Laat geschiedenis spreken over VS en Saddam

`Een presentabele jonge man. Aanvankelijk gezien als een extreme partijganger, maar de verantwoordelijkheid die komt met de macht zal hem meegaander kunnen maken.'' Heeft goede connecties met de heersende kringen, voegde de Britse ambassade in Bagdad nog toe aan een kort c.v., bestemd voor het thuisfront. Het was november 1969. De Ba'ath had anderhalf jaar tevoren de macht in Irak aan zich getrokken. De jongeman met veelbelovende relaties was Saddam Hussein. In het Westen werd de Ba'ath als stem van het nog pril praktiserende Arabische nationalisme beschouwd als een kracht voor vooruitgang en modernisering te midden van een in feodaliteit, religieuze orthodoxie en olierijkdom stagnerende regio.

Een maand later ontmoette de Britse ambassadeur Iraks `kroonprins'. De diplomaat was onder de indruk. De Britten, die na de Eerste Wereldoorlog de voormalige Turkse provincie tot een gloednieuw Arabisch koninkrijk, wel voorzien van olierijkdommen, hadden omgetoverd, maakten zich zorgen over de in hun ogen te nauwe betrekkingen die de Ba'ath met de Sovjet-Unie had aangeknoopt. De toekomst van de Britse oliebelangen was daarmee gemoeid. Maar het onderhoud verliep naar wens. Saddam leek tegenover het Kremlin een groter wantrouwen te koesteren dan tegenover de voormalige machthebber in zijn land. De ambassadeur zag Saddam als een veel serieuzere persoonlijkheid dan hij in Bagdad gewend was te ontmoeten. Diens innemende glimlach illustreerde betrokkenheid bij de zaak in kwestie, en was niet uitdrukking van de oppervlakkige minzaamheid waartoe andere Ba'athleiders zich bepaalden.

Kortom, wat deze vertegenwoordiger van de Britse kroon aanging, leek de nieuwe ster voorbestemd voor een grootse toekomst.

De hier aangehaalde correspondentie is onderdeel van sinds kort gedeclassificeerde Amerikaanse en Britse regeringsdocumenten (te lezen op www.nsarchive.org).

In de jaren zeventig volgden de Amerikanen onder aanvoering van presidentieel adviseur en minister van Buitenlandse Zaken Henry Kissinger het Britse spoor. Lang voor de sjah van Iran, Amerika's vertrouwde bondgenoot, ten val kwam, zocht Washington warmere betrekkingen met Iraks aanstormende nieuwe leidsman. In maart 1975 hadden Irak en Iran hun grensgeschil geregeld. In ruil daarvoor staakten de shah en zijn Amerikaanse vrienden hun steun aan opstandige Iraaks-Koerdische groeperingen – met tragische gevolgen voor die Koerdische minderheid. Een maand later stelde Kissinger tevreden vast dat, nu ,,dat Koerdische ding uit de weg was geruimd'', de voor Amerika gunstige ontwikkelingen in de regio te verwachten waren. Kissingers expert voor het gebied: ,,[Saddam] Hussein is een tamelijk opmerkelijke persoon; hij runt de tent, en hij is een bijzonder meedogenloze en pragmatische, intelligente machthebber''. De 38-jarige verdiende Amerika's aandacht.

In 1984 was er in het Midden-Oosten voor Amerika veel ten kwade gekeerd. De shah was in Iran vervangen door op macht beluste fundamentalistische geestelijken. Met de bezetting van de Amerikaanse ambassade in Teheran en de maandenlange gijzeling van het daar gestationeerde diplomatieke personeel had Washington een hoge prijs betaald voor zijn jarenlange vrijage met de gevallen vorst. Saddam was vervolgens Iran binnengevallen in de veronderstelling dat de oliebronnen in het zuidwesten van het land voor het grijpen lagen. Niets bleek minder waar. Iran pareerde Iraks oppermachtige vuurkracht met zijn numerieke overwicht. Irak greep daarop naar zijn ultieme wapen: gifgas.

Een dubbelhartige Amerikaanse reactie was het resultaat. Op 5 maart 1984 kritiseerde het State Department publiekelijk het gebruik door Irak van chemische wapens in strijd met de Geneefse akkoorden. Irak reageerde verbolgen. Donald Rumsfeld, de tegenwoordige minister van Defensie, werd naar Bagdad gestuurd om de Irakezen te sussen. Het was Rumsfelds tweede visite. Enkele maanden eerder had hij Saddam ontmoet. Een telegram bestemd voor de speciale gezant met richtlijnen voor eventuele nieuwe ontmoetingen met Saddam of andere hooggeplaatsten spreekt voor zichzelf.

Pogingen in Washington ondernomen om met een bezoekende Iraakse diplomaat in het reine te komen waren mislukt. De gast, onderminister Kittani, had zich niet laten `overtuigen' dat de kritiek onvermijdelijk was geweest gezien Amerika's bekende standpunt ten aanzien van het gebruik van dit soort wapens in het algemeen. Rumsfeld diende Bagdad te verzekeren van Amerika's belangstelling voor verbetering van de bilaterale betrekkingen ,,in een tempo naar Iraks keuze''. Amerika's interesse in een verbetering van de onderlinge relaties ,,blijft onverminderd'' ondanks het bekend worden van Iraks gebruik van chemische wapens, kreeg Rumsfeld als richtsnoer mee. Het feit dat Bagdad onderdak verleende aan de met Abu Nidal verbonden terroristen werd in de instructies genoemd, maar er is geen aanwijzing gevonden dat Washingtons gezant dit onderwerp moest aansnijden dan wel dat dit warmere betrekkingen met Bagdad in de weg mocht staan.

Rumsfeld ontmoette minister Tariq Aziz op 26 maart 1984. Verzoeken op basis van de Freedom of Information Act om de betreffende documentatie vrij te geven zijn niet gehonoreerd.

Natuurlijk moeten we aannemen dat president Bush het goed bedoelde toen hij op 6 november jongstleden in een spraakmakende rede over vrijheid in Irak en het Midden-Oosten voorganger Reagan (1981-1989) lof toezwaaide voor diens strijd voor de vestiging van democratie in de wereld. Maar de geloofwaardigheid van het Witte Huis in dezen zou toenemen als het dan ook de betrekkingen tussen Washington en het Bagdad van Saddam eigenhandig in het volle licht van openhartige geschiedschrijving zou plaatsen. Opdat de historische nuances niet voorgoed in het retorische geweld van het moment ten onder gaan.

J.H. Sampiemon is oud-redacteur van NRC Handelsblad.