De song van de landverhuizer

In deel 4 van de serie Italiaanse klassieken op dvd deze maand Rocco e i suoi fratelli van Luchino Visconti. De film is opgebouwd als een tragedie. De onbedorven Rocco laat zijn Nadia vallen om een absurde ereschuld.

Als een wolvin met haar roedel halfwas pups fladderen de moeder en vier van haar zoons door het station van Milaan. Met geheven kop gaat zij voorop. Onbevreesd, want ze weet zich beschut door het schichtige pak rondom haar. Even schuchter als nieuwsgierig kijken haar jongens naar boven, om zich heen, en weer omhoog. Het barokke station overweldigt eens te meer als je geen overjas draagt maar de punt van je boerencape onder je kin klemt tegen de koude; als je net aankomt uit het dorpse diepe zuiden van Italië dat door het stadse noorden spottend L'Africa wordt genoemd; als je, bepakt met manden, koffertjes, bundels en pakketten, van zins bent om een nieuw leven op te bouwen. Als je rekent op een beter bestaan, en dat begint nu.

Zodra het gezin uit de trein is gestapt, vervangt componist Nino Rota het smeltende volksliedje waar de film mee begon door nerveuze jazz. Hij laat de klanken heen en weer schieten onder de woorden van de moeder en haar zonen en de hele film lang schrijft hij door aan deze song van de landverhuizer.

Ze heten immigranten, maar feitelijk zijn ze dat niet want hun wieg stond in Italië zelf: ze verlieten hun armetierige provincie ten zuiden van Napels waar 'christenen moeten leven als beesten' met als enige privilege het recht op 'uitputting en gehoorzaamheid'. Des te sterker is de grandeur van Rocco e i suoi fratelli (Rocco en zijn broers): de film is opgebouwd als een tragedie, wordt voortgestuwd door het noodlot en is stevig gegrondvest op het snerpen van het volkstoneel. Maar klassiek oogt hij niet. Luchino Visconti (1906-1976) maakte hem in 1960 en in die tijd speelt hij zich ook af. De buitenwijken van Milaan, met hun betonnen woonkazernes, zijn betrekkelijk nieuw maar zien er al haveloos uit. Auto's zijn nog schaars, de loodrechte, kale asfaltstraten leeg. Wie oplet, ziet hoe een van de broers wil instappen via het portier van de bestuurder dit is 1960 en toen bestonden er mensen die nog nooit in een auto hadden gezeten.

Zulke aandoenlijke observaties verhullen niet dat Rocco in de allereerste plaats een studie van gewelddadigheid is. Het geweld heeft veel gezichten in deze film en Visconti probeert het te definieren met plotseling ontladen, gebalde snelheid. Dat gaat op voor het georganiseerde geweld in de boksring en het hoekige luchtgevecht van de mannen eromheen wit opflitsende hemden tussen grauwe revers; voor de ongecoördineerde klappen van het straatgevecht; voor een vretende kus die te lang duurt; voor een verkrachting als strafoefening, voor de vrouw maar vooral voor haar minnaar die moet toekijken Visconti maakt geen onderscheid, alles zet hij even groezelig neer. En zonder enige glamour, dat is het belangrijkste.

Maar dan komt het uiterste geweld: moord. Een knipmes kruipt tevoorschijn, armen speiden zich kruis-wijd, het slachtoffer is offerdier. De vuist stoot toe, de armen zakken, ze omhelzen de dader, die steekt door en door en door, tot het slachtoffer kermt: 'Ik wil nog niet dood'. Dit geweld slaat alles, daarom is het onverdraaglijk loom, met het trage mes, het vergeefse wegtijgeren van het slachtoffer en die onbeschrijfelijke vermoeidheid van de moordenaar naast het lijk.

Linzen lezen

In vijf hoofdstukken, elk genoemd naar de broer die cruciale invloed heeft op een stadium van hun gezamenlijke geschiedenis, verbeeldt Visconti hoe het boerengezin zijn weg vindt in het moderne Milaan. Direct uit het station staat de moederwolf met haar gebroed op de stoep bij de aanstaande schoonfamilie van haar oudste zoon, de vooruitgeschoven post in deze stad vol neonlicht en vreemde gewoontes. Terwijl de camera vrolijk als een vlinder door de woonkamer wervelt, krijgt de schoonfamilie in spe snel genoeg van de onhandige plattelanders, en de vrouw des huizes vraagt veelbetekenend: 'Waar blijven jullie eigenlijk, vannacht?'

De moeder heft haar arm. In haar oog brandt ogenblikkelijk een traan, terwijl ze diep uit haar machtige strot weeklaagt: 'Ik denk niet dat mijn zoon mij op straat zal laten slapen!' En weg schuiven ze met zijn allen, de vreemde stad in. Waar je adem wolkjes maakt en waar een kelderwoning betrokken kan worden. In die ruimte vol wrakke bedden laat Visconti de camera tussen de jongens zwerven of hij geen geregisseerde scènes draait maar een documentaire maakt. In korrelig zwartwit zien we ze ontwaken, dollen, linzen lezen, ondanks de winterkou blootsvoets en in hemdsmouwen, precies als vroeger thuis. Ze zijn arm maar ze zijn met zijn allen en moeder past op ze. Iedereen beseft het: die idylle is een dwaalspoor.

Na nog geen half uur film dringt zich de jonge prostituee Nadia (een rol van een toverachtig uitdagende Annie Girardot) de familie binnen, en binnen het uur verlaat de tweede zoon het rechte pad voor een leven op basis van klaplopen, stelen en drank. Ondanks de monstruositeiten die deze Simone ('Simon' in het Italiaans) begaat, weet Visconti hem aan ons hart te bakken. Hij omfloerst hem met een meevoelende camera, die allengs strammer wordt en uiteindelijk tot stilstand komt in een verijsd two-shot van de moeder, inmiddels in goeden doen, en deze zoon, een zwerver met bloed aan zijn jas. Hun gezichten verstarren in een laatste poging de complete boze buitenwereld weg te sluiten, maar zelfs de wolvin kan dit jong, misschien wel haar liefste, niet meer redden.

Rocco is anders

Visconti noemde zijn film echter naar de derde zoon: Rocco en zijn broers. Niet voor niets. Rocco is anders dan de anderen, zijn muziek is niet de jazz maar de kleine klanken van het volksliedje. Alain Delon, destijds 24, speelt hem. Hij werd geboren voor rollen als gangster en/of minnaar zonder pardon, maar Visconti keek door zijn imago heen en herkende hoe juist Delons onaanraakbaar ernstige uitstraling samen met zijn schoonheid de complexe Rocco, die destructieve heilige, acceptabel zouden maken.

Het komt niet in de zachtmoedige Rocco op om zich te laten absorberen door de mores van het noordelijke stadsleven. Hij behoudt zijn in campagna gevormde wezen, handhaaft de zelfbewuste onwetendheid die daarbij hoort, omdat hij niet anders kan. Uit onmacht houdt hij het op de oude waarden, tradities en taboes. En dusdoende sleurt hij de mensen die hij het meeste liefheeft het verderf in: zijn broer Simone, en Nadia, zijn geliefde die eerst aan hem leerde dat hij niet altijd bang moest zijn en aan wie hij later hetzelfde onderwees. Hij heeft echter niets geleerd: tegen alle verstand in laat hij haar vallen vanwege een absurde erecode.

Zwikkend over het dak van de magnifieke Dom, een favoriet uitstapje voor Milanese dagjesmensen, probeert Nadia de eeuwenoude claims te ontkrachten en Rocco tot rede te brengen.

Ze vecht een verloren strijd, wat Visconti benadrukt door hen eenzaam te filmen, om beurten ingeklemd tussen de antieke marmeren ornamenten.

Rocco houdt van Nadia en precies daarom verlaat hij haar. Hij zal boeten voor zijn overspel, hij zal zijn familie hooghouden, zijn broer afschermen tegen een verlies van eer. Waarom? Om niets. Om alles. Omdat hij weigert los te komen van 'het land van de olijven, van maanziekte en van regenbogen'.

Gaandeweg de film verschuift Visconti zijn documentaire aanpak naar zorgvuldig uitgebalanceerd filmdrama. Dat verfijnt hij verder en verder, tot de brandende close-ups extreem worden.

Ongegeneerde mannentranen jankend liggen de broers Rocco en Simone in elkaars armen. Ze verscheuren de harten van iedereen die hen ziet.

Met Rocco bewees Visconti wat hij voorbereidde in een eerder meesterwerk als Bellissima: onstuimig melodrama verzoet een harde werkelijkheid niet. Integendeel. Het maakt haar nog reëler.

Volgende maand: 'Mamma Roma' van Pier Paolo Pasolini

Joyce Roodnat is chef kunst van NRC Handelsblad.