Grand Charles

Grand Charles was een dorpshoofd uit Kameroen. Een onvergetelijke man die graag Schiedamse jenever dronk en ook ná zijn dood nog volop meetelde.

Er zijn van die mensen die je vrij kort meemaakt maar die je je leven niet vergeet. `Grand Charles' is voor mij zo iemand. Hij was dorpshoofd van een gehucht op een open plek in het regenwoud langs het onverharde pad tussen het provinciehoofdstadje Bertoua en het dorpje Deng Deng in Oost-Kameroen. Dat ligt weer in de oksel van West-Afrika.

Het woord dorpshoofd was trouwens een onderschatting van de realiteit, vond Grand Charles. Hij had z'n dorp immers met eigen zaad gesticht. Het was dus zijn eigen uitgebreide familie. En hoewel hij de zeventig moest zijn gepasseerd – de chef kende alleen bij benadering zijn leeftijd – was er met zijn potentie niets mis.

Passeerde je per terreinwagen zijn `village', dan zou het niet afleggen van een bezoekje aan de chef als een belediging worden opgevat. De bezoeker werd getrakteerd op een zurig sorghum-bier. Afhankelijk van het seizoen serveerde de chef ook palmwijn, gewonnen uit de bast van de gelijknamige boom, een verfrissend maar hachelijk drankje. Het dronk lekker weg maar bleef nog een tijdlang doorgisten in de ingewanden.

Behalve van de verbouw van voedselgewassen voor zelfvoorziening en wat cacao voor de verkoop leefden Grand Charles en zijn onderdanen van de jacht. Ooit stuurde de chef me mee met een paar van zijn jagers. Het fantastische, etagegewijs opgebouwde regenwoud was zo hoog en dicht dat het op de grond permanent schemerde. Met imitaties van lokroepen en andere dierengeluiden lokten de jagers buit binnen bereik van hun blaaspijpen en pijl en boogjes. Opbrengst: een paar papagaaien en een aardvarkentje.

Ooit nam ik m'n vanuit de hoofdstad Yaoundé overgekomen baas mee naar Grand Charles. Hij had het hele dorpje met palmtakken laten versieren. Toen mijn gast de chef een fles Schiedamse jenever aanbood en hem een bijpassend borrelglasje inschonk maakte die een afwerend gebaar. Grand Charles greep zijn eigen waterglas, schonk het boordevol en ledigde het in drie teugen. `Bien', sprak hij, zonder een krimp te geven.

Toen ik Bertoua na twee jaar verliet en daar een afscheidspartijtje aanrichtte voor kennissen en relaties, kwam Grand Charles ook. Hij bracht een tienhoofdig drumorkestje mee dat louter uit zonen van de chef bestond en in onze tuin speelde. Toen de band later op de avond steeds vaker en langduriger stilviel en de muzikanten steeds baldadiger gedrag vertoonden, sprak de normaal hoogst soevereine Grand Charles me aan met schrikogen die ik niet eerder had gezien. ,,Ze hebben m'n jongens te veel drank gegeven en nu heb ik geen greep meer op ze.''

Intussen was het orkestje helemaal stilgevallen en probeerden de beschonken leden het met notabelen gevulde huis binnen te dringen op zoek naar meer drank. Ik vreesde een gênante stoeipartij.

Ik zweette peentjes. Grand Charles zag dat en bood een krijgsplan. ,,U moet ze een voor een eruit pakken en in de bestelauto opsluiten'', suggereerde hij. Met die auto hadden we de chef en zijn orkest opgehaald. Terwijl een paar collega's de toegang tot ons huis tegen de opdringende musici verdedigden, sleurde ik samen met een kennis steeds de achterste weg. We deelden zonodig een paar oud-koloniale meppen uit, en sloten ze op in de bestelwagen. Toen het hele orkest zo was geborgen, Grand Charles als laatste was ingestapt, en we excuses hadden uitgewisseld, reed de auto snel weg.

Gelukkig had het ongeregelde vertrek geen kwaad bloed gezet. Volgens de chauffeur waren de bandleden halverwege de thuisreis bij hun positieven gekomen en was het orkestje al rijdend weer gaan spelen.

Amper een jaar na ons vertrek uit Kameroen overleed Grand Charles. Ik was er niet bij, maar kon me op grond van de lokale gewoonten zo ongeveer voorstellen hoe dat moet zijn gegaan.

Het eerste etmaal na het overlijden werd het witgekalkte lijk van de chef op een zetel onder een baldakijn van palmentakken midden in het dorp opgesteld, omringd door zijn in stilte wakende afstammelingen/dorpsgenoten.

Het tweede etmaal werd een continue bras- en zuippartij gehouden op de ritmen van het eerder genoemde orkestje, waarna de inmiddels al behoorlijk ruikende chef direct naast zijn eigen huis midden in het dorp werd begraven.

Het derde etmaal bestond uit collectief uitslapen en bijkomen rondom het verse graf. Westerse experts in rouwverwerking kunnen zich hier laten bijscholen.

Met dat alles was Grand Charles een vooroudergeest geworden die in dorpszaken nog lange tijd een vinger in de pap zou houden. Want bij voorname besluiten bleef zijn stem – via het werpen van een muntje op zijn graf – volop meetellen. Voor de chef was er leven na de dood.