De Europese kater verdrijven

Na de vele conflicten van afgelopen jaar wacht de Europese Unie, met Ierland en Nederland als opvolgende voorzitters, een bijzonder lastig jaar.

De kater verdrijven – dat zal het teken zijn waarin de Europese Unie dit jaar, en misschien nog wel langer, zal staan. Want Europa heeft aan het conflictrijke jaar 2003 (Irak, Stabiliteitspact, EU-grondwet) een flinke kater overgehouden.

De kater zit niet alleen het aanstaande feest rond de toetreding (per 1 mei) van tien nieuwe lidstaten in de weg. Hij vormt ook een extra handicap voor het halfjaarlijks roulerende voorzitterschap. Sinds eergisteren vervult Ierland deze rol, vanaf 1 juli krijgt Nederland haar toebedeeld.

De speciale verantwoordelijkheid die daar bijhoort, kent minister Bernard Bot, de CDA-minister die vorige maand het roer op Buitenlandse Zaken overnam, als weinig anderen. Hij stond mede aan de wieg van twee Europese verdragen die onder Nederlands voorzitterschap werden beklonken: dat van Maastricht (1991) over de Economische en Monetaire Unie, en dat van Amsterdam (1997) over de start van het uitbreidingproces.

Of het Nederland met Bots ervaring voor een derde maal vergund is een Europees verdrag over de eindstreep te helpen, zal vooral afhangen van twee factoren. De eerste heeft te maken met de opstelling van Polen en Spanje. Zij bleken op de decembertop in Brussel de grootste dwarsliggers bij de onderhandelingen over een Europese grondwet. Ierland zal de komende maanden hun concessiebereidheid opnieuw aftasten. Die missie lijkt beslissend voor de Nederlandse kans op succes later dit jaar.

De tweede factor heeft betrekking op de binnenlandse politieke verhoudingen. Iets daarvan klonk door in de maidenspeech van Bot vorige maand in de Tweede Kamer. ,,Ik denk dat wij iets minder de stadsomroeper moeten zijn en meer de bruggenbouwer, misschien iets meer het orkestlid en iets minder de solist.'' Bots boodschap gold vooral het VVD-smaldeel in de coalitie dat het `eigen' kabinet telkens aanspoort tot een hardere opstelling jegens Europa, vooral op financieel terrein.

Ook los van deze twee factoren krijgt Nederland het in 2004 in Europa al lastig genoeg. Dat slaat niet op het voornemen van het kabinet-Balkenende om het debat over normen en waarden op Europees niveau een impuls te geven, maar veeleer op de EU-kandidatuur van Turkije en de EU-begroting.

Turkije kreeg ruim een jaar geleden de toezegging dat uiterlijk in december 2004 wordt beoordeeld of het voldoet aan de ,,politieke criteria'' voor toetreding tot de EU. Die toetsing geschiedt dus onder Nederlandse regie.

Over de volgende meerjarenbegroting (2007 tot en met 2013) hoeft dit jaar nog geen beslissing te vallen. Maar de eis van zes rijke EU-partners, waaronder Nederland, om daar niet meer dan één procent van het nationaal inkomen voor uit te trekken, zet nu al kwaad bloed bij de armere en veelal nieuwe lidstaten. Nu ligt het plafond op 1,24 procent en het is dus niet moeilijk te voorspellen dat deze zuinigheid het overlegklimaat ook op andere terreinen danig belast en zelfs kan verpesten.

Twee zorgen blijven de Nederlandse regering waarschijnlijk wel bespaard. Het door het kabinet niet gewenste referendum over een EU-grondwet die er niet is, lijkt voorlopig van de baan. En het kabinet hoeft na de verkiezingen voor het Europees Parlement op 10 juni niet op zoek naar een nieuwe landgenoot voor de volgende Europese Commissie. Want als de 70-jarige Frits Bolkestein wil – en niets wijst op het tegendeel – mag hij blijven, zo is in de coalitie geregeld.