Joods betekent vrij zijn

Twintig procent van de Israëliërs is Arabier. Hun minderheidspositie en gevoelens van dubbele loyaliteit – enerzijds Israëlisch staatsburger, anderzijds verbonden met Palestijnen in de bezette gebieden – lijkt een vruchtbare voedingsbodem voor mooie literatuur. Maar tot nu toe is de oogst nogal schraal, zeker van auteurs die in het Hebreeuws publiceren.

Anton Sjammas was in 1986 de eerste Israëlische Arabier die een Hebreeuwse roman schreef. Zijn Arabesken (vertaald door Mirjam Lumkeman en in 1989 uitgegeven door Bert Bakker) beschrijft een Arabische familie in een dorp in Galilea. En nu is er dan Sayed Kashua (1975), geboren in het dorp Tira in Galilea, journalist bij het progressieve Tel-Avivse weekblad Haïer. Zijn romandebuut Dansende Arabieren speelt zich eveneens af in een dorp in Galilea, de streek waar de meeste Israëlische Arabieren wonen. Het boek werd vorig jaar in Israël een bestseller en is inmiddels al in verscheidene talen vertaald.

In korte hoofdstukken beschrijft de naamloze ikfiguur scènes uit zijn leven. Zijn biografische gegevens en zijn uiterlijke kenmerken vertonen overeenkomsten met die van de auteur. Maar gezien het voorspoedige verloop van de carrière van de schrijver mogen we toch aannemen dat dit boek slechts ten dele autobiografisch is.

Kashua beschrijft de jeugd van de hoofdpersoon vanuit het onbevangen perspectief van een kind. Een beproefde manier om de lezer te laten merken hoe vreemd de wereld in elkaar zit. Aanvankelijk kent het jongetje `de joden' uitsluitend uit verhalen. De joden zijn slecht en laf. Ze schoten zijn grootvader dood en zetten zijn vader, een communist, vijf jaar in de gevangenis. Ook het `bloedsprookje' circuleert: een arts in het dorp zou als klein jongetje door de joden zijn ontvoerd omdat ze zijn bloed wilden aftappen voor de matses. Maar ze hadden medelijden gekregen en hem ongeschonden teruggebracht. Overigens is iedereen in het dorp dol op matses.

Gaandeweg komt de jongen toch in aanraking met joden. Op school organiseert een vredesorganisatie een uitwisseling met een joodse school uit de buurt. Kashua maakt de mengeling van wantrouwen en – ondanks alles – bewondering ten aanzien van de joden invoelbaar. Elk Arabisch kind krijgt een joods `vriendje', dat bij hem of haar thuis komt eten. `We waren blij', schrijft Kashua. `Joden betekenden vrij, en de onderwijzers gedroegen zich anders, sloegen niet en waren de hele tijd aan het glimlachen.' De moeder van de hoofdpersoon neemt een hele dag vrij om de maaltijd voor te bereiden, en het joodse vriendje, Nadav, blijkt aardig.

Een week later gaan de Arabieren naar de joden. Daar gaat het anders toe. Een jongen en een meisje lopen gearmd op het speelplein zonder dat ze daarvoor gestraft worden. Maar door een misverstand krijgt de hoofdpersoon een nieuw vriendje toegewezen. Hij voelt zich in de steek gelaten en denkt dat het Nadav niets kan schelen met welke Arabier hij vrienden is. Dat blijkt niet waar: Nadav heeft de hele tijd had gehuild omdat zijn vriendje er niet was. Onze hoofdpersoon is blij: `Die jood hield echt van me.'

Later wordt hij als enige uit het dorp toegelaten op een prestigieuze kostschool in Jeruzalem. Zijn toelating zorgt voor grote vreugde in het dorp: hij zal de eerste Arabische atoombom bouwen! Zelf wil hij het liefst een echte Israëlier worden. Maar in het begin is het wennen op school. Hij wordt uitgelachen om zijn kleren, en tijdens zijn eerste busreis naar huis wordt hij er bij een controlepost uitgepikt om onderzocht te worden. Omdat hij een Arabier is. Dat zal hem niet weer gebeuren, dus voortaan gaat hij gewapend met zonnebril, walkman en een Hebreeuws boek de bus in, en met succes. Op school gaat het ook steeds beter. Hij mag op schoolreisjes zelfs het geweer van de leraar dragen, en hij krijgt een joods vriendinnetje, Nomi. Zij is lid van een linkse partij, en bij haar thuis zijn ze erg aardig voor hem.

In de eindexamenklas begint hij voor het eerst iets te begrijpen van de joodse geschiedenis en snapt hij eindelijk dat het Arabische scheldwoord sahjoeni `zionist' betekent: `Ik was ervan overtuigd geweest dat sahjoeni zoiets betekende als ``dikzak'', iemand die eruitzag als een beer. Ineens begreep ik dat zionisme een ideologie was.' Zijn klasgenoten bereiden zich voor op de militaire dienst. In de tijd dat zij trainen, mag hij naar het museum. Maar de klap komt als de progressieve moeder van Nomi bepaalt dat zijn relatie met haar dochter na de middelbare school afgelopen moet zijn. Een Arabisch vriendje is leuk voor een tijdje, maar het moet niet serieus worden. Hij raakt depressief en doet zelfs een zelfmoordpoging.

Vanaf dat moment raakt ook het boek in het slop. De hoofdpersoon zakt voor zijn eindexamen, slaagt een jaar later met matige cijfers, gaat iets vaags studeren in Jeruzalem, trouwt met een Arabische studente zonder van haar te houden. Hij krijgt een dochter, rookt en drinkt, werkt in een bar, gelooft nergens meer in, gaat met een fundamentalistisch geworden vriend naar Mekka, maar vindt ook daar het ware geloof niet.

Kashua's schijnbaar terloopse, laconieke stijl verzandt hier in lamlendigheid. Wellicht wil hij daarmee aangeven dat een Arabier met al zijn idealisme en goede wil uiteindelijk toch tegen een muur loopt, vervreemd van zijn Arabische omgeving en verstoten door de joodse maatschappij waar hij zo graag bij wil horen. Maar omdat de omslag in de houding van de hoofdpersoon weinig geloofwaardig wordt beschreven en de personen om hem heen nauwelijks reliëf hebben, krijgt deze vaststelling het karakter van een cliché. Terwijl het mooie van de eerste helft van het boek nu juist is dat allerlei clichés genadeloos en hilarisch aan de kaak gesteld worden.

In een wereld waarin de clichés over joden en Arabieren het zicht op de werkelijkheid steeds meer ontnemen, is het belangrijk dat er schrijvers zijn die daar oog voor hebben. Het is begrijpelijk dat uitgevers zulke schrijvers zo snel mogelijk willen publiceren. Maar iets meer geduld en een goede begeleiding van de auteur hadden meer recht gedaan aan het onderwerp en aan de schrijver.

Sayed Kashua: Dansende Arabieren. Vertaald uit het Hebreeuws door Ruben Verhasselt. Vassallucci, 168 blz. euro 17,95