Alleen de honden en ik zijn niet Hongaars

Lange tijd geleden reed ik met drie vrienden twee Peugeot 504's van Rotterdam naar Ouagadougou. In de Sahara zouden we gaan genieten, maar op het Europese land karden we zo hard mogelijk door. Over slingerwegen in Andalusië scheurden we naar de boot die ons naar Marokko ging brengen. We kwamen terecht in een optocht van tot de nok toe volgepakte auto's – met touwen vastgesnoerde ijskasten op de daken – van voor hun winterreces huiswaartskerende gastarbeiders. Een eindeloze, drie rijen brede file aan de Marokkaanse grens. Er hing een gelatenheid in de nacht waarbij het leek alsof ik de enige was die wilde opschieten.

Toen ik met een van mijn broers mee op reëenjacht was schoot hij een reebok en ontweide die zo vlot dat het hart nog klopte toen hij het mij in handen gaf. De Hongaarse overgrootvader van Tristan (de laatste dandy van de voormalige dubbelmonarchie) ging op een koude winterdag in het Tatragebergte op berenjacht. Hij schoot een bruine beer. De jachtopzichter ging weg om de paarden te halen om de joekel uit het woud te slepen. Het begon te sneeuwen – de sneeuw wiste de sporen uit. De jachtopzichter vond meneer en de beer niet voordat de nacht viel. De overgrootvader nam zijn mes en sneed een holte in de beer groot genoeg om de nacht in door te brengen.

We hadden een derde Peugeot in onderdelen bij ons, die we gaandeweg verkochten. In Benin ontving de tonronde commandant van een legerbasis mij met kerst zittend in bad en maakte duidelijk dat er over de prijs die hij bood voor de door hem gewenste 504 startmotor niet onderhandeld werd. Om niet aan de krokodillen gevoerd te worden verkocht ik de startmotor, geheel tegen mijn Twentse aard, onder de marktprijs.

Vorige week, net voor de kerst, kwam ik vast te zitten in de Oostenrijkse bad- en wintersportplaats Badgastein omdat de startmotor van onze auto het begaf. Het ding was in de verre omgeving niet te vinden. Hij moest naar Salzburg ingevlogen worden en vandaar per taxi naar Badgastein gebracht.

Op dinsdagochtend belde ik de garage; ,,Ja, de taxi is onderweg. Als hij hier is dan hebben wij hem er in anderhalf uur ingezet.'' Terminologie en logistiek wekten associaties op aan een harttransplantatie, maar los daarvan moet ik bij een startmotor vanzelf aan het reeënhart denken dat ik ooit in mijn handen hield.

Honderd jaar geleden was Badgastein een deftig kuuroord, een koningsoord. De radonbaden schijnen goed te helpen tegen reumatiek. De Habsburgse keizer Franz Josef I en de Duitse keizer Wilhelm I waren vaste klanten. Hun adjudanten, vorst Bismarck en graaf Andrassy bezegelden er het verdedigingspact tegen Rusland. De band tussen Oostenrijk en Duitsland werd in Badgastein hechter dan achteraf wellicht gewenst.

Na drie dagen was mijn startmotor er. De avond voor kerst reed ik terug van Badgastein naar Boedapest. Tussen Wenen en Hegyeshalom slibde de weg dicht. Voor de Hongaarse grens stond een eindeloze, drie rijen brede file met afgeladen auto's van Hongaarse, Roemeense en Oekraïnse gastarbeiders – avonturiers die iets van het goud van de wereld hadden weten te bemachtigen en nu met over het asfalt schurende trekhaken huiswaarts trokken, alleen de ijskasten op de daken ontbraken.

In een fragment uit de Huizingalezing door Abram de Swaan las ik dat er de afgelopen eeuw door de staat 170 miljoen (ongewapende) burgers zijn vermoord. De sovjet-unie was het bloedigst met 62 miljoen moorden (een gemiddelde van 101 man per uur, 70 jaar onafgebroken, 24 uur per dag, zeven dagen in de week). Communistisch China volgde met 35 miljoen moorden tussen 1949 en 1987 (een gemiddelde van 105 man per uur), Nazi-Duitsland derde met 21 miljoen vermoorde burgers (een gemiddelde van 200 man per uur, 12 jaar lang).

Ik, geboren in 1963, kind van een verenigd Europa vrij van oorlog en dictatuur, kan me één vermoorde burger nog niet voorstellen. In Centraal Europa en zelfs in Noord-Afrika stap ik rond met een zelfverzekerdheid die niets te maken heeft met de lokale situatie maar gebaseerd is op eeuwenlange stabiliteit en burgerrechten in het Hollandse polderlandschap.

Telg te zijn van een blanke, protestantse, ondernemende upper-middleclass familie maakt misschien dat je in je hart de hele wereld beschouwt als een kolonie, weliswaar met een plaatselijke zetbaas, een grote dikke neger in een badkuip, maar uiteindelijk ressorterend onder Hare Majesteit Koningin der Nederlanden, symbool van redelijkheid.

Als ik de vrolijke slagvaardigheid zie van de gemiddelde Nederlandse ondernemer in Centraal Europa weet ik dat ze handelen vanuit dezelfde solide basis (en in hun hart de onuitgesproken overtuiging dragen dat al dit achterland ons rechtmatig toebehorend wingewest is) en krijg ik zin ze stevig te omhelzen.

Toen ik vanuit Oostenrijk Hongarije binnenkwam had ik geen gevoel van thuiskomst. Een week eerder reed ik vanuit Roemenië Hongarije binnen en had ik dat gevoel wel. Misschien is thuiskomen niets anders dan een gevoel van veiligheid, relatief dus. Het onbenoemde verlangen een holte in een pasgeschoten beer te maken en erin weg te kruipen.