober 1999 ging het mis. De gemeente Kollumerland belegde die avond een informatiebijeenkomst over de permanente vestiging van het asielzoekerscentrum. Tegenstanders grepen de gelegenheid aan een demonstratie te beleggen tegen het centrum en lieten zelfs een vliegtuigje met een anti-asielzoekers-leus rondvliegen. Sprekers waren onder meer Hilly Veenstra de moeder van Hans die het lichaam vond en oprichtster van het actiecomité 'AZC Nee' en vader Bouke Vaatstra, die uitriep dat zijn dochter 'slachtoffer geworden is van het Nederlandse asielbeleid'.

Een van de ongeveer duizend demonstranten was Hendrik-Jan de Haan (25). Hij woont met zijn ouders in het vlak onder Zwaagwesteinde gelegen Noardburgum en werkt op het sloopbedrijf van zijn vader. 'Marianne was mijn buurmeisje', vertelt hij op een vrijdag in de ruime villa. 'Ze reed pony met mijn zus. Haar ouders woonden bij ons om de hoek, haar zus ertegenover. Iedereen kende Marianne wel. Hele leuke meid en altijd vrolijk. Ze stond elke avond met de groep op het winkelcentrum. Wij voetbalden en de meiden kletsten met elkaar.'

De vader van Hendrik-Jan komt erbij zitten. 'Ze lieten de mensen die in het asiel zaten bewust buiten schot', zegt hij. 'In de hele regio gingen ze van huis tot huis, maar de asielzoekers lieten ze ongemoeid. Zo'n azc wordt beschouwd als een ambassade, de overheid komt er niet op. Ik heb die lui massaal op mijn sloopbedrijf gehad, ik weet waar ik het over heb. Aan een deel van hen had ik geen hekel. '

Hendrik-Jan: 'Het heeft per week wel eens 500 gulden gekost aan gereedschap.'

Vader: 'Wâldpyken hebben een mening en staan daar ook voor. De gemeente had belang bij het azc, het ging ze puur om de centen. Op een gegeven moment, omdat er geen onderzoek op het azc was geweest, werd men kwaad. Het volk liet zijn stem horen. Wat mijn zoon geflikt heeft, daar sta ik nog voor honderd procent achter.'

Hendrik-Jan: 'Die avond reed ik met mijn vader, mijn zus en Mariannes broer naar Kollum voor de demonstratie. In Kollum zei Mariannes broer: ”Ben ik mijn eieren voor de burgemeester vergeten”. Ik haastte me naar de Chinees en heb er voor een tientje gekocht. Met zes man gingen we het zaaltje binnen, allemaal tv. Ik besloot gewoon te gooien. Struif vloog in de rondte. De burgemeester dook onder tafel.' Burgeragenten sprongen tevoorschijn en grepen Hendrik-Jan en zijn kornuiten. Hendrik-Jan wist zich los te rukken en sloeg op de vlucht. Drie maanden dook hij onder bij de ouders van Marianne. Toen een paar maanden later een aantal eiergooiers voor de rechter stond, hadden ze hem nog steeds niet. Afgelopen oktober pas zat hij zijn vier weken straf uit. 'Het was het tweede Kollumer Oproer', zegt zijn vader in de huiskamer. 'Deze regio zal in opstand blijven komen zolang niet vaststaat dat het geen asielzoeker was.' Niet lang na die beruchte avond trad burgemeester Visser af.

Hendrik-Jan stapt in een grote Mercedes en rijdt naar Zwaagwesteinde. Langs de weg schuiven protserig gebouwde woningen voorbij die na de oorlog door hardwerkende Wâldpyken op de plek van de armoedige heidehutten werden neergezet. Slechts af en toe is nog een authentiek bouwseltje, boerderij en huis in één, te ontwaren. Achter de lintbebouwing die de dorpen van de Friese Wouden kenmerkt, strekken weilanden met elzensingels zich uit. In café De Kelder is Hendrik-Jan een held die meteen bier aangeboden krijgt. Achter de gokkasten zitten enkele vrienden, waaronder Pieter V., een technicus die bij Philips werkt. Hij is de beste vriend van Mariannes broer. 'Johan kan nog steeds geen zwarte zien', zegt hij. 's Avonds komt Hans Veenstra binnen. Hij weet honderd procent zeker dat een asielzoeker het heeft gedaan. 'Ze moeten zich niet met dikke neus en schotellip in het dorp vertonen.' De ouders van Marianne Vaatstra, die ik een volgende dag in Zwaagwesteinde opzoek, houden er eenzelfde mening op na. Door verdriet en frustratie over het vastgelopen onderzoek kunnen zij in hun huiskamertje alleen nog maar geloven dat 'de politiek bewust asielzoekers heeft ontzien'. Middenin de nacht zou een aantal zelfs met taxi's zijn verplaatst.

Bij Wytze op de boerderij. Het is vijf uur en hij melkt zijn koeien. In het hooi ligt een vroeggeboren kalf. 'Esther woonde net een jaar bij me toen de moord plaatsvond. Ik was bang dat de mensen anders tegen haar aan zouden gaan kijken, ze hadden kunnen denken dat zij ook een asielzoeker was. Ik heb het proberen uit te leggen. Vanuit de kerken zijn er preken geweest. Dat je de goeien niet met de kwaden op één hoop moet vegen.' Voor de zekerheid meed het koppel Zwaagwesteinde, waar de afkeer van asielzoekers het heftigst was. Afgezien van een vrouw die Esther uitschold door de telefoon, bleven incidenten uit. In de huiskamer geeft Esther, die wel eens boodschappen deed in de supermarkt waar Marianne als caissière werkte, de kleine Margriet de fles. 'Hoe kon iemand zo'n mooi meisje doden?'

Voordat Vera in 2000 werd geboren, hadden Wytze en Esther willen trouwen. 'Dat ging niet', zegt Wytze, 'Esther heeft geen papieren.' Wytze kon haar niet verzekeren en kreeg het kind niet op zijn naam gezet. Nergens kon Esther zich bij aanmelden, omdat telkens naar haar sofi-nummer werd gevraagd. Toch ging het lange tijd goed. Tot juni 2003, toen de rechter het beroep tegen de beschikking van de Immigratieen Naturalisatiedienst ongegrond verklaarde. 'Ze heeft geen bewijs van geboorte, dat is het probleem', zegt Wytze. 'We hebben van alles laten opsporen: schoolrapporten, een verklaring van het dorpshoofd en een uitspraak van een Nigeriaanse rechter. Ze zijn daar ook bij de kerk geweest. Iedereen bevestigt dat Esther Esther is. Maar haar geboortebewijs is onvindbaar. Dat komt ook omdat ze daar geen verjaardagen vieren.'

In mei 2003 kreeg Esther bericht dat ze zich met een vliegticket moest melden op het politiebureau in Drachten. In paniek belde Wytze met burgemeester Bilker. Uit 'humane overwegingen' spande die zich tot het uiterste in, hoewel hij toegeeft dat het na de xenofobische uitingen in de nasleep van de Vaatstra-zaak 'wel bemoedigend' was om de Friese Wouden ook eens positief in het nieuws te krijgen. Hij schreef een brief namens het hele gemeentebestuur, mede-ondertekend door de huisarts, de dominee, Plaatselijk Belang en de oude Van der Zwaag. Antwoord bleef uit. Een poging minister Verdonk aan de telefoon te krijgen mislukte. Teneinde raad adviseerde de burgervader de ongelukkigen een 'publiciteitsoffensief' te starten.

Actiecomité 'Esther moat bliuwe' werd opgericht. Iedereen hielp mee. Tot in de wijde omtrek hingen bewoners in allerijl gedrukte Esther-posters achter de ramen. 'Waar leidt deze onmenselijke, onbegrijpelijke opstelling van onze overheid toe', schreef de Kollumer Courant. Eind september 2003 reed vanuit Kollumerzwaag een bus met 55 activisten naar Den Haag om 4.000 handtekeningen aan te bieden. Pers was massaal op de been. Eén muur in de Kollumerzwaagse boerderij hangt vol met steunbetuigingen: 'de kinderen van buitenschoolse opvang De Rakkers vinden dit niet eerlijk.'

Hoewel Esthers uitzetting nog altijd is opgeschort, sprak onlangs ook de Raad van State een ongunstig vonnis uit. Enkele Kamerleden beloofden zich hard te maken voor de zaak, maar er zijn geen aanwijzingen dat minister Verdonk, die nu het laatste woord heeft, coulant zal zijn.

'Dat met Esther is schijntolerantie', zegt Klaas Dijkstra van Vluchtelingenwerk Kollumerland. Bahram uit Iran vindt dat ook: 'Je moet eerst met een Fries trouwen voor ze je normaal behandelen.' Burgemeester Bilker ziet het rooskleuriger in. 'Ze beschouwen Esther als één van hen. Als de minister alsnog besluit tot vertrek, weet ik niet wat er gebeurt. Ze zullen het niet accepteren.'

Maar de jeugd in het Zwaagwesteinder café De Kelder is niet van plan de standpunten te herzien. Voor hen hoeft Esther niet te blijven. Ze zijn trots op de 'bijna nul procent allochtonen' in hun gemeente en hopen dat de laatste statushouders spoedig uit de Wouden zijn verdwenen. Na de sluiting van azc-Kollum richt hun onvrede zich thans op azc-Dokkum. Een aantal jongeren, deels afkomstig uit Zwaagwesteinde, heeft laatst geprobeerd het in brand te steken. 'Dat is toch prachtig', zeggen ze in De Kelder.

Joris van Casteren is journalist. Onlangs verscheen van hem bij Prometheus De man die 2 1/2 jaar dood lag. Berichten uit het nieuwe Nederland.

Martijn van de Griendt is freelance fotograaf.

[streamers]

'De mensen hier zijn doldriest, hebben moeite met het accepteren van gezag.'

'In de hele regio gingen ze van huis tot huis, maar de asielzoekers lieten ze ongemoeid.'